GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel Recht Zaaknummer:200.070.560/01 Zaak-rolnummer rechtbank: 302854 HA ZA 08-236 Arrest d.d. 15 januari 2013 in de zaak van [appellant] wonende te Kwintsheul , principaal appellant, incidenteel geïntimeerde, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. L.Ph.J. baron van Utenhove, tegen 1. WESTLAND INFRA NETBEHEER B.V., 2. WESTLAND ENERGIE SERVICES B.V., beiden gevestigd te Poeldijk, principaal geïntimeerden, incidenteel appellanten, hierna gezamenlijk te noemen: Westland, en ieder afzonderlijk Westland Infra en Westland Energie, advocaat: mr. J.P. Heering te ‘s-Gravenhage. Het geding Bij exploot van 13 juli 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 19 november 2008 en 14 april 2010 voor zover de rechtbank ‘s-Gravenhage die vonnissen tussen Achmea als gevolmachtigde van [appellant] en Westland heeft gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] tegen het vonnis van 14 april 2010 grieven aangevoerd die Westland bij memorie van antwoord heeft bestreden. [appellant] heeft voorts zijn eis vermeerderd. Westland heeft harerzijds bij memorie van antwoord tegen beide genoemde vonnissen incidenteel appel ingesteld, daarin grieven aangevoerd die [appellant] bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties) heeft bestreden. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest. De beoordeling van het hoger beroep 1. In deze zaak kan –wat betreft de hoofdlijnen - van de volgende feiten worden uitgegaan. Voor een meer gedetailleerde weergave van de feiten verwijst het hof naar het vonnis van de rechtbank van 19 november 2008, rov. 2.1. tot en met 2.11. a. In de nacht van maandag 27 op dinsdag 28 maart 2006 is brand uitgebroken in de anthuriumkwekerij van [appellant] te Kwintsheul, gemeente Westland. b. Volgens [appellant] is deze brand ontstaan doordat de monteur van Westland Energie, nadat [appellant] aan Westland Energie een stroomstoring (stroomuitval) had gemeld, een beschadigde voedingskabel onder spanning heeft gezet, zulks terwijl de monteur geen onderzoek had verricht naar de oorzaak van de desbetreffende storing. Er is vervolgens brand ontstaan in de computerruimte van [appellant], in het bijzonder in de zich daarin bevindende laagspanningsverdeelinrichting. c. [appellant] stelt dat hij als gevolg van de brand een schade heeft geleden van € 1.799.820,70. Hij stelt voorts dat Achmea Schadeverzekeringen N.V. – verder: Achmea – daarvan een bedrag van € 1.575.772,19 aan hem heeft vergoed op grond van een tussen hen gesloten zogeheten Toplandverzekering voor schade aan kassen, bedrijfsgebouwen, gewassen, bedrijfsonderdelen en electronica, en dat het resterende bedrag van € 224.048,51 voor zijn rekening is gebleven. d. Bij brief d.d. 31 mei 2006 is Westland Infra aansprakelijk gesteld voor de schade. e. In eerste aanleg heeft Achmea Westland gedagvaard en schadevergoeding gevorderd. Het bedrag van € 1.575.772,19 vorderde Achmea als gesubrogeerd verzekeraar in de rechten van [appellant] en het bedrag van € 224.048,51 vorderde zij als gevolmachtigde van [appellant]. f. Bij eindvonnis van 14 april 2010 rov. 3.11. heeft de rechtbank beslist dat de schade gelijkelijk over beide partijen wordt verdeeld, zodat 50% van de geleden schade ten laste van Achmea blijft. g. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat Achmea als brandverzekeraar in de zin van BBr 2000 is opgetreden en dat haar verhaalsrecht daarom is beperkt tot een bedrag van € 500.000,- in hoofdsom, zodat aan Achmea als gesubrogeerd verzekeraar niet meer dan € 500.000,- in hoofdsom kan worden toegewezen. Terzake de niet-vergoede schade van [appellant], heeft de rechtbank € 112.024,26 toegewezen (eindvonnis rov. 3.14.). 2. [appellant] heeft de aan Achmea verleende volmacht ingetrokken en is zelf in hoger beroep gekomen van de bovengenoemde vonnissen voor zover de rechtbank die heeft gewezen tussen Achmea als gevolmachtigde van [appellant] en Westland. Achmea heeft geen hoger beroep ingesteld. 3. Het hof zal eerst de incidentele grieven van Westland bespreken. 4. In de incidentele grieven I en X betwist Westland het door [appellant] gestelde schadebedrag. In het bijzonder betwist Westland dat Achmea slechts een bedrag van € 1.575.772,19 aan [appellant] heeft vergoed. 