GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.112.928/01 Rolnummer rechtbank : 356400 / HA ZA 10-83 arrest van 29 april 2014 inzake Abvakabo FNV, gevestigd te Zoetermeer, appellante, hierna te noemen: AKF, advocaat: mr. D.C. Coppens te Amsterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te Gouda, geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. F.O. Ligeon-Merton te Capelle aan den IJssel. Het geding Voor het eerste deel van het geding verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 11 december 2012. Voorafgaande aan dit tussenarrest, op de rolzitting van 23 oktober 2012, heeft AKF een memorie van grieven genomen, waarin zij zeven grieven tegen het bestreden vonnis van de rechtbank heeft aangevoerd. De in het tussenarrest gelaste comparitie na aanbrengen heeft plaatsgevonden op 15 maart 2013, en is voortgezet op 10 april 2013. Van deze zittingen zijn processen-verbaal opgemaakt. Ter gelegenheid van de zitting op 15 maart 2013 heeft [geïntimeerde] een memorie van antwoord genomen, waarin zij de grieven heeft bestreden. Middels een H16-formulier van 8 april 2013 heeft mr. Ligeon verzocht om aanvulling van het proces-verbaal van de comparitie van 15 maart 2013. De raadsheer-commissaris heeft dit stuk aan het proces-verbaal van de zitting van 10 april 2013 gehecht. Tevens heeft mr. Ligeon ter zitting van 10 april 2013 verzocht aantekeningen te mogen overleggen, welke productie (na bezwaar van mr. Coppens) blijkens het proces-verbaal van de zitting door de raadsheer-commissaris is geweigerd. Na sluiting van de comparitie van partijen heeft de raadsheer-commissaris bepaald dat arrest zal worden gewezen.Bij fax van 16 april 2013 heeft mr. Ligeon namens [geïntimeerde] een verzoek tot wraking gedaan van de raadsheer-commissaris voor wie de comparitie na aanbrengen had plaatsgevonden. De wrakingskamer van het hof heeft [geïntimeerde] bij beslissing van 14 juni 2013 niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek.Middels een H16-formulier van 28 mei 2013 heeft mr. Ligeon verzocht om aanvulling van het proces-verbaal van de comparitie van 10 april 2013. Bij brief van 31 mei 2013 heeft mr. Coppens zich daartegen verzet, en subsidiair verzocht om zich alsnog over deze aanvulling te mogen uitlaten. Bij fax van 3 juni 2013 heeft mr. Ligeon bezwaar gemaakt tegen dit laatste verzoek. Beoordeling van het hoger beroep 1. Het hof merkt op dat de raadsheer-commissaris voor wie de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden thans werkzaam is in een andere afdeling van dit hof, en om die reden niet aan dit arrest heeft meegewerkt. 2. Met betrekking tot het verzoek van mr. Ligeon van 28 mei 2013 om aanvulling van het proces-verbaal van de comparitie van 10 april 2013, stelt het hof voorop dat het proces-verbaal van de comparitie naar zijn aard slechts een beknopte weergave vormt van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, voor zover dit naar het oordeel van de raadsheer-commissaris relevant is geacht voor de beoordeling van het geschil. Het hof acht geen gronden aanwezig voor een aanvulling. Hetgeen mr. Ligeon aanvoert in haar verzoek van 28 mei 2013 is naar het oordeel van het hof niet van doorslaggevende betekenis voor de onderhavige beslissing. Het verzoek van mr. Coppens om zich nog te mogen uitlaten wordt derhalve bij gebrek aan belang gepasseerd. 3. Het hof gaat uit van de door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.4 van haar vonnis van 9 mei 2012 vastgestelde feiten, nu hiertegen in hoger beroep geen grief is gericht. 