GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht Zaaknummer : 200.100.792/01 Rol-/zaaknummer rechtbank : 372867 / HA ZA 10-2865 arrest van de familiekamer van 24 juni 2014 in de zaak van: [de vrouw], wonende te [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland), appellante, tevens incidenteel verweerster, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. J.P. Geertsema te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, tegen [de man], wonende te [woonplaats] (België), geïntimeerde, tevens incidenteel appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. B.A. Hocks te Hoensbroek, gemeente Heerlen. Het geding 1. Bij exploot van 20 oktober 2011 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van 20 juli 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage, gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, zoals hersteld bij vonnis van genoemde rechtbank van 26 oktober 2011. 2. Bij exploot van 17 november 2011 heeft de vrouw het exploot van 20 oktober 2011 hersteld aldus dat daarin de dagvaarding in appel voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gelezen wordt als de dagvaarding in appel voor het gerechtshof ’s-Gravenhage. 3. Op 29 mei 2012 heeft de vrouw van 13 grieven gediend, en verzocht – het hof begrijpt: gevorderd – het bestreden vonnis te vernietigen, en – naar het hof leest: – opnieuw beslissende, te bepalen: dat de man gehouden is de belastingaanslagen die de vrouw over de jaren 2000 tot en met 2005 heeft ontvangen te voldoen, en ook bij helfte zal voldoen hetgeen door de belastingdienst in zijn rapport aan privékosten is gesteld ter zake van bijvoorbeeld de advocaat- en deurwaarderskosten ter zake van de burenruzies; dat de man de terugontvangen bedragen bij helfte aan de vrouw zal voldoen omdat deze teruggaven eveneens zien op de huwelijksgemeenschap; dat een rechtvaardige verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen zal plaatsvinden, welke verdeling zal worden bepaald aan de hand van het door de vrouw overgelegde verdelingsschema alsmede het in het geding gebracht belastingrapport; at de man zijn medewerking zal verlenen aan alle vorderingen die de vrouw uit hoofde van de juiste verdeling van de huwelijksgemeenschap van de man heeft te vorderen, en wel binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest op straffe van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat de man in gebreke blijft te voldoen aan het in dezen te wijzen arrest tot een maximum van een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest. dat de man in de kosten in beide instanties zal worden veroordeeld. 4. Bij Incidentele memorie strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het rechtsmiddel van hoger beroep heeft de man geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het ingestelde rechtsmiddel van hoger beroep. 5. Bij Antwoordconclusie in het incident strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het rechtsmiddel van hoger beroep heeft de vrouw geconcludeerd dat het hof haar in het rechtsmiddel van hoger beroep ontvankelijk zal verklaren, met veroordeling van de man in de kosten van het opgeworpen incident. 6. In zijn arrest van 27 november 2012 heeft dit hof de vordering van de man tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in dit hoger beroep afgewezen en hem in de kosten van het incident aan de zijde van de vrouw veroordeeld, met verwijzing van de zaak naar de rol. 7. Op 15 januari 2013 heeft de man een Memorie van antwoord, tevens houdende incidentele memorie van grieven, genomen, houdende 3 grieven, met producties. De man heeft vervolgens van antwoord met producties gediend in het principaal appel. 8. Vervolgens heeft de vrouw op 9 april 2013 gediend van een Incidentele memorie van antwoord. 