5. Het hof oordeelt als volgt. Achmea heeft in eerste aanleg verklaard dat zij op grond van de met [appellant] gesloten verzekering van de totale schade ad € 1.799.820,70. een bedrag van € 1.575.772,19 aan [appellant] heeft vergoed (inl. dagv. punt 12 en noot 1). Het bedrag van de totale schade heeft [appellant] met de producties 4, 5, 6 en 7 bij de inleidende dagvaarding genoegzaam onderbouwd, zoals ook de rechtbank al overwoog (eindvonnis rov. 3.13.). Hiertegenover is de betwisting van een en ander door Westland onvoldoende gemotiveerd, zodat het hof het verweer van Westland verwerpt. De incidentele grieven I en X falen. 6. De rechtbank heeft geoordeeld (tussenvonnis d.d. 19 november 2008, rov. 4.13.) dat de aansprakelijkstelling van 31 mei 2006 binnen bekwame tijd is verzonden, nadat Biesboer Expertise B.V. op 27 april 2006 (prod. 2 inl. dagv.) aan Achmea had gerapporteerd. 7. De tegen dit oordeel gerichte incidentele grief II faalt. Het hof acht het oordeel van de rechtbank juist en neemt dit oordeel en de motivering daarvan over. 8. De rechtbank heeft geoordeeld (eindvonnis rov. 3.7.) dat Westland in beginsel de door Achmea geleden schade tengevolge van het handelen van de monteur dient te vergoeden. Aan dit oordeel heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd: - Op grond van het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige ir. R. Venhuizen is aannemelijk dat de brand is ontstaan door het handelen van de monteur, bestaande uit het tot tweemaal toe inschakelen van de spanning, gegeven de foutsituatie op de grondkabel. Zonder dit handelen van de monteur zou de brand hoogstwaarschijnlijk niet zijn ontstaan. Hiermee is het conditio sine qua non verband tussen dit handelen en de brand gegeven (rov. 3.4.). - Door in strijd te handelen met veiligheidsinstructies heeft de monteur niet de zorg betracht waartoe hij uit hoofde van de overeenkomst tussen Westland en [appellant] gehouden was. De monteur heeft daarmee tevens gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt (rov. 3.5.) - Niet ter zake doet of de handeling van de monteur een gebruikelijke werkwijze is binnen de energiewereld. Ook dan kan die handeling onzorgvuldig zijn en schade veroorzaken, ook al is dat niet eerder gebeurd. Het handelen van de monteur is verwijtbaar (rov. 3.6.) - Het verwijtbaar handelen van de monteur vormt enerzijds een aan Westland toe te rekenen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en anderzijds een aan Westland toe te rekenen onrechtmatige daad op basis van artikel 6:170 BW (rov. 3.7.). 9. Met betrekking tot de vergoedingsplicht van Westland heeft de rechtbank geoordeeld dat deze met toepassing van artikel 6:101, lid 1 BW tot helft van het schadebedrag moet worden verminderd. Aan dit oordeel heeft de rechtbank – kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd: - Ook de constructie van de installatie van [appellant] kan een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de brand en daarom is voldoende aannemelijk dat het handelen van de monteur niet de enige omstandigheid is geweest die in een oorzakelijk verband staat met de schade. Meer zekerheid daarover kan echter niet meer worden verkregen (rov. 3.8.). - De onzekerheid over de wijze waarop de brand is ontstaan komt voor rekening en risico van Achmea (lees: [appellant]) (rov. 3.9.). - Op grond van een en ander dient de schade, met toepassing van art. 6:101, lid 1 BW over Achmea (lees: [appellant]) en Westland te worden verdeeld en wel aldus dat van de schade 50% voor rekening van Westland en 50% voor rekening van Achmea (lees: [appellant]) komt (rov. 3.10). 10. In de incidentele grieven III tot en met VI bestrijdt Westland de oordelen van de rechtbank, hierboven vermeld onder rov. 8. Tegen de verdeling van de schade komen beide partijen op, [appellant] in de principale grieven I tot en met IV, Westland in de incidentele grief IX. Naar aanleiding van deze grieven oordeelt het hof als volgt. 11. Westland stelt in de toelichting op de incidentele grief IV dat in het deskundigenonderzoek geen oorzakelijk verband tussen bovengenoemde handeling van de monteur en het ontstaan van de brand is vastgesteld, maar slechts bevindingen zijn gedaan die op oorzakelijk verband duiden. Bovendien baseert de deskundige, aldus Westland, deze duiding op niet te verifiëren mededelingen van [appellant] omtrent het deugdelijk functioneren van de installatie in de jaren vóór de brand en rond 23.00 uur in de nacht van de brand, alsmede omtrent de door hem waargenomen eerste vlammen in de elektrische verdeelinrichting (mvg punt 189-192). 