GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.083.592/01 Zaak-rolnummer rechtbank: 987009/10-23898 Arrest d.d. 16 april 2013 in de zaak van [appellant], wonende te [Wonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J.G. Cabboort te Middelburg, tegen NACO NETHERLANDS AIRPORT CONSULTANTS B.V., gevestigd te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: Naco, advocaat: mr. B.G. den Outer-Kroon te Den Haag. Het geding Bij exploot van 24 februari 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 30 november 2010 dat de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Den Haag, tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven (met 15 producties) heeft [appellant] zijn eis gewijzigd en tegen dat vonnis twee grieven aangevoerd die Naco bij memorie van antwoord (met twee producties) heeft bestreden. Bij tussenarrest van 7 juni 2011, gewezen na het nemen van de memorie van grieven en vóór het nemen van de memorie van antwoord, heeft het hof een comparitie van partijen bevolen. Bij brief d.d. 30 juni 2011, met als bijlagen drie producties, heeft Naco het hof voorshands geïnformeerd omtrent de hoofdlijnen van haar verweer. Daarna heeft op 14 juli 2011 de comparitie plaatsgevonden, waarbij ter comparitie is vastgesteld dat voormelde brief met bijlagen onderdeel vormt van de gedingstukken. Een schikking is niet bereikt. Nadat Naco een memorie van antwoord had genomen hebben partijen over en weer tweemaal een akte gewisseld. [appellant] heeft bij de eerste akte nog twee producties overgelegd. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest. De beoordeling van het hoger beroep 1. In deze zaak kan - in hoofdlijnen - van de volgende feiten worden uitgegaan. a. [appellant], geboren op [geboortedatum], is vanaf 1 februari 1974 tot en met 24 juni 1978 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij Naco als resident engineer. In die functie heeft [appellant] als technisch specialist gewoond op de locatie Calabar in Nigeria en gewerkt aan de bouw van een vliegveld aldaar. Naco heeft in die periode ten behoeve van [appellant] een weduwen- en wezenverzekering afgesloten bij Ennia, de rechtsvoorganger van Aegon, verder te noemen Aegon, maar geen ouderdomspensioenverzekering. b. Terzake van de weduwen- en wezenverzekering heeft [appellant] tijdens en bij gelegenheid van de beëindiging van zijn dienstbetrekking deelnemerskaarten ontvangen van Aegon (zie deelnemerskaarten onder prod. 12 inl. dagv.). c. In de desbetreffende periode hanteerde Naco een pensioenregeling, zoals omschreven in het pensioenreglement, in werking getreden op 1 januari 1974 en gewijzigd op 1 januari 1976 (prod. 13 inl. dagv./prod. 4 cva), verder te noemen het pensioenreglement. d. Op 2 november 2006 heeft [appellant] de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Bij brief d.d. 13 april 2010 (prod. 6 inl. dagv.) heeft de advocaat van [appellant] Naco aansprakelijk gesteld voor het feit dat Naco geen ouderdomspensioenverzekering bij Aegon had afgesloten. 2. [appellant] heeft na wijziging van eis in eerste aanleg - kort gezegd - gevorderd a. primair Naco te veroordelen tot nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de pensioenverbintenis met betrekking tot de aanspraak, respectievelijk het recht van [appellant] op ouderdomspensioen conform het pensioenreglement; b. subsidiair een verklaring voor recht dat Naco aansprakelijk is voor de schade die [appellant] lijdt als gevolg van het feit dat Naco geen ouderdomspensioenverzekering ten behoeve van [appellant] heeft afgesloten, alsmede Naco te veroordelen tot schadevergoeding. 3. Bij vonnis van 30 november 2010 heeft de kantonrechter [appellant] in beide vorderingen niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze vorderingen wegens het verstrijken van de verjaringstermijn van artikel 3:307 BW (vijf jaar), respectievelijk 3:310 BW (20 jaar) waren verjaard. 4. Grief I is gericht tegen de afwijzing van de primaire vordering. Grief II is gericht tegen de afwijzing van de subsidiaire vordering en wordt door [appellant] subsidiair aangevoerd. 5. De primaire vordering die [appellant] in eerste aanleg heeft ingesteld, strekte ertoe dat Naco de aanspraak op ouderdomspensioen die [appellant] stelt te hebben opgebouwd, alsnog ten behoeve van [appellant] verzekert bij een pensioenverzekeraar conform de gestelde toezegging en het bepaalde in artikel 3, lid 3 van het pensioenreglement. In hoger beroep heeft [appellant] deze vordering gewijzigd en wel zodanig dat de vordering er thans toe strekt dat Naco zelf de pensioenuitkeringen betaalt waarop [appellant] stelt recht te hebben op grond van pensioenreglement. De pensioenverbintenis waarvan [appellant] thans in hoger beroep nakoming vordert concretiseert [appellant] immers als een verbintenis tot betaling van de periodieke uitkering van zijn ouderdomspensioen ad € 3.639,88 per jaar, subsidiair € 945,36 per jaar, welke jaarlijkse uitkering hij - met terugwerkende kracht - met ingang van 1 januari 2007 vordert (mvg punt 43 en 44). In de toelichting op grief I betoogt [appellant] dat Naco op grond van artikel 2, lid 3, sub b PSW niet verplicht was de aan hem gedane toezegging tot verzekering van ouderdomspensioen onder te brengen bij een pensioenfonds of pensioenverzekeraar en dat "Naco zelf het pensioen van [appellant] kon verzorgen" en zelf aangemerkt kan worden als pensioenuitvoerder. 