9. Op 30 januari 2014 zijn de zaken bepleit door de advocaat van de man en – op haar uitdrukkelijk verzoek daartoe – door de vrouw zelve. De daarbij aanwezig raadsheer mr Stollenwerck is door andere ambtsbezigheden verhinderd dit arrest mede te wijzen en vervangen door de raadsheer mr Stille. 10. Appellanten hebben vervolgens arrest gevraagd en partijen hebben ieder hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd. 11. Het arrest is uiteindelijk bepaald op heden. Beoordeling van het hoger beroep in het principaal en het incidenteel hoger beroep Algemeen 1. Voor zover er tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten. 2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie en in reconventie, met inachtneming van het herstelvonnis, de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen vastgesteld als volgt: a. deelt toe aan de man binnen zes weken na de betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] tegen een waarde van € 225.000,-- door een door de man aan te wijzen notaris onder bepaling dat de vrouw haar medewerking daaraan dient te verlenen door het zetten van alle noodzakelijke handtekeningen en, waar nodig, in persoon te verschijnen, op straffe van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat zij na het verstrijken van genoemde termijn in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000,--, onder gelijktijdige uitbetaling door de man aan de vrouw van een bedrag van € 112.500,--; b. deelt toe aan de man de volledige inboedel van de woning in [plaatsnaam] tegen een waarde van € 5.000,-- onder de verplichting om aan de vrouw dit bedrag binnen zes weken na de betekening van dit vonnis te betalen; c. bepaalt dat de man voor het gebruik van de woning in [plaatsnaam] aan de vrouw een gebruiksvergoeding van € 375,-- per maand moet betalen vanaf 17 januari 2006 tot de datum van verdeling; d. gelast de verdeling van de Spaaroptimaal hypothecaire geldlening bij de Rabobank (Rabo Rendementsrekening [nummer]), onder de bepaling dat de vrouw, om tot uitkering van de polis te geraken, binnen zes weken na de betekening van dit vonnis alle medewerking zal verlenen, door het zetten van alle noodzakelijke handtekeningen en, waar nodig, in persoon zal verschijnen, op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag voor iedere dag dat de vrouw na het verstrijken van de genoemde termijn hiermee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 5.000,--; e. bepaalt dat de vrouw binnen zes weken na de betekening van dit vonnis aan de man dient te voldoen ter zake van de eigenaarslasten € 2.000,37; f. deelt toe aan de vrouw de auto [merk, type], zonder verrekening van de waarde; g. deelt toe aan de man de auto [merk, type], en de restschuld van de financiering; h. deelt toe aan ieder van partijen de helft van een bedrag van € 11.090,19, zijnde € 5.545,10 dat zich bij de notaris (notariskantoor[naam notaris]) in depot bevindt; i. verklaart voor recht dat de (incasso)kosten die de vrouw heeft gemaakt om tot levering van de voormalige echtelijke woning te komen, voor rekening van beide partijen dienen te komen; j. bepaalt dat de man gehouden is, onder overlegging van een kopie van de aangiften, de helft van de belasting- en premieschuld over de jaren 2000 en 2003 aan de vrouw te voldoen; met de verklaring uitvoerbaar bij voorraad, afwijzing van het meer of anders gevorderde en de bepaling dat iedere partij de eigen kosten draagt. De waarde van de woning te [plaatsnaam] (grief I-a in het principaal appel) 3. Met deze grief richt de vrouw zich tegen de vaststelling door de rechtbank van de waarde van de woning te [plaatsnaam] op een bedrag van € 225.000. Zij voert daartoe aan dat de waarde in 2005 feitelijk was vastgesteld op € 260.000,-- en dat zij in haar aangifte inkomstenbelasting dit bedrag heeft moeten aangeven nu de woning