12. Het hof is van oordeel dat Westland geen gronden heeft aangevoerd die meebrengen dat niet van de juistheid van de mededelingen van [appellant] kan worden uitgegaan. Uitgaande daarvan oordeelt het hof dat de conclusie van de deskundige dat de bevindingen van het onderzoek duiden op een oorzakelijk verband als voormeld, zodanig sterk bewijs van dat oorzakelijk verband opleveren dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat door de handeling van de monteur de brand is veroorzaakt in die zin dat zonder die handeling de brand niet zou zijn ontstaan (een conditio sine qua non-verband). De incidentele grief IV faalt. 13. Westland stelt in de toelichting op de incidentele grief V dat de monteur niet heeft gehandeld in strijd met veiligheidsinstructies. De monteur mag ingeval van storingen zekeringen vervangen en vervolgens de spanning weer inschakelen. Deze werkwijze is niet onveilig, vindt veelvuldig plaats en leidt niet tot problemen in de installatie van klanten. Een snel herstel van de spanning is bovendien in het belang van de veiligheid en levert geen onaanvaardbaar risico op, laat staan een risico van brand. Er is overigens geen redelijk werkbaar alternatief, aldus Westland. 14. Het hof is van oordeel dat voormelde stellingen van Westland in zoverre niet kunnen worden gevolgd dat de monteur (lees: Westland) met de aldus gevolgde werkwijze bewust een risico neemt dat schade ontstaat aan de apparatuur van klanten. Zulks blijkt immers met zoveel woorden uit het antwoord van de deskundige op vraag 2. De deskundige zegt in zijn antwoord op vraag 2 weliswaar niet dat met deze werkwijze het risico van brand ontstaat, maar uit de door de deskundige onderzochte mogelijke scenario’s met betrekking tot het ontstaan van brand (bijlage C bij het deskundigenrapport) blijkt dat de mogelijkheid van het ontstaan van brand onder omstandigheden zeer wel aanwezig is (zie scenario C4, C5 en C6). Wanneer de monteur (lees Westland) derhalve verschillende malen opnieuw de stroom inschakelt ingeval van een foutsituatie in de voedende kabel en aldus bewust genoemd risico neemt, handelt hij/zij verwijtbaar jegens de klant indien deze daardoor schade, waaronder ook brandschade, ondervindt, ook al zou de monteur alsdan niet handelen in strijd met eventuele veiligheidsinstructies. De incidentele grief V faalt. 15. Westland stelt in de toelichting op grief VI dat de door haar monteur gevolgde werkwijze haar niet mag worden toegerekend nu deze werkwijze algemeen wordt gehanteerd bij de netbeheerders en nooit schade veroorzaakt. 16. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval de door Westland verdedigde werkwijze wél schade heeft veroorzaakt in de zin als bedoeld in rov. 13. Voor de toerekening van deze werkwijze is niet van belang de stelling van Westland dat deze werkwijze algemeen gebruikelijk is en als gevolg van deze werkwijze zich nooit eerder schadegevallen hebben voorgedaan. Het bewijsaanbod van Westland, vermeld in haar memorie in appel punt 218 en 253, acht het hof daarom in dit verband niet ter zake dienend. Indien Westland in de veronderstelling mocht hebben verkeerd dat deze werkwijze harerzijds geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst of een onrechtmatig handelen oplevert omdat deze algemeen gebruikelijk is, laat dit onverlet dat het handelen van de monteur aan haar kan worden toegerekend. Immers naar verkeersopvatting komt deze – door haar gevolgde – werkwijze voor haar rekening (vgl. art. 6:75 en 6:162 BW). De incidentele grief VI faalt. 17. Hetgeen het hof met betrekking tot de incidentele grieven IV tot en met VI heeft overwogen brengt echter nog niet mee dat de door [appellant] geleden schade in zodanig verband staat met de werkwijze van de monteur dat de schade als gevolg van deze gebeurtenis aan Westland kan worden toegerekend. Uit de antwoorden van de deskundige blijkt weliswaar dat zijn bevindingen in casu duiden op een oorzakelijk verband tussen handelwijze van de monteur en het ontstaan van de brand, maar de deskundige laat in het midden of en zo ja, in hoeverre eventuele gebreken in de installatie van [appellant] daarbij een oorzakelijke (al dan niet doorslaggevende) rol hebben gespeeld. 18. Het hof begrijpt de (toelichting op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.