GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Sector civiel Zaaknummer : 200.122.855 Zaak-rolnummer Rechtbank : 370859 / HA ZA 10-2436 arrest in het incident d.d. 16 april 2013 inzake de man, wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. J.I. van Leeuwen te Wassenaar, tegen de vrouw, wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. P. Drenth te Den Haag. 1. Het geding Bij exploot van 13 februari 2013 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 november 2012 van de rechtbank te Den Haag tussen de partijen gewezen. Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft overwogen. De man heeft in het exploot van dagvaarding zijn grieven geformuleerd. Tevens heeft de man een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex artikel 351 Rv gevraagd. De vrouw heeft bij memorie van antwoord in het incident de incidentele vordering bestreden. Op basis van het procesdossier van de man, waaraan het hof heeft toegevoegd de memorie van antwoord in het incident, zal het hof arrest wijzen. 2. Beoordeling van het hoger beroep Vordering in incident 1. De man verzoekt de door de rechtbank Den Haag bij vonnis van 14 november 2012 verleende uitvoerbaarverklaring bij voorraad, gedurende de loop van de procedure in hoger beroep te schorsen. 2. Ter onderbouwing van zijn vordering wordt door de man onder meer aangevoerd: • executie van dit vonnis zou een onmiddellijke noodtoestand doen ontstaan aan de zijde van de man; • het vonnis van de rechtbank is ten dele gebaseerd op onjuiste aannames en foutieve berekeningen; • correctie van die fouten zou financiering van het uitkoopbedrag voor de man mogelijk maken; • het huis is de enige woonmogelijkheid voor de man, de zoon en binnenkort de dochter; • het huis vormt het pensioen van de man; • verkoop van de woning betekent een noodsituatie voor de zoon; • door de uitvoerbaarheid bij voorraad te prolongeren wordt een situatie gecreëerd die onomkeerbaar is. Verweer op de incidentele vordering 3. Door de vrouw is verweer gevoerd tegen de incidentele vordering van de man. Door de vrouw is onder meer aangevoerd: • de vrouw is in beginsel bevoegd om het vonnis te executeren; • in vaste rechtspraak is bepaald dat de rechter de tenuitvoerlegging van een vonnis op de voet van artikel 351 Rv slechts kan schorsen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om in afwachting van het hoger beroep tot ten uitvoerlegging over te gaan, dan wel misbruik van de bevoegdheid tot executie maakt; • het vonnis berust niet op een juridische of feitelijke misslag; • ten aanzien van de geldelijke vorderingen over en weer blijkt evenmin dat evident sprake is van een juridische of feitelijke misslag; • er hebben zich na 14 november 2012 geen nieuwe feiten voorgedaan noch zijn er nieuwe feiten aan het licht gekomen. Het hof 4. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.