GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 105.000.599/02 Rolnummer rechtbank : 2000/574 Arrest d.d. 21 januari 2014 inzake GEBR. [N] YERSEKE B.V., gevestigd te Yerseke, appellante, hierna te noemen: [N] , advocaat: mr. J.P. Heering te Den Haag, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische Zaken), zetelende te ’s-Gravenhage, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag. Het geding Bij exploot van 10 april 2002 is [N] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 16 januari 2002 dat de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel, tussen partijen heeft gewezen. Nadat de zaak meermalen is aangehouden voor het nemen van de memorie van grieven is de zaak op 28 juli 2009 ambtshalve geroyeerd. Op 28 augustus 2012 heeft [N] de zaak opnieuw aangebracht. Op die datum heeft zij vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en haar eis gewijzigd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Op 11 november 2013 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [N] door haar advocaat mr. W.H. Lindhout te Bergen op Zoom en de Staat door haar advocaat voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. Arrest is bepaald op heden. Beoordeling van het hoger beroep 1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank onder 1. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. 1.1. [N] exploiteert een mosselkweekbedrijf. 1.2. Mevrouw [betrokkene] heeft in de jaren ’60, na het overlijden van haar echtgenoot de heer [echtgenoot] , diens mosselbedrijf voortgezet, opdat haar zoon (destijds nog minderjarig) het bedrijf uiteindelijk zou kunnen voortzetten. Met het oog hierop heeft zij ook de huur van zes mosselpercelen in de Waddenzee voortgezet. Aanvankelijk liet zij de percelen bewerken met een eigen vaartuig en door haar in dienst genomen personeel. Met ingang van 1970 liet zij die percelen bewerken door de firma [naam] en per 1 januari 1973 door het bedrijf Gebr. [N] , de rechtsvoorgangster van [N] . 1.3. In de eerste helft van de jaren ’70 kwam het vaak voor dat diegenen die mosselpercelen van de Staat huurden, de feitelijke bewerking daarvan overlieten aan derden. Dit was in strijd met de huurvoorwaarden, op grond waarvan de huurder gehouden was het gehuurde zelf te gebruiken. De Staat wenste de gegroeide praktijk van feitelijke uitbesteding terug te draaien door de betrokken huurovereenkomsten niet te verlengen. Begin 1972 werden de huurders en de feitelijke bewerkers van de mosselpercelen hiervan op de hoogte gebracht. Teneinde de beëindiging van de huurder/bewerker-relaties ook voor de bewerkers op aanvaardbare wijze te laten verlopen is de zogenaamde 70/30-regeling in het leven geroepen. Op grond van deze regeling konden de feitelijke bewerkers zelf een huurovereenkomst aangaan met de Staat voor een aantal percelen dat circa 70% van de productiewaarde van alle door hen bewerkte maar niet door hen gehuurde percelen vertegenwoordigde. De resterende 30% heeft de Staat gebruikt om diegenen te compenseren die schade (in de vorm van productiedaling) hadden geleden ten gevolge van de Deltawerken of schade door natuurlijke oorzaken. Dit geschiedde door middel van het in huur uitgeven van vervangende percelen, waartoe, in afwachting van de zogeheten finale ronde, periodieke doorlichtingsronden plaatsvonden in 1979, 1982 en 1985. 1.4. Bij brief van 22 november 1972 heeft de Inspecteur der Visserijen aan de Inspecteur der Domeinen geschreven dat hij nog niet erin is geslaagd meer zekerheid te krijgen over de toekomstplannen van de zoon van mevrouw [betrokkene] , dat hij de Inspecteur der Domeinen in overweging geeft de beslissing over het al dan niet opnieuw verhuren van de percelen aan mevrouw [betrokkene] uit te stellen tot het voorjaar van 1973 en dat het misschien nuttig is om haar binnenkort te berichten dat zij binnen vier maanden definitief moet beslissen of het mosselbedrijf door haar zoon wordt voortgezet. 1.5. Bij brief van 12 december 1972 heeft de Inspecteur der Domeinen in reactie op een brief van mevrouw [betrokkene] van 6 december 1972 aan haar meegedeeld dat hij niet akkoord ging met de inbreng van de door haar gehuurde mosselpercelen in een tezamen met de rechtsvoorgangster van [N] op te richten firma. Bij dezelfde brief is mevrouw [betrokkene] bericht dat zij vóór 15 maart 1973 moest beslissen of het mosselbedrijf door haar zoon zou worden voortgezet. Als dat niet het geval zou zijn, zouden de percelen niet opnieuw aan haar worden verhuurd. 1.6. Bij brief van 12 maart 1973 heeft mevrouw [betrokkene] teruggeschreven dat haar zoon het bedrijf zou voortzetten maar dat hij eerst zijn studie zal afmaken, hetgeen nog twee jaar zal duren. Naar aanleiding van deze brief heeft de Inspecteur der Visserijen ingestemd met verlenging van de huurovereenkomst. Ook hierna is de huurovereenkomst nog verlengd, in afwachting van de afronding van de studie door de zoon van mevrouw Van Hurck en diens beslissing om het bedrijf wel of niet voort te zetten. 1.7. In december 1974 is de vennootschap onder firma (vof) [N] -Van Hurck opgericht met ingang van 1 januari 1975. In maart 1976 heeft de Staat het verzoek om de aan mevrouw [betrokkene] verhuurde percelen in te brengen in deze vof, afgewezen. Deze afwijzing hield verband met, zo blijkt uit een te dier zake door de Inspecteur der Domeinen aan de Directeur der Visserijen verstuurde brief, het feit dat de zoon van mevrouw [betrokkene] “nog steeds niet heeft besloten om het vak van mosselkweker daadwerkelijk uit te oefenen”. 1.8. In maart 1977 expireerde de huurovereenkomst tussen mevrouw [betrokkene] en de Staat. De huurovereenkomst is niet verlengd omdat niet was gebleken dat de zoon van mevrouw [betrokkene] het bedrijf zou voortzetten. 1.9. Eind 1977 hebben de Staat en [N] overeenstemming bereikt over de verhuur door [N] van het grootste deel van de voorheen aan mevrouw [betrokkene] verhuurde en door [N] bewerkte percelen, dit met toepassing van voormelde 70/30-regeling. 1.10. Bij brief van 10 januari 1995 heeft de Staat aan [N] bericht op welk bedrag de schade in het kader van de finale doorlichting voor haar is vastgesteld. Daarbij heeft geen correctie plaatsgevonden voor de mosselpercelen die in 1977 waren ingegeven om te voldoen aan de 70/30-regeling. 2. [N] vordert in dit geding (na wijziging van eis) (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.