4. Het gaat in deze zaak – kort weergegeven, en voor zover in dit hoger beroep nog van belang – om het volgende. [geïntimeerde] heeft in 2005 een arbeidsgeschil gekregen met haar toenmalige werkgever, de Nederlandse Antillen en/of een daaraan gelieerde organisatie, in het kader waarvan verschillende procedures zijn gevoerd. [geïntimeerde] was en is lid van AKF, en heeft krachtens de Algemene voorwaarden individuele belangenbehartiging ABVAKABO FNV (hierna: de Algemene Voorwaarden) in beginsel recht op juridische bijstand ter zake van dit arbeidsgeschil. In eerste instantie werd [geïntimeerde] bijgestaan door juristen van AKF. Begin 2006 is de rechtsbijstand aan [geïntimeerde], met instemming en voor rekening van AKF, overgenomen door een extern advocaat. Tussen [geïntimeerde] en AKF is een geschil ontstaan over de financiering van de rechtsbijstand van [geïntimeerde]. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen bij de rechtbank hebben zij een vaststellingsovereenkomst gesloten over de kosten van rechtsbijstand in het arbeidsgeschil tot en met 24 september 2010 (zijnde de datum van de comparitie). Aan de orde is thans nog het geschil over de kosten voor rechtsbijstand die [geïntimeerde] na die datum heeft gemaakt en in de toekomst nog zal maken. De rechtbank heeft – kort gezegd – geoordeeld dat AKF gehouden is tot vergoeding van deze kosten aan [geïntimeerde], onder een aantal door de rechtbank in haar vonnis geformuleerde voorwaarden en bepalingen, en heeft de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] gedeeltelijk toegewezen met compensatie van de proceskosten. AKF is hiervan in hoger beroep gekomen. 5. Grief 1 klaagt er over dat de rechtbank ten onrechte voor recht heeft verklaard dat AKF jegens [geïntimeerde] gehouden is tot vergoeding van alle kosten voor rechtsbijstand die zij vanaf 24 september 2010 heeft gemaakt en in de toekomst nog zal dienen te maken in haar geschil met de Nederlandse Antillen c.q. diens rechtsopvolger en/of gelieerde organisaties. Tevens klaagt de grief er over dat de rechtbank AKF ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van die kosten. Het hof verwerpt de grief. Voor zover AKF aanvoert dat zij is veroordeeld tot betaling van alle kosten vanaf 24 september 2010 mist de grief feitelijke grondslag, nu de rechtbank de primaire vordering van [geïntimeerde] heeft afgewezen en aan de toewijzing van de subsidiaire vordering een aantal voorwaarden en beperkingen heeft verbonden als vermeld in het dictum. Voor het overige is de grief, die beoogt het geschil in volle omvang voor te leggen, te vaag en onbepaald. 6. Grief 2 klaagt er over dat de rechtbank in rov. 4.3 van haar vonnis ten onrechte heeft overwogen dat voor de beoordeling van het resterende geschil de in rov. 2.2 van het vonnis weergegeven afspraak tussen [geïntimeerde] en AKF van begin 2006, aangevuld met de in rov. 2.4 van het vonnis weergegeven relevante bepalingen uit de Algemene Voorwaarden, als uitgangspunt dient te worden genomen. AKF voert in de toelichting op de grief aan dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat de afspraak tussen [geïntimeerde] en AKF van begin 2006 niet alleen inhield dat [geïntimeerde] zich mocht laten bijstaan door een extern advocaat tegen een tarief van € 200,- per uur, maar dat onder andere ook is afgesproken dat de gemaakte kosten redelijk dienden te zijn, dat ten aanzien van de te voeren (nieuwe) procedures overleg zou plaatsvinden en dat [geïntimeerde] voor het procuraat gebruik zou maken van de diensten van Advocatenkantoor Boerhaavelaan. AKF stelt dat [geïntimeerde] zich niet aan deze afspraken heeft gehouden. 7. Het hof verwerpt de grief, en verenigt zich met het uitgangspunt van de rechtbank dat voor de beoordeling van het resterende geschil de afspraak tussen [geïntimeerde] en AKF van begin 2006, aangevuld met de relevante bepalingen uit de Algemene Voorwaarden, als uitgangspunt dient te worden genomen. De klacht dat de rechtbank daarbij zou hebben miskend dat in 2006 ook is afgesproken dat de gemaakte kosten redelijk dienden te zijn en dat ten aanzien van de te voeren (nieuwe) procedures overleg zou plaatsvinden, gaat niet op nu de rechtbank (zie onder meer rov. 4.5 en rov. 4.8 van het vonnis) de redelijkheid van de gemaakte/te maken kosten en het voeren van overleg/verstrekken van informatie over de te voeren (nieuwe) procedures wel degelijk in haar oordeel heeft betrokken. Ten aanzien van de afspraak dat [geïntimeerde] voor het procuraat gebruik zou maken van de diensten van Advocatenkantoor Boerhaavelaan overweegt het hof als volgt. Het verweer van [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord dat een dergelijke afspraak niet is gemaakt, wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Het hof verwijst naar de e-mail van mr. A. Klaassen (toenmalig advocaat van [geïntimeerde]) aan [betrokkene] (AKF) van 5 juli 2006 (productie 9, overgelegd door mr. Klaassen voorafgaande aan de zitting bij de rechtbank op 24 september 2010), en de e-mail van Marike Smilde aan mr. Klaassen van 5 september 2006 (productie 8 bij conclusie van antwoord) waaruit (onder meer) een dergelijke afspraak blijkt. Het hof is, gelet op deze afspraak, van oordeel dat de veroordeling van de rechtbank tot betaling door AKF van de door [geïntimeerde] “in redelijkheid gemaakte en nog te maken kosten van rechtsbijstand” aldus moet worden begrepen dat daaronder niet kunnen worden begrepen eventuele in strijd met bedoelde afspraak (en derhalve onnodig) gemaakte procuraatkosten. Dit laat de juistheid van het bestreden oordeel onverlet. 8. Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.8 van haar vonnis, inhoudende – kort en zakelijk weergegeven – dat [geïntimeerde] gehouden is om AKF voldoende te informeren, maar dat deze informatieplicht niet zo ver gaat dat zij tevoren toestemming dient te vragen of te nemen stappen tevoren moet afstemmen. AKF betoogt in de toelichting op de grief dat AKF de informatie van [geïntimeerde] ook nodig heeft om te kunnen beoordelen of de door [geïntimeerde] aanhangig gemaakte procedures – los van de slagingskans – noodzakelijk of redelijk zijn, en dat het [geïntimeerde] niet vrijstaat om zonder enig overleg nieuwe procedures aanhangig te maken. Het hof overweegt hierover het volgende. 9. [geïntimeerde] betoogt in haar memorie van antwoord dat zij met AKF heeft afgesproken dat zij een externe advocaat in de arm mag nemen waarbij het uurtarief niet meer dan € 1.000,- mag bedragen, waaruit zij afleidt dat alle uurtarieven onder € 1.000,- redelijk zijn. Dit standpunt wordt verworpen. Een dergelijke vergaande afspraak is niet alleen onaannemelijk maar kan naar het oordeel van het hof ook niet uit de stukken worden afgeleid. De brief van [geïntimeerde] van 20 februari 2006 (productie 4 bij dagvaarding) vermeldt daarover: “Op mij vraag wat ik moet verstaan onder in beginsel, gaf u – in het kort – aan dat het uurtarief van de advocaat niet onredelijk moet zijn, zoals b.v. 1000, Euro.” Hieruit kan naar het oordeel van het hof slechts worden afgeleid dat een uurtarief van € 1.000,- onredelijk is, maar niet – zoals [geïntimeerde] lijkt te doen – dat een uurtarief van € 995,- wel redelijk zou zijn. Wat in een concrete zaak een redelijk uurtarief is hangt af van alle omstandigheden, waaronder de aard en de complexiteit van de zaak, de noodzaak van specialistische kennis en het gebruikelijke marktarief voor soortgelijke werkzaamheden. 10. Voorts betoogt [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord, naar het hof begrijpt, dat op haar weliswaar wel een informatieplicht rust jegens AKF, maar dat die niet zo ver gaat dat zij gehouden is AKF inhoudelijk over de gerechtelijke procedures te informeren. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zij niet met AKF is overeengekomen dat AKF dient te kunnen beoordelen of de aanhangig gemaakte procedures noodzakelijk en redelijk zijn. Zij heeft slechts de verplichting om AKF op de hoogte te stellen van de procedure en van het verloop ervan. Het hof wijst er op dat dit standpunt van [geïntimeerde] niet in overeenstemming is met hetgeen is overwogen en beslist door de rechtbank in rov. 4.8 van haar vonnis. Daarin is immers vermeld dat [geïntimeerde] aan AKF informatie dient te verstrekken die AKF in staat stelt om te beoordelen of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.