GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht Uitspraakdatum : 24 juni 2014 Zaaknummer : 200.113.953/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : 408743 HA ZA 11-2794 Arrest in de zaak van: [appellante], gevestigd te Hoofddorp, appellante, hierna te noemen:[appellante], advocaat: mr. R. Charité (Katwijk), tegen 1. [geïntimeerde sub 1], 2. [geïntimeerde sub 2], beiden wonende te Noordwijkerhout, geïntimeerden, hierna te noemen: [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], tezamen ook: [geïntimeerden], advocaat: mr. R. Beekman (Leiden). Het verdere verloop van het geding Bij arrest van 30 oktober 2012 is een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 15 februari 2013. Na afloop van de comparitie is de zaak naar de rol verwezen. Op de rol heeft[appellante] een memorie van grieven (met producties) ingediend. [geïntimeerden] heeft daarop gereageerd bij memorie van antwoord. Vervolgens hebben de advocaten van partijen de zaak bepleit, beiden aan de hand van pleitnota’s. Na afloop van de pleidooien is een arrestdatum bepaald. De beoordeling van het hoger beroep inleiding 1. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn bestuurders geweest van Novaflor B.V. (hierna: Novaflor). Novaflor heeft op 12 februari 2008 een bedrag van € 200.000,- geleend van[appellante], die stelt dit bedrag op of omstreeks 1 maart 2008 naar de bankrekening van Novaflor te hebben overgemaakt. De geldlening was opeisbaar op 1 april 2011. Novaflor is echter op 25 november 2008 - op eigen aanvraag - failliet verklaard. Het faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten. Terugbetaling van het uitgeleende geld heeft niet plaatsgevonden. Voor de daardoor door haar geleden schade - die zij stelt op € 200.000,-, plus de rente - houdt[appellante] [geïntimeerden] persoonlijk aansprakelijk. de vorderingen in de hoofdzaak en in het incident en de beslissingen van de rechtbank 2. De grondslag voor deze persoonlijke aansprakelijkstelling is een door[appellante] aan [geïntimeerden] verweten onrechtmatige daad, hieruit bestaande dat [geïntimeerden][appellante] een geldleningovereenkomst heeft laten sluiten met Novaflor terwijl [geïntimeerden] wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Novaflor deze niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die[appellante] daardoor zou lijden (Beklamel-arrest, HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286). Dat [geïntimeerden] dit wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen, baseert[appellante] op een vermoeden dat zij ontleent aan (onder meer) de volgende omstandigheden: a. terwijl zijdens [geïntimeerden] is gesteld dat Novaflor ten tijde van het aangaan van de overeenkomst (medio februari 2008) nog financieel gezond was, bereikten[appellante] reeds eind april / begin mei 2008 berichten dat het voor Novaflor een aflopende zaak was, welke berichten later in het jaar werden bewaarheid; b. [geïntimeerden] heeft ten opzichte van het faillissementsverslag van 6 juli 2009 afwijkend verklaard over Trendy Flower B.V., een in 2007 gefailleerde vennootschap; volgens het faillissementsverslag zou Novaflor een voortzetting zijn van de onderneming van Trendy Flower en zou Novaflor een schuld van Trendy Flower hebben overgenomen, terwijl [geïntimeerden] een en ander ontkent, dan wel zegt dit niet te weten; c. dat de curator [geïntimeerden] niet heeft aangesproken voor hun onbehoorlijk bestuur komt door een gebrek aan verhaalsmogelijkheden en d. terwijl de curator bereid was om[appellante] inzage te verlenen in de administratie van Novaflor heeft [geïntimeerden] dit verhinderd; kennelijk hebben zij iets te verbergen. In de inleidende dagvaarding stelt[appellante] tevens dat zij ‘ook een vermoeden heeft dat het bedrag van € 200.000,- als het ware uit Novaflor is gesluisd met andere dan bedrijfsdoeleinden.’ 3. Naast de hoofdvordering tot veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 200.000,- met rente heeft[appellante] een incidentele vordering ex art. 843a Rv tot afgifte van de financiële administratie van Novaflor ingesteld. Ter onderbouwing heeft zij aangevoerd dat zij in bewijsnood verkeert en dat het daarom noodzakelijk is dat er inzage wordt verkregen in de administratieve gegevens waarvan zij afgifte verlangt. Indien uit die gegevens blijkt dat het bedrag van[appellante] uit Novaflor is gesluisd met andere dan bedrijfsdoeleinden, dan staat vast dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] wisten, althans redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat Novaflor de geldleningsovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die[appellante] hierdoor zou leiden, aldus[appellante] in haar inleidende dagvaarding. 4. In het vonnis waarvan beroep zijn de vorderingen in zowel het exhibitie-incident als de hoofdzaak afgewezen. De afwijzingsgrond in de hoofdzaak luidt dat[appellante] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om toegelaten te worden tot bewijslevering of om de bewijslast om te keren. de grief 5. De memorie van grieven behelst één grief. In de toelichting erop zet[appellante] uiteen waarom naar haar inzicht de rechtbank ‘een compleet verkeerde maatstaf’ heeft aangelegd door te overwegen dat[appellante] haar ‘vordering al tot op zekere hoogte zou hebben moeten onderbouwen.’ Die uiteenzetting richt zich op de vereisten voor een vordering ex art. 843a Rv. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft[appellante] zich eveneens daartoe beperkt: vgl. punt 2 van de pleitnota van haar advocaat: ‘Aan de orde is de vraag of de Rechtbank op goede gronden is overgegaan tot afwijzing van de vordering van [appellante] ex artikel 843a Rv.’ Een helder geformuleerde klacht tegen de afwijzing van de hoofdvordering en meer speciaal de daarbij gebezigde afwijzingsgrond, hiervoor genoemd onder 4, ontbreekt, terwijl geen aanleiding bestaat voor een ambtshalve beoordeling van de juistheid van die afwijzing(sgrond). In haar hoger beroep tegen de afwijzing van de hoofdvordering dient[appellante] daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Bij deze uitkomst heeft Zandberg Holding geen belang bij een beoordeling van het exhibitie-incident; als er geen hoofdvordering is, is er geen aanspraak op bescheiden. Wat hierna volgt zijn dan ook overwegingen ten overvloede. 6. De rechtbank heeft de vordering in het exhibitie-incident afwezen omdat niet voldaan is aan het toewijzingsvereiste dat de bescheiden worden gevorderd aangaande een rechtsbetrekking waarbij verzoeker[appellante] partij is. Weliswaar kan een onrechtmatige daad als een zodanige rechtsbetrekking worden aangemerkt, maar vereist is dan wel dat de stelling dat sprake is van een onrechtmatige daad tot op zekere hoogte is gemotiveerd en onderbouwd, hetgeen hier niet het geval is, aldus rov. 4.2 van het vonnis. Aansluitend overweegt de rechtbank (rov. 4.3) dat voor onrechtmatig handelen op de door[appellante] gestelde grondslag vereist is dat [geïntimeerden] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van geldlening door Novaflor wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat Novaflor haar verplichtingen uit die overeenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de door haar wederpartij daardoor te lijden schade (Beklamel-norm). De juistheid van deze overweging is door[appellante] niet bestreden, ook niet in die zin dat volgens[appellante] de grondslag van de vordering meeromvattend is en tevens is gelegen in het naderhand onrechtmatig of in strijd met de overeenkomst wegsluizen van de ter leen ontvangen gelden. In hoger beroep herhaalt[appellante] ook niet (haar eerder geuite veronderstelling) dat het geld aan Novaflor is onttrokken / is weggesluisd. Die (veronder)stelling lijkt plaats te hebben gemaakt voor een vermoeden dat het geld is gebruikt om een gat in de bedrijfsvoering van Novaflor te dichten. Voor dat vermoeden verwijst[appellante] naar een in hoger beroep overgelegde verklaring van 26 oktober 2012 van ene [betrokkene]. Die verklaring houdt onder meer in dat deze [betrokkene] in 2000-2007 een zakelijke relatie onderhield met ‘de firma Novaflor en de firma Trendy flower/Handling’, dat in die tijd een zekere [x] bij deze firma’s werkte en verder: ‘Na ongeveer één jaar werd [x] de laan uitgestuurd. Later bleek dat er een gat in de boekhouding zat van ruim twee miljoen stelen, wat gelijk staat aan een geschat bedrag van € 200.000,- .’ [geïntimeerden] heeft de juistheid van deze verklaring bij memorie van antwoord gemotiveerd betwist. Daarbij heeft [geïntimeerden] diverse details gemeld met betrekking tot bedoelde [x].[appellante] is daar vervolgens niet meer op ingegaan; in haar reactie op de memorie van antwoord (bij gelegenheid van het door haar aangevraagde pleidooi) heeft zij volstaan met de stelling: ‘In het kader van het pleidooi heeft het geen zin om hier een welles-nietes spel van te maken.’ Daarmee doet zij echter geen recht aan hetgeen [geïntimeerden] naar voren heeft gebracht. Dat was immers niet een simpel ‘nietes’, maar een gemotiveerde tegenspraak naar aanleiding van een weinig concrete verklaring uit 2012. Het onbesproken laten van deze tegenspraak maakt dat bedoelde verklaring niet kan dienen als basis voor het door[appellante] geuite vermoeden. Anders dan[appellante] stelt is de verklaring van [betrokkene] dus niet ‘de zoveelste aanwijzing dat de financiële positie van Novaflor niet in orde was op het moment van het sluiten van de geldleningsovereenkomst.’ Aan het aanbod om [betrokkene] als getuige te horen wordt daarom voorbijgegaan, overigens ook omdat gesteld noch gebleken is dat hij meer of anders kan verklaren dan in de schriftelijke verklaring is vermeld, hetgeen onvoldoende is voor vermoedens als geuit. 7. Over de aanwending van het geleende geld heeft [geïntimeerde sub 1] verklaard dat het ‘niet gebruikt [is] voor aflossing van schulden, maar voor de bedrijfsvoering (onder andere eerdergenoemde fust)’. [geïntimeerde sub 2] heeft in gelijke zin verklaard: ‘Het geld van de lening [..] is gebruikt voor de algemene bedrijfsvoering, waaronder luchtvracht, fust en andere zaken.’ Volgens [geïntimeerden] is het geld derhalve niet uitsluitend aangewend voor de aanschaf van fust. De getuigenverklaringen van vader en zoon [appellante] houden echter in dat die aanwending hun destijds wél is voorgespiegeld, waar[zoon] nog aan heeft toegevoegd dat het voor de aankoop van het fust benodigde geld ‘in de vorm van statiegeld weer zou terugkomen, zodat het risico nihil zou zijn.’ Daarnaar gevraagd, bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep, heeft[appellante] bevestigd dat haar standpunt nog steeds is dat is afgesproken dat het geld uitsluitend zou worden aangewend voor de aanschaf van fust. Die beperking blijkt echter niet uit de (bij inleidende dagvaarding overgelegde) schriftelijke versies van het contract, terwijl de verklaringen van de getuigen [appellante], tegenover die van [geïntimeerden], ontoereikend zijn voor het bewijs van de juistheid ervan. De juistheid van deze - volgens[appellante] overeengekomen - wijze van aanwending van het geld zou daarom, wil er betekenis aan kunnen worden toegekend, nader moeten worden aangetoond.[appellante] heeft op dit punt echter geen (aanvullend) bewijs aangeboden, terwijl gesteld noch gebleken is dat dat bewijs (slechts) aan de hand van de administratie zou kunnen worden geleverd. Ook tegen deze achtergrond is het belang bij inzage in de administratie onvoldoende onderbouwd; het heeft er nu veel van weg dat[appellante] wil onderzoeken of en wil aantonen dat het geld ook aan andere zaken dan alleen fust is besteed, terwijl dit door [geïntimeerden] al erkend is, zonder dat die omstandigheid op zichzelf genomen tot een persoonlijke aansprakelijkheid kan leiden. 8. Dat het geld niet voor bedrijfsdoeleinden is gebruikt, maar is weggesluisd, zoals vader [appellante] als veronderstelling heeft geuit, is, als gezegd, een (veronder)stelling die in hoger beroep lijkt te zijn verlaten. Voor zover zij niettemin gehandhaafd is, geldt dat deze (veronder)stelling onvoldoende is toegelicht, terwijl die toelichting niet had mogen ontbreken tegen de achtergrond van de door de curator gemelde bevindingen dat er een goed bijgehouden boekhouding was, die hij heeft laten doornemen door een administratiekantoor, dat er geen paulianeuze transacties zijn ontdekt en ook geen wanbeleid en dat geen sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur. 9. Bij de beoordeling van het belang van[appellante] bij inzage in de administratie voor de door haar gestelde aansprakelijkheid van [geïntimeerden] op grond van de Beklamel-norm wordt verder het volgende in aanmerking genomen. 9.1 Vader [appellante], die bij de totstandkoming van de geldleningsovereenkomst betrokken was, heeft als getuige verklaard heeft dat hij niet denkt dat Visser en [geïntimeerde sub 2] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst wisten of althans redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat Novaflor haar verplichtingen jegens [appellante] niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden.[appellante] besteedt hier geen aandacht aan. Meer in het bijzonder licht zij niet toe of en zo ja op welke wijze zij deze verklaring heeft laten meewegen bij haar andersluidende standpunt. 9.2 [appellante] gaat evenmin in op hetgeen [geïntimeerden] heeft opgemerkt over de omstandigheden waar zij haar vermoeden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.