GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.125.750/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 74998 / HA ZA 08-2238 Arrest van 24 juni 2014 inzake 1. BALLAST NEDAM ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd te Nieuwegein, gedaagde in eerste aanleg,2. AMSTELLAND VASTGOED B.V.,gevestigd te Nieuwegein,3. BALLAST NEDAM SIGMA B.V., gevestigd te Nieuwegein, interveniënten in eerste aanleg, hierna te zamen te noemen: Ballast Nedam, advocaat: mr. J.F. de Groot te Amsterdam, tegen PROVINCIE ZUID-HOLLAND, zetelend te Den Haag, eiseres in eerste aanleg, hierna te noemen: de Provincie, advocaat: mr. G.J.M. de Jager te Rotterdam. Het geding Bij exploot van 12 april 2013 heeft Ballast Nedam de Provincie opgeroepen voor het hof om voort te procederen in de zaak, waarin de Hoge Raad op 28 september 2012 tussen partijen arrest heeft gewezen. In dit arrest is de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het hof verwezen. Ballast Nedam heeft een memorie na verwijzing (met producties) genomen, waarop de Provincie bij memorie van antwoord na verwijzing (met producties) heeft gereageerd. Vervolgens is de zaak namens partijen bepleit, en wel door mr. De Groot voornoemd en mr. A. de Snoo, advocaat te Amsterdam, voor Ballast Nedam en door mr. De Jager voornoemd voor de Provincie, aan de hand van pleitnota's die aan het hof zijn overgelegd. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. Door Ballast Nedam is een procesdossier overgelegd. Tot slot hebben partijen arrest gevraagd. Overeenkomstig een tijdens de pleidooien gemaakte afspraak hebben partijen bij brieven van 3 april 2014 nog enige informatie nagezonden. Beoordeling na verwijzing 1 Het gaat in dit geding in hoofdzaak om het volgende. 1.1 Voor het verloop van het geding tot het arrest van de Hoge Raad wordt verwezen naar dat arrest (ECLI:NL:HR:2012:BW5613). 1.2 Thans is nog aan de orde de bepaling van de schadeloosstelling ter zake van de onteigening van een perceelsgedeelte, die is uitgesproken door de rechtbank te Dordrecht bij vonnis van 2 juli 2008. Ballast Nedam Ontwikkelingsmaat-schappij B.V. was als eigenaar van dit perceelsgedeelte aangewezen. Het hof ontleent aan na te noemen eindvonnis dat deze vennootschap het desbetreffende perceel in eigendom heeft overgedragen aan Ballast Nedam Sigma B.V., die het op haar beurt in eigendom heeft overgedragen aan Amstelland Vastgoed B.V. (hierna: Amstelland). Amstelland is door de rechtbank beschouwd als de rechtspersoon aan wie de schadeloosstelling toekomt.Het onteigeningsvonnis is blijkens het eindvonnis van 2 maart 2011 (hierna: het eindvonnis, ECLI:NL:RBDOR:2011:BP7353) in de openbare registers ingeschreven op 2 juni 2009. Deze datum geldt dan ook als peildatum. Bij eindvonnis heeft de rechtbank de schadeloosstelling vastgesteld, die naar haar oordeel aan Amstelland toekomt. 1.3 De onteigening is uitgesproken ten behoeve van een door de Provincie inmiddels uitgevoerd werk, dat kort gezegd kan worden aangeduid als de aanleg van een omleiding van de provinciale weg N217, ter hoogte van de Stougjesdijk in de gemeente Oud-Beijerland. Het door de raad van deze gemeente op 26 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan 'Omleiding N217/Stougjesdijk' bevat, te zamen met een door de raad van de gemeente Binnenmaas onder dezelfde naam op 1 maart 2007 vastgesteld bestemmingsplan (hierna te zamen: het bestemmingsplan N217), de juridisch-planologische onderbouwing en regeling om het beoogde werk mogelijk te maken. Het plan is 20 september/19 juni 2007 door Gedeputeerde Staten van de Provincie goedgekeurd. 1.4 Bij de vaststelling van de schadeloosstelling heeft de rechtbank, in navolging van het primaire standpunt van de door haar benoemde deskundigen, als uitgangspunt genomen (onder meer) dat de bestemming 'verkeersdoeleinden' die aan het onteigende is gegeven in het bestemmingsplan N217, niet op de voet van artikel 40c Ow moet worden geëlimineerd. Het waardedrukkende effect van die onrendabele bestemming is dan ook bij de bepaling van de werkelijke waarde verdisconteerd. De schadeloosstelling is bepaald op basis van het gebruik van het onteigende als landbouwgrond. Het betoog dat de grond een zekere verwachtingswaarde heeft, is door de rechtbank verworpen. 1.5 Hiertegen is in cassatie opgekomen. Het hierop betrekking hebbende onderdeel 1 van het cassatiemiddel is naar het oordeel van de Hoge Raad terecht voorgesteld, in verband waarmee het volgende is overwogen:3.3 Het middel betoogt onder 1, onder meer, dat het oordeel van de rechtbank dat het niet is toegestaan om de huidige verkeersbestemming weg te denken, onjuist is, en verwijst in dat kader naar het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2010, LJN BL1634, NJ 2010/631. De klacht is gegrond. Indien de in een bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat plan al bestaand (concreet) plan voor de aanleg van een mede op het onteigende aan te leggen werk teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van dat werk mogelijk zal maken, moet dat bestemmingsplan in zoverre worden aangemerkt als behorende tot de in art. 40c, aanhef en onder 3º Ow, bedoelde plannen zodat de invloed daarvan buiten beschouwing zal moeten blijven bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende. De rechtbank had derhalve behoren te onderzoeken of het in 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Omleiding N217 Stougjesdijk" valt aan te merken als behorende tot de plannen (als in art. 40c, aanhef en onder 3º, Ow bedoeld) voor de aanleg van de, mede op de onteigende gronden geprojecteerde, provinciale weg N217 en had daarvan behoren te laten afhangen of bij de waardering van onteigende gronden de invloed van de bestemming "verkeersdoeleinden" al of niet behoort te worden geëlimineerd. 1.6 Vervolgens heeft de Hoge Raad nog overwogen:3.4 In het verlengde van het voorgaande slagen ook de op onderdeel 1 voortbouwende klachten van de onderdelen 2a, 2b en 2d, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat aan het onteigende geen verwachtingswaarde toekomt omdat (rov. 2.9) het onteigende al een bestemming "verkeersdoeleinden" had en na de onteigening ook blijft houden en omdat (rov. 2.11) het niet is toegestaan om die verkeersbestemming weg te denken. Immers aan dat oordeel ontvalt de grondslag indien het hiervoor in 3.3 bedoelde onderzoek tot de conclusie leidt dat bij de waardebepaling van het onteigende de invloed van de bestemming "verkeersdoeleinden" behoort te worden geëlimineerd. 2 Het hof zal daarom nu in de eerste plaats moeten onderzoeken of ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan N217 al een (concreet) plan bestond voor het werk waarvoor onteigend is ter plaatse van onder meer het onteigende. 2.1 De door de Hoge Raad in de geciteerde rechtsoverweging 3.3 geformuleerde maatstaf is in lijn met zijn onteigeningsarresten van 9 juli 2010, waarvan er één wordt genoemd in die rechtsoverweging. Het vervolg op dit arrest is geweest het arrest van het hof van 31 januari 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1944), waarin het hof na ampel onderzoek tot de conclusie is gekomen dat het door de desbetreffende gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan het sluitstuk is geweest van een jaren durend proces van besluitvorming van alle betrokken overheden waarin de aanleg van het bewuste werk centraal heeft gestaan. Dit verschijnsel heeft zich ook voorgedaan in onteigeningsjurisprudentie betreffende andere werken (vergelijk onder meer 's hofs arrest van 31 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1909). Aan een en ander valt de conclusie te verbinden dat bij de aanleg van een infrastructureel werk eerst de vaststelling van het tracé pleegt plaats te vinden alsook de wijze waarop het beoogde werk binnen de uit andere regelgeving voortvloeiende grenzen het beste vormgegeven en uitgevoerd kan worden, en dat tot slot pas de planologische inpassing wordt gerealiseerd. In de regel zal dus het bestemmingsplan behoren tot de plannen die bij de bepaling van de schadeloosstelling op grond van artikel 40c Ow behoren te worden weggedacht. 2.2 In het onderhavige geval is de gang van zaken niet anders geweest. Uit de stukken die de Provincie na de pleidooien aan het hof heeft gezonden, valt af te leiden dat aan de vaststelling van het bestemmingsplan onder meer het volgende is voorafgegaan:- een fase van verkenningen waarin is onderzocht wat mogelijke oplossingen zijn voor de verkeersintensiteitsproblemen op de Stougjesdijk, uitmondend in de 'Informatienota Stougjesdijk (Oud-Beijerland), resultaat van de verkenning',- een door de zes gemeenten in de Hoeksche Waard, het Waterschap De Groote Waard, Rijkswaterstaat directie Zuid-Holland en de Provincie gezamenlijk verrichte verkeersstudie ('Verkeersstudie provinciale weg N217'),- gemeentelijke nota's zoals het 'Ambitiedocument stadse allures en dorpse charmes',- besluitvorming op provinciaal niveau, - de Startnotitie voor de tracénota / milieueffectrapportage van februari 2004,- de Tracénota/MER N217 Omleiding Stougjesdijk van maart 2005, waarin twee als realistisch aangemerkte tracéalternatieven zijn onderzocht en die, zo begrijpt het hof, hebben geleid tot een keuze voor het alternatief, aangeduid als alternatief 3, dat ten slotte vertaald is in het bestemmingsplan. 2.3 In het processuele debat dat gevolgd is op het verwijzingsarrest is de vraag of het bestemmingsplan N217 geëlimineerd moet worden, voor partijen geen punt van betekenis meer geweest. Namens de Provincie is bij pleidooi bevestigd dat niet langer betwist wordt dat dat plan moet worden geëlimineerd. 2.4 Deze overwegingen voeren het hof tot de conclusie dat bij de bepaling van de schadeloosstelling ten behoeve van Amstelland geen rekening behoort te worden gehouden met het nadeel, teweeggebracht door de waardedrukkende bestemming die in het bestemmingsplan N217 aan het onteigende is gegeven. 3 Het hof zal zich dan ook vervolgens zetten aan de bepaling van de werkelijke waarde. Het hof is van oordeel dat de gedingstukken, waaronder het door de rechtbank-deskundigen (hierna: de deskundigen) in eerste aanleg opgemaakte advies, daarvoor voldoende aanknopingspunten bieden en dat, mede in het licht van het debat van partijen na de verwijzing, een nader onderzoek van (nieuwe) deskundigen achterwege kan blijven. 3.1 In feite gaat het namelijk in hoofdzaak nog om de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende naar de prijs per m2 als bedoeld in artikel 40b, tweede lid, Ow. Wanneer deze wordt bepaald met eliminering van de waardedrukkende verkeersbestemming, komt de toepassing van artikel 40e Ow, zijnde de subsidiaire benadering van de deskundigen, niet aan de orde. 3.2 Bij het hof zijn vijf procedures aanhangig gemaakt die betrekking hebben op onteigeningen voor hetzelfde werk, de omleiding van de N217 ter hoogte van de Stougjesdijk. In deze procedures (zaaknummers 200.125.745/01, 200.125.750/01, 200.125.755/01, 200.125.756/01 en 200.129.457/01) worden de in eerste aanleg gedaagde partijen thans bijgestaan door dezelfde advocaten, die bij pleidooi voor al die partijen gezamenlijk het woord gevoerd hebben als ware er sprake van één client. Ook hetgeen namens de Provincie in het geding na verwijzing naar voren is gebracht, gaat ervan uit dat in de vijf geschillen dezelfde problematiek aan de orde is. Vanwege deze samenhang zal het hof nu eerst een aantal beschouwingen geven die gelden voor alle vijf zaken. Deze zijn vervat in de rechtsoverwegingen 3.3 tot en met 3.7. Daarna zal per zaak de schadeloosstelling worden behandeld en bepaald. 3.3 De provinciale weg N217 liep in de situatie vóór onteigening ten dele over de Stougjesdijk, gelegen aan de oostzijde van de kern van Oud-Beijerland. Ten oosten van de dijk waren (en zijn) de daar gelegen gronden (overwegend) agrarisch in gebruik. Het drukke verkeer op de dijk zorgde voor veel problemen voor omwonenden, hetgeen de voornaamste reden is geweest om de omleiding tot stand te brengen. Het tracé is zodanig gekozen dat het nieuwe weggedeelte aan de oostzijde ongeveer langs de Vliet is aangelegd en aan de zuidzijde ongeveer parallel aan de grens met de gemeente Binnenmaas (Mijnsherenland). Tussen de bestaande Stougjesdijk en de Vliet (thans: het nieuwe gedeelte van de N217) en ten zuidwesten van de Kreek ligt een gebied, dat zich leent voor voortzetting van het agrarisch gebruik, maar waar ook een invulling met bestemmingen zoals woondoeleinden, nijverheid en dergelijke mogelijk is. Dit gebied wordt hierna aangeduid als het tussengebied. De omleiding is nu aan de oost- en zuidzijde van dat gebied gesitueerd. 3.4 Het processuele debat spitst zich toe op de vraag of het onteigende moet worden gewaardeerd als agrarische grond of als grond met een verwachtingswaarde. De onteigende partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat, kort gezegd, het tussengebied te beschouwen is als een complex dat mettertijd voor wonen en werken tot ontwikkeling zal worden gebracht. Zij menen daarom dat het tussengebied verwachtingswaarde heeft en de onteigende delen daarvan (dus) ook. De Provincie heeft het standpunt ingenomen, dat, kort gezegd, die ontwikkeling ten tijde van de peildatum nog zo onzeker was dat het standpunt van de onteigenden als speculatief moet worden beschouwd en alleen een waardering als agrarisch gebied realistisch is. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. 3.4.1 ( (Nagenoeg) alle percelen in het tussengebied zijn in de jaren 2005 – 2008 in handen van grondontwikkelaars gekomen, die kennelijk de hoop hadden daarop mettertijd meer lucratieve bestemmingen dan het bestaande agrarische gebruik te kunnen verwezenlijken. Daarbij zijn prijzen betaald die uiteenliepen van € 18,- tot € 45,- per m², in veel gevallen met een verplichting van de kopers om een nabetaling aan de verkopers te doen indien die meer lucratieve bestemmingen inderdaad tot stand zouden (kunnen) worden gebracht. Deze bedragen liggen beduidend hoger dan de agrarische waarde ten tijde van de peildatum, die door de deskundigen in eerste aanleg op € 6,- per m² is getaxeerd. Voor het werk zijn, bezien vanuit de Stougjesdijk, de achterste gedeeltes, gelegen dicht langs de Vliet dan wel de gemeentegrens, ter onteigening aangewezen, waarbij tussen het wegtracé en de Vliet veelal smalle stroken overbleven. Deze stroken zijn buiten het wegtracé gelaten in verband met de (geprojecteerde) ecologische verbindingszone over de Vliet. 3.4.2 De deskundigen in eerste aanleg zijn ervan uitgegaan dat de bestemming 'verkeersdoeleinden' niet mag worden weggedacht en dat de onteigende perceelsgedeeltes niet behoren tot een complex in de zin van artikel 40d Ow. Van mening zijnde dat het bestaande agrarische gebruik leidt tot de hoogste waarde, hebben zij het onteigende primair gewaardeerd op € 6,- per m². Subsidiair hebben zij, voor het geval dat de rechtbank toepassing zou willen geven aan artikel 40e Ow, een verwachtingswaarde van € 15,- per m² getaxeerd, met als uitgangspunt dat het gaat om schone grond. Op het standpunt van de deskundigen gaat het hof hierna nog nader in. 3.4.3 In relatie tot de vraag in hoeverre er sprake kon zijn van een realistische verwachting dat het tussengebied mettertijd voor wonen en werken ontwikkeld zou kunnen worden, hebben de deskundigen een groot aantal documenten onderzocht. In hun advies doen zij daarvan verslag. Ook partijen hebben hieraan veel aandacht gegeven. De bewuste documenten dateren van deels voor, deels na de in acht te nemen peildatum. 3.4.4 In de vijf zaken is sprake van twee verschillende peildata: in drie gevallen is het onteigeningsvonnis ingeschreven op 19 november 2008, in de twee andere zaken is dat gedaan op 2 juni 2009. 3.4.5 De deskundigen noemen documenten met een datering van vóór deze peildata:- een visiedocument, genaamd Ambities van Oud-Beijerland, "Stadse allures en dorpse charme", uitgegeven in februari 2002,- rapportage "Ruimtelijke Hoofdstructuur 2015/2030 voor de Structuurvisie Oud-Beijerland", van juni 2004,- het Streekplan Zuid-Holland, van 17 mei 2000,- het Streekplan Zuid-Holland Zuid Hoeksche Waard, van 31 januari 2007- Integrale visie dorpsontwikkeling Oud-Beijerland, vastgesteld door de raad van de gemeente op 23 april 2007,- Structuurvisie Hoeksche Waard, op 8 juli 2008 vastgesteld door de Commissie Hoeksche Waard.De eerste drie van deze stukken hebben het licht gezien vóór de aankopen door grondontwikkelaars. 3.4.6 In de memorie na verwijzing wordt door de onteigende partijen nog geattendeerd op het Verkeersstructuurplan, vastgesteld door de raad van de gemeente op 30 juni 2008, alsmede op documenten die na de peildata zijn verschenen. 3.4.7 De deskundigen hebben zich op het standpunt gesteld "dat ten tijde van de voor de onderhavige onteigening in acht te nemen peildatum nog te veel hobbels genomen dienden te worden om de gronden aan te merken als onderdeel van een complex van in exploitatie te brengen zaken. De reeds in volle omvang aanwezige financiële en economische crisis ten tijde van de peildatum ondersteunt extra het oordeel van deskundigen.". Voorts hebben zij gesteld: "Deskundigen zijn dan ook van oordeel dat gezien die ongewisheden een tempering van de verwachtingswaarde op zijn plaats is.". 3.4.8 Het hof onderschrijft de visie van deskundigen dat het tussengebied niet kan worden omschreven als een ten tijde van de peildata bestaand complex van in samenhang tot ontwikkeling te brengen gronden. De door hen genoemde documenten bieden wel een aantal aanknopingspunten voor de verwachting dat lange(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.