GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.095.486/01 Zaaknummer rechtbank : 334136 / HAZA 09-1826 arrest van 26 maart 2013 inzake [Appellante], wonende te [Woonplaats], appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Capelle aan den IJssel, tegen [Geïntimeerde], wonende te [Woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. M.L. van Opijnen te Utrecht. Het geding Bij exploot van 3 oktober 2011 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 20 juli
- In dit exploot heeft [appellante] (onder overlegging van één productie) twee grieven aangevoerd. Bij tussenarrest van 29 november 2011 heeft het hof een comparitie van partijen bevolen. Deze comparitie heeft op 1 juni 2012 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van deze comparitie bevindt zich bij de stukken. [appellante] heeft een akte intrekking grieven genomen. [geïntimeerde] heeft gereageerd bij memorie van antwoord. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep
- De door de rechtbank in het vonnis van 31 maart 2010 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.
- [geïntimeerde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij een bedrag van € 8.475,96 aan [appellante] heeft geleend en dat [appellante] niet heeft voldaan aan haar verplichting tot terugbetaling.
- [appellante] heeft in de eerste aanleg verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] haar dit bedrag had geschonken.
- De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 31 maart 2010 [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen dat de door haar gestelde overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen.
- De rechtbank heeft bij vonnis van 20 juli 2011 beslist dat [geïntimeerde] is geslaagd in de haar opgedragen bewijslevering en de vordering van [geïntimeerde] toegewezen.
- Na de comparitie van partijen heeft [appellante] bij akte intrekking grieven haar grieven ingetrokken. Zij had [geïntimeerde] verzocht mee te werken aan royement van de zaak met verdeling van de kosten bij helfte. [geïntimeerde] was hiertoe niet bereid.
- [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord bevestigd dat zij niet wilde meewerken aan royement van de zaak met verdeling van de kosten bij helfte. [geïntimeerde] had willen meewerken aan royement indien [appellante] de proceskosten in hoger beroep voor haar rekening zou nemen. Hiertoe was [appellante] niet bereid.
- [geïntimeerde] verzoekt het vonnis te bekrachtigen en [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
- Het hof zal deze vordering toewijzen. [appellante] moet worden aangemerkt als de in dit hoger beroep in het ongelijk gestelde partij en dient dus te worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde]. In haar akte intrekking grieven heeft [appellante] erkend dat zij niet bereid was om de (tot dan toe) door [geïntimeerde] gemaakte proceskosten volledig te vergoeden. [geïntimeerde] had er dus recht en belang bij om bij memorie van antwoord verweer te voeren tegen deze weigering. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als hierna te melden. Beslissing Het hof: - bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2011; - veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 284,-- aan verschotten en € 1.264,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, J.J. Roos, R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2013 in aanwezigheid van de griffier.