6. Nu [appellant] zijn primaire vordering aldus heeft gewijzigd en zijn oorspronkelijke primaire vordering niet handhaaft, behoeft grief I geen bespreking nu [appellant] daarbij geen belang meer heeft. 7. De gewijzigde primaire vordering is niet toewijsbaar. Aan deelneming in bovengenoemde pensioenregeling van Naco ontleent de deelnemer immers geen recht op uitkering van ouderdomspensioen jegens Naco, maar jegens de verzekeraar (artikel 9 pensioenreglement), bij wie Naco de pensioenaanspraken op grond van artikel 3, lid 3 pensioenreglement moet verzekeren. Uit het pensioenreglement blijkt ook niet dat Naco zich tot uitkering van dat pensioen verplicht indien de verzekeraar niet tot uitkering overgaat. Aan de beweerdelijke pensioentoezegging op zichzelf die Naco aan [appellant] zou hebben gedaan, kan [appellant] evenmin een recht op uitkering van pensioen door Naco zelf ontlenen, omdat de gestelde toezegging niet inhield dat Naco zelf aan [appellant] een conform het pensioenreglement opgebouwd ouderdomspensioen zou betalen. De door [appellant] gestelde toezegging houdt immers in dat Naco zich verplicht heeft een (door [appellant] op te bouwen) ouderdomspensioen te verzekeren (inl. dagv. punt 3 en 8), niet dat Naco zich verplicht heeft een (door [appellant] op te bouwen) ouderdomspensioen aan [appellant] te betalen. Nu aan [appellant] op bovenstaande gronden geen vordering tot het doen van een pensioenuitkering jegens Naco toekomt, komt verjaring van die vordering op grond van artikel 3: 308 BW dan wel artikel 59 Pensioenwet niet aan de orde. 8. Met betrekking tot grief II, die gericht is tegen afwijzing van de subsidiaire vordering tot schadevergoeding, overweegt het hof als volgt. De formulering van de subsidiaire vordering heeft [appellant] in hoger beroep eveneens gewijzigd, doch het hof begrijpt dat met de subsidiaire vordering in hoger beroep in wezen niet iets anders bedoeld is dan met de vordering in eerste aanleg, te weten het vorderen van schadevergoeding bestaande uit de gemiste pensioenuitkeringen vanaf 1 januari 2007 tot en met de dag dat [appellant] overlijdt. 9. Ter toelichting op deze grief stelt [appellant] (mvg punt 18 en 19) dat hij niet eerder dan in 2006 bekend werd met de schade, toen hem bleek dat de pensioenverzekeraar Aegon niet tot uitkering van zijn ouderdomspensioen zou overgaan vanwege het feit dat Naco de aanspraken op ouderdomspensioen van [appellant] niet bleek te hebben verzekerd bij Aegon. De verjaringstermijn van 20 jaar van art. 3:310 BW was toen weliswaar verstreken, maar volgens [appellant] is het beroep van Naco op deze verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [appellant] licht dat nader toe in de memorie van grieven punt 20 tot en met 24. 10. Het hof begrijpt deze grief aldus dat Naco zich volgens [appellant] niet met succes op de 20-jarige verjaringstermijn van art. 3:310 BW kan beroepen. Deze grief is gegrond. 11. Bij de beoordeling van deze grief gaat het hof, evenals de kantonrechter, er veronderstellenderwijs van uit dat aan [appellant] een toezegging omtrent ouderdomspensioen is gedaan zoals door [appellant] is gesteld. Voorts gaat het hof ervan uit, conform het standpunt van [appellant] (mvg punt 14), dat op Naco niet de wettelijke uitvoeringsplicht van artikel 2, lid 1 PSW rustte omdat het bepaalde in artikel 2, lid 1 PSW ingevolge artikel 2, lid 3, sub b PSW niet op Naco van toepassing is nu Naco de gestelde toezegging heeft gedaan aan een werknemer die voor de onderneming buiten Nederland werkzaam zou zijn of bestemd zou zijn voor dadelijke tewerkstelling buiten Nederland en woonplaats zou hebben buiten Nederland. 12. [appellant] stelt dat hem in een uitvoerig overleg dat hij vóór datum indiensttreding (1 februari 1974) heeft gehad met de heer [...] (destijds werkzaam bij Naco in een leidinggevende administratieve functie), door Naco is toegezegd dat hij niet alleen voor een weduwen- en wezenpensioen, maar ook voor een ouderdomspensioen verzekerd zou zijn. Op grond van een dergelijke toezegging mocht [appellant] - mede gelet op het feit dat alsdan tevens het pensioenreglement van Naco van toepassing zou zijn - niet alleen verwachten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.