voor dat bedrag verkocht had kunnen worden. Zij verwijst voorts naar bijlage 23 (naar het hof begrijpt: bijlage 23 bij de Conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie), waarin sprake is van een tweetal bouwkavels die te koop worden aangeboden voor € 190.000,-- per stuk. De vrouw verzoekt (het hof begrijpt: vordert) in de toelichting op deze grief dat het hof na vernietiging van het bestreden vonnis zal ‘bepalen dat de waarde van de woning zal worden vastgesteld op een bedrag groot ad € 160.000 danwel een zodanig bedrag als uw Gerechtshof in goede justitie zal vermenen te behoren’. 4. De man bestrijdt deze grief en verklaart voorts in te stemmen met de door de vrouw gevorderde waarde van € 160.000,--. 5. Het hof overweegt dat de door de vrouw genoemde waarde van € 160.000,-- in het licht van al haar overige stellingen ten aanzien van de waarde van de woning in [plaatsnaam] een kennelijke verschrijving is en dat zij heeft bedoeld € 260.000,--, zodat het hof dat bedrag van € 160.000,-- zal lezen als € 260.000,--. 6. Wat de vaststelling van de waarde van de woning betreft, heeft de rechtbank – bij gebreke van overeenstemming tussen partijen daarover – terecht als peildatum genomen de datum van verdeling, zijnde de datum van het bestreden vonnis 20 juli 2011. Tegen de vaststelling van de waarde van de woning door de rechtbank heeft de vrouw in hoger beroep volstaan met te herhalen wat daarover van haar zijde in eerste aanleg naar voren is gebracht. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden die het hof hierbij overneemt als de zijne, de waarde in dat vonnis ex aequo et bono vastgesteld op € 225.000,--. 7. Mitsdien is grief I-a tevergeefs opgeworpen. Dwangsom (grief I-b in het principaal appel) 8. De vrouw keert zich met deze grief tegen de door de rechtbank opgelegde dwangsom ter zake van haar medewerking aan de effectuering van de verdeling van de woning te [plaatsnaam]. Zij voert in de toelichting op deze grief aan dat niet zij degene is geweest die de verdeling heeft gefrustreerd, aangezien ‘zij reeds in 2006 via een Belgische procedure getracht heeft uit de verdeling (het hof begrijpt: onverdeeldheid) te geraken’. Zij wijst voorts in de toelichting op deze grief nog op de aankoopkosten en de overdrachtskosten. 9. De man heeft deze grief gemotiveerd bestreden. 10. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof hierbij overneemt en tot de zijne maakt, de vordering van de man tot het opleggen van een dwangsom in geval van weigering door de vrouw mee te werken aan de uitvoering van de verdeling toegewezen. Bovendien stelt de vrouw in de toelichting op deze grief andermaal voorwaarden aan haar medewerking – zie het proces-verbaal van 27 juli 2005 – zodat er gerede twijfel is of zij het bestreden vonnis op dit onderdeel zal nakomen. Door middel van een dwangsom zal die medewerking bewerkstelligd kunnen worden. De verwijzing door de vrouw naar de aankoop- en de overdrachtskosten laat het hof – als niet ter zake – buiten beschouwing. De grief treft derhalve geen doel. 11. De vrouw heeft in appel nog gevorderd dat het hof ook de man tot een dwangsom zal veroordelen voor het geval hij het bestreden vonnis niet naar behoren zal nakomen. Nu de vrouw heeft nagelaten gronden aan te voeren voor het opleggen van een dwangsom aan de man en zij mitsdien niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zal het hof haar vordering tot het opleggen van zodanige dwangsom afwijzen. De inboedel (grief II in het principaal appel) 12. Deze grief ziet op de toedeling aan de man door de rechtbank van de inboedel wat zijn omvang betreft. 13. De man voert in zijn verweer aan dat de vrouw het grootste deel van de inboedel heeft meegenomen naar Duitsland. 14. Aan de hand van de door de vrouw opgesomde zaken kan – gelet op dit verweer van de man – door het hof niet worden bepaald of de door de vrouw genoemde zaken nog onder de man zijn. Dat geldt evenzeer de ‘persoonlijke alsook bedrijfsmatige eigendommen’ van de vrouw. 15. Voorts heeft de vrouw gevorderd uitbetaling van het resterende deel van het bedrag van € 5.000,-- door de man aan haar, omdat de man dat resterende deel niet aan haar zou hebben betaald. 16. Bij die vordering heeft de vrouw in appel naar het oordeel van het hof geen belang, aangezien zij op dit punt het vonnis van 20 juli 2011 jegens de man ten uitvoer kan leggen, aangezien tegen dit onderdeel geen grieven zijn aangevoerd. 17. Ook vordert de vrouw dat de man haar een bedrag zal betalen betreffende de ontruiming van de echtelijke woning te [plaatsnaam], te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening. 18. Tenslotte – in dit verband – vordert de vrouw een bedrag van € 9.000,-- van de man ter zake van de door de vrouw gefinancierde keuken voor de woning te [plaatsnaam], thans eigendom van de man. 19. Ook deze twee laatstgenoemde vorderingen dienen te worden afgewezen nu de vrouw heeft nagelaten gronden aan te voeren voor het opleggen van die veroordeling en zij mitsdien niet aan haar stelplicht heeft voldaan. 20. De grief faalt mitsdien. De gebruiksvergoeding (grief III in het principaal appel) 21. Met deze grief richt de vrouw zich – naar het hof begrijpt – tegen de omvang van een door de man aan haar te betalen gebruiksvergoeding van de woning te [plaatsnaam]. Zij voert daartoe aan dat – kort gezegd – de door de rechtbank gebezigde ‘4%-formule’ in dit geval niet toepasselijk is omdat daarmee geen rekening gehouden wordt met het feit dat zij na de datum van echtscheiding de woning in [plaatsnaam] diende te verlaten in verband met de verkoop daarvan en dat haar moeder haar heeft ondersteund door een hypothecaire lening aan te gaan, die niet nodig zou zijn geweest als de man de verdeling niet zou hebben gefrustreerd. Bovendien acht de vrouw een ‘gebruiksvergoeding ad 4% gelijk de vermogensbelasting (…) niet reëel’ en vordert zij – na vernietiging van het bestreden vonnis – een gebruiksvergoeding van 4,8%. Voorts vordert zij aanvullend dat de man aan haar zal betalen tenminste het bedrag van € 115.000,--, zijnde het bedrag dat zij sedert september 2006 van haar moeder geleend heeft ter financiering van haar woning in Duitsland, welke lening niet nodig zou zijn geweest als de man de woning in [plaatsnaam] aan haar moeder zou hebben verkocht uiterlijk augustus 2006. 22. Naar het oordeel van het hof is een gebruiksvergoeding voor een woning – zoals door de vrouw in eerste aanleg is gevorderd – van 4% ’s jaars over de waarde van een woning niet onredelijk. De rechtbank heeft die tot dat percentage dan ook terecht toegewezen. Dat de vrouw de woning in [plaatsnaam] in verband met de verkoop en overdracht daarvan diende te verlaten, maakt dat niet anders. Dat geldt evenzeer het feit dat de vrouw in Duitsland een andere woning heeft verworven met een hypothecaire geldlening van haar moeder. 23. De vrouw heeft onder verwijzing naar de brieven van notaris [naam notaris] van 6 januari 2012 en van 10 januari 2012 (bijlage HB-01 bij de Memorie van grieven) voorts nog aangevoerd dat zij niet het haar ter zake van de akte afstand-deling toekomende bedrag van € 112.500,-- ten volle zou hebben ontvangen. 24. Het hof is van oordeel dat – wat er overigens van de stellingen ten aanzien van het ontvangen van voornoemd bedrag ook zij – de al dan niet ontvangst daarvan geen gevolgen heeft voor het verschuldigd zijn door de man aan de vrouw van een gebruikersvergoeding voor de woning te [plaatsnaam]. 25. De grief treft mitsdien evenmin doel. De rendementsrekening spaaroptimaal hypotheek (grief IV in het principaal appel) 26. De vrouw legt aan deze grief ten grondslag – kort gezegd – dat de man de onderdelen b en j van het bestreden vonnis niet is nagekomen en dat zij het als grievend ervaart dat zij wèl is veroordeeld tot een dwangsom voor het geval zij haar verplichtingen niet nakomt en de man niet. Zij vordert dat de man aan vrouw zal betalen de wettelijke rente over het volledige bedrag van de rendementsrekening groot € 10.000,-- met ingang van 1 februari 2008 tot de datum waarop de verkoop van de woning te [plaatsnaam] is verwezenlijkt. 27. De grief is naar het oordeel van het hof tevergeefs opgeworpen, nu hetgeen de vrouw daartoe heeft aangevoerd – naar het hof begrijpt: dat zij de Rabobank uitdrukkelijk opdracht heeft gegeven het bedrag op de rendementsrekening in depot te houden gezien haar tegenvordering op de man – niet leidt tot het opleggen van de verplichting tot het voldoen van de wettelijke rente en zij overigens geen rechtens relevante feiten en omstandigheden aanvoert waaruit het hof zodanige verplichting kan afleiden. De verrekening van de eigenaarslasten van de woning te [plaatsnaam] (grief V in het principaal appel) 28. De man heeft in eerste aanleg (bijlage 13 bij de inleidende dagvaarding) het aandeel van de vrouw in de eigenaarslasten berekend op € 4.000,73, waarvan – zo begrijpt het hof – de man heeft gevorderd te bepalen dat de vrouw daarvan de helft of € 2000,37 aan hem verschuldigd is. Met haar grief bestrijdt de vrouw dit laatstgenoemde bedrag omdat daaronder ten onrechte zijn gebracht de energielasten, de milieubijdrage van de gemeente[naam] en de premie van de brand- en inboedelverzekering. Ten aanzien van de milieubijdrage stelt de vrouw dat het hier gaat om een ‘belasting voor alle inwoners van de gemeente [naam] (B) lees ingezetenen’. Voorts stelt zij dat zij ter zake van de onderhoudskosten schilderwerk en dakinspecties geen verplichting op zich heeft genomen. 29. De man heeft aangevoerd dat de energielasten betreffen de aansluiting op het elektriciteitsnetwerk, dat de milieubijdrage wordt geheven voor de aansluiting op het openbaar riool en dat iedere eigenaar van een woning een brand- en inboedelverzekering dient af te sluiten. De kosten van de dakinspectie behoren naar de mening van de man tot het preventief onderhoud van de woning. Aan de hand van de door hem overgelegde kopieën van de specificatie van de premie van de polis van de brand- en inboedelverzekering (productie 12 bij de Memorie van antwoord, tevens houdende incidentele memorie van grieven) berekent de man dat de eigenaarslasten met een bedrag van € 412,80 moeten worden gecorrigeerd. 30. Tegen de door de man opgevoerde kosten vast recht watervoorziening zijn door de vrouw geen bezwaren gemaakt, zodat deze in dit geval onder de eigenaarslasten begrepen zijn. Dat geldt ook voor de kosten onroerende voorheffing. Ten aanzien van de milieubijdrage is het hof van oordeel dat de man – gelet op de stellingen van de vrouw op dit onderdeel – zijn stelling dat het daarbij om een verplichting van de eigenaar gaat, onvoldoende heeft onderbouwd. Mitsdien zal het hof de ‘milieubijdrage’ niet als eigenaarslasten aanmerken. De kosten van het vastrecht energie en de premie van de inboedelverzekering zijn evenmin eigenaarslasten nu deze ten laste komen van de gebruiker en niet de eigenaar. De premie voor de opstalverzekering daarentegen komt wel voor rekening van de eigenaar omdat deze verzekering in diens belang is. De door de vrouw bestreden kosten voor schilderwerk (onderhoud) en dakinspectie heeft de man niet aangetoond, zodat het hof daarmee geen rekening zal houden. 31. Het vorenstaande leidt er toe dat van de door de man als ‘eigenaarslasten’ aangeduide kosten voor rekening zijn van de eigenaar van een woning de navolgende jaarlijkse posten met bedragen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.