GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 25 juni 2014 Zaaknummer : 200.148.376/02 Rekestnummer rechtbank : F2 RK 12-1638 Zaaknummer rechtbank : C/10/411597 [de moeder], wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. J.W. Prinsen te Maassluis, tegen [de vader], wonende te [woonplaats], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. I. Correljé te Hoek van Holland. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder is op 2 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 februari 2014 van de rechtbank Rotterdam, bij het hof bekend onder zaaknummer 200.148.376/01 (hierna te noemen: de hoofdprocedure) en heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.148.376/02. Op 4 juni 2014 is de zaak mondeling behandeld, doch uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 3 februari 2014. Ter zitting was aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank ,voor zover hier van belang, bepaald dat de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht voorlopig als volgt zal zijn: o de vader zal in de gelegenheid worden gesteld om de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), te ontmoeten in de locatie MKD [naam] te [plaats], waarbij tijdstippen, duur, aantal, frequentie en inhoud van de contacten worden bepaald door de medewerkers van het Rotterdams Omgangshuis, na overleg met de ouders. Voorts is de moeder veroordeeld tot betaling aan de vader van een dwangsom van € 100,- per keer dat de moeder in gebreke blijft mee te werken aan begeleide omgang tussen de vader en de voornoemde minderjarige, tot een maximum van € 1.500,-. Deze beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: de moeder is eenhoofdig belast met het gezag over voornoemde minderjarige; de vader heeft de minderjarige erkend. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING 1. In geschil is thans de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking met betrekking tot voorlopige omgangsregeling via het Rotterdams Omgangshuis en de aan de moeder opgelegde dwangsom. 2. De moeder verzoekt het hof dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking wordt geschorst respectievelijk als ongegrond wordt afgewezen. 3. De moeder stelt ten aanzien van de vastgestelde voorlopige omgangsregeling dat de rechtbank zich heeft laten leiden door het raadsrapport van 30 december 2013, waarvan inmiddels na een klachtenprocedure bij de raad is komen vast te staan dat dit raadsrapport ondeugdelijk tot stand is gekomen. Het raadsonderzoek dient om die reden opnieuw uitgevoerd te worden en wel door een nieuw multidisciplinair team. Evenwel is door de rechtbank, in navolging van de raad, volledig voorbij gegaan aan de bezwaren van de moeder, welke bezwaren zij meermalen schriftelijk heeft aangevoerd. De moeder is van mening dat herstel van het contact tussen de vader en de minderjarige ernstig nadeel voor de minderjarige zal opleveren, hetzij geestelijk, hetzij lichamelijk en dat contact met de vader in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Ook is de vader volgens de moeder ongeschikt tot het hebben van omgang met de minderjarige. 4. Met betrekking tot de opgelegde dwangsom, stelt de moeder dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door ambtshalve een dwangsom op te leggen. Daarnaast kan, nu de rechtbank bij haar oordeel zich gebaseerd heeft op een ondeugdelijk rapport, niet worden vastgesteld dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen het opleggen van een dwangmiddel, zoals bepaald in artikel 1:253a lid 5 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), aldus de moeder. Daarenboven is artikel 1:253a BW niet van toepassing, aangezien dit artikel uitsluitend ziet op de situatie dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag. In het onderhavige geval is de moeder eenhoofdig belast met het gezag en is artikel 1:377a van toepassing, in welk artikel de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangmiddel in het geheel niet is opgenomen. 5. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC 5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.