GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.129.595/01 Zaaknummer rechtbank : 1198322 / CV EXPL 12-7962 Arrest d.d. 29 juli 2014 inzake [appellante], wonende te Delft, appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. M.A.M. Timmermans te Amsterdam, tegen Stichting WOONBRON, gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: Woonbron, advocaat: mr. T.A. Vermeulen te Rotterdam. Het geding Bij appeldagvaarding van 1 juli 2013 (met producties) is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 11 april 2013 dat de rechtbank Den Haag, team kanton (hierna: de kantonrechter), tussen partijen heeft gewezen. [appellante] heeft daarbij drie grieven aangevoerd. Vervolgens heeft het hof bij tussenarrest van 3 september 2013 een comparitie van partijen bevolen. Deze comparitie is niet gehouden. Woonbron heeft de door [appellante] geformuleerde grieven vervolgens bij memorie van antwoord bestreden. Op 27 mei 2014 hebben partijen de zaak doen bepleiten voor de enkelvoudige kamer van dit hof, [appellante] aan de hand van pleitnotities. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter onder 1. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende. 1.1. [appellante] huurt van Woonbron de woning aan de[adres]. De echtgenoot van [appellante], de heer [echtgenoot], is van rechtswege medehuurder. 1.2. Op de huurovereenkomst zijn de door Woonbron gehanteerde voorwaarden van toepassing. 1.3. Op grond van de huurovereenkomst zijn [appellante] en [echtgenoot] verplicht maandelijks bij vooruitbetaling aan Woonbron ter zake van huur te betalen een bedrag van laatstelijk € 427,19. 1.4. In 2006 heeft de kantonrechter te Delft in verband met een huurachterstand de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en de ontruiming uitgesproken. De huurovereenkomst is nadien tussen partijen voortgezet. 1.5. Ook in 2012 is tussen partijen een procedure gevoerd. Deze procedure is door Woonbron ingeleid bij dagvaarding van 18 januari 2012. Op dat moment bestond er een huurachterstand van € 410,95. Op 25 januari 2012 is namens [appellante] en [echtgenoot] een bedrag van € 410,95 betaald aan de deurwaarder van Woonbron. Bij vonnis van 28 juni 2012 heeft de kantonrechter [appellante] en [echtgenoot] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 987,07, ter zake van verschuldigde huur tot en met juni 2012. De kantonrechter heeft daarbij rekening gehouden met de hem bekende betalingen tot en met 27 april 2012. De door Woonbron tevens gevorderde ontbinding (wegens voormelde huurachterstand en in de woning aangetroffen hennepplanten) heeft de kantonrechter na afweging van alle belangen afgewezen. Partijen zijn niet van dit vonnis in appel gegaan. 2. In de onderhavige procedure heeft Woonbron bij inleidende dagvaarding van 23 augustus 2012 gevorderd, kort samengevat en zakelijk weergegeven, de ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling van [appellante] en [echtgenoot] tot ontruiming van het gehuurde en betaling van € 674,20 plus rente ter zake van huurachterstand over de maanden juli en augustus 2012, alsmede een bedrag van € 337,10 (de destijds geldende huur) voor elke ingegane maand vanaf 1 september 2012 tot aan de ontruiming. Woonbron heeft haar vordering als volgt gespecificeerd: Juni + juli 2012 674,20 + september 2012 360,10 + oktober 2012 t/m januari 2013: 4 x 427,19 is 1.708,76 + Totaal 2.743,06 Af: betalingen: 24 augustus 2012 328,19 31 augustus 2012 328,19 31 augustus 2012 328,19 9 november 2012 337,10 27 december 2012 427,19 + Totaal 1.748,86 - Eindsaldo € 994,20 3. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de ontbinding uitgesproken en [appellante] en [echtgenoot] veroordeeld tot ontruiming en tot betaling van een bedrag van € 994,20, alsmede voor elke ingegane maand vanaf januari 2013 tot aan de ontruiming een bedrag van € 427,19, te vermeerderen met wettelijke rente. [appellante] en [echtgenoot] zijn in de proceskosten veroordeeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Alleen [appellante] is in appel gegaan. 4. Met grief 1 klaagt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] en [echtgenoot] niet vermelde betalingen hadden moeten stellen en zo nodig bewijzen. Volgens [appellante] hééft zij alle betalingen gesteld en bewezen. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] en [echtgenoot] hun vermoeden dat de betaling van € 410,95 op 25 januari 2012 door de deurwaarder niet is afgedragen aan Woonbron, niet hebben onderbouwd. Met grief 3, tot slot, klaagt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet gesteld of gebleken is dat de door [appellante] en [echtgenoot] gestelde betalingen, die door Woonbron zijn erkend, waren geoormerkt, zodat deze in mindering hadden moeten worden gebracht op de thans in het geding zijnde huurachterstand. Samenvattend merkt [appellante] op dat er ten onrechte is gedagvaard in augustus 2013 omdