GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.137.506/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/450107/KG ZA 13-1012 Arrest d.d. 18 maart 2014 inzake 1 [kind 1], als minderjarige wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders [de vader] en [de moeder], mede optredende namens hun andere kinderen 2. [kind 2], 3. [kind 3], 4. [kind 4], 5. [kind 5], wonende te [woonplaats], appellanten, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] (in mannelijk enkelvoud); de ouders worden ook wel aangeduid als “de ouders” of ieder afzonderlijk “de vader” en “de moeder”, terwijl de kinderen ieder afzonderlijk met hun voornaam worden aangeduid, advocaat: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld te Haarlem, tegen 1DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), gevestigd te Den Haag, 2. HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS, gevestigd te Rijswijk ZH, geïntimeerden, hierna te noemen: de Staat respectievelijk het COA, advocaat: mr. E.E. van der Kamp te Den Haag. Het geding Bij spoedappeldagvaarding (met producties) van 15 november 2013 is [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 23 oktober 2013 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage in kort geding tussen partijen heeft gewezen. [appellanten] heeft zes grieven tegen het vonnis geformuleerd. De Staat en het COA hebben deze grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Op 27 januari 2014 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [appellanten] door zijn advocaat voornoemd, alsmede door diens kantoorgenoot mr. W.G. Fischer, en de Staat en het COA door hun advocaat voornoemd. De advocaten hebben hierbij gebruik gemaakt van pleitnotities. Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Hierna heeft op donderdag 13 februari 2014 een descente, met aansluitend een comparitie van partijen, plaatsgevonden. Ook hiervan is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. De zaak is aangehouden voor beraad, waarna [appellanten] arrest heeft gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de voorzieningenrechter onder 1.1. tot en met 1.9. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende. 1.1. [de ouders] zijn met hun drie oudste kinderen medio 2006 Nederland binnengekomen. De twee jongste kinderen zijn in Europa geboren. [kind 1] is geboren op 2 januari 2010. [kind 1] is meervoudig gehandicapt en is aangewezen op specifieke hulpmiddelen voor haar geestelijke ontwikkeling en voor de dagelijkse gang van zaken. 1.2. De in 2006 respectievelijk 2008 door de ouders in Nederland ingediende asielverzoeken zijn onherroepelijk afgewezen, hetgeen tot gevolg had dat [appellanten] niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat op hem de rechtsplicht rustte om Nederland te verlaten (artikelen 61 en 62 Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000). Ook de op 26 maart 2013 ingediende aanvragen van de ouders en de kinderen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van de Overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen zijn afgewezen. [appellanten] heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 1 oktober 2013 de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verboden om tot uitzetting van [appellanten] over te gaan tot vier weken nadat op hun bezwaarschrift is beslist. Als gevolg van deze uitspraak is de vertrekplicht van [appellanten] tijdelijk opgeschort. [appellanten] had destijds (en ook nog ten tijde van het vonnis in eerste aanleg) dan ook rechtmatig verblijf in Nederland op de voet van artikel 8, aanhef en onder h, Vw 2000. Noch de wet COA noch een ander wettelijk voorschrift kent aan vreemdelingen die uitsluitend rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, een aanspraak op voorzieningen, verstrekkingen en/of uitkeringen toe. 1.3. [appellanten] verblijft sinds juli 2011 in de “Gezinslocatie” te [woonplaats] (hierna: de Gezinslocatie). Gezinslocaties zijn door de Staat in het leven geroepen naar aanleiding van een arrest van dit hof van 11 januari 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BO9924; het hiertegen ingestelde cassatieberoep werd verworpen bij het hieronder nog te bespreken arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328) ten behoeve van de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers met minderjarige kinderen, onder wie tevens begrepen moeten worden asielzoekers met minderjarige kinderen die slechts rechtmatig verblijf hebbende hangende een verblijfsrechtelijke procedure die geen recht op opvang geeft. Hierbij is gekozen voor een sobere en op terugkeer gerichte vorm van voorzieningen. De gezinslocaties vallen onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Het feitelijke beheer en de verstrekking van voorzieningen liggen echter in handen van het COA. 1.4. Het gezin [appellanten] heeft op dit moment de beschikking over een woonruimte op de eerste etage van één van de gebouwen op de locatie, bestaande onder meer uit één driepersoonskamer en drie tweepersoonskamers. Hangende de procedure in eerste aanleg is aan hen een vervangende woonruimte op de begane grond van een ander gebouw op de locatie aangeboden, bestaande onder meer uit twee vierpersoonskamers op de begane grond. De bij één van die kamers behorende badkamer is vergroot ten behoeve van [kind 1]. 1.5. Op 10 februari 2014 – dus hangende de onderhavige appelprocedure, vlak voor de descente van 13 februari 2014 – heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan [appellanten] ambtshalve met ingang van 25 januari 2014 een verblijfsvergunning regulier verleend op grond van individuele omstandigheden. De verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 3.51, eerste lid, onder k, Vw 2000, onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden en heeft een geldigheidsduur van vijf jaar. 2. [appellanten] vordert een veroordeling van de Staat en het COA om het appartement waarin het gezin woonachtig is, aan te (doen) passen, dan wel om het gezin te voorzien van een ander appartement in de Gezinslocatie, zodanig dat [kind 1] gecompenseerd wordt voor haar beperkingen, waarbij het erom gaat de verblijven (inclusief toilet en badkamer) volledig rolstoeltoegankelijk te maken. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. 3. Met grief 1 betoogt [appellanten] dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de Staat en/of het COA [kind 1] op grond van internationale verdragsnormen moet compenseren voor de handicaps die zij heeft. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de nieuwe, aangepaste woonruimte (zie hierboven r.o. 1.5.) voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Volgens [appellanten] voldoet ook die aangeboden vervangende woonruimte niet, omdat niet alle drempels zijn weggehaald, [kind 1] nog steeds onvoldoende ruimte heeft voor gebruik van haar hulpmiddelen (o.a. de aangepaste stoel), zij niet beschikt over een eigen slaapkamer en dus geen rustige plek heeft om te slapen, te spelen en te oefenen, en de badkamer te klein is voor gebruik van de (voor het wassen van [kind 1] benodigde) douchestretcher. Bovendien hebben de overige gezinsleden onvoldoende privacy, nu zij met zeven personen twee kamers moeten delen, aldus [appellanten] Met grief 3 klaagt [appellanten] dat de bewijslast ten onrechte bij hem is gelegd en dat zijn bewijsaanbod ten onrechte is genegeerd. Grief 4 houdt in dat eerst nadat een kort geding was aangespannen, aanpassingen zijn doorgevoerd en dat de voorzieningenrechter dan ook ten onrechte heeft verondersteld dat de Staat ook bij toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van de woonruimte van [kind 1] zal bezien of er aanspraak op voorzieningen of anderszins aanleiding tot handelen bestaat. Grief 5 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het COA niet kan worden aangesproken op gebreken in de voorzieningen en daarbij behorende faciliteiten. Met grief 6 ten slotte komt [appellanten] op tegen de in eerste aanleg ten laste van hem uitgesproken proceskostenveroordeling. 4. Voorop staat dat uit het hierboven reeds aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 21 september 2011 volgt dat op de Staat de rechtsplicht rust om, waar valt te voorzien dat uitgeprocedeerde asielzoekers die niet voldoen aan hun plicht om Nederland te verlaten niet de middelen (zullen) hebben om voor de bij hen verblijvende minderjarige kinderen te zorgen, voor die kinderen in adequate opvang en verzorging te voorzien, waarbij hun recht op familie- en gezinsleven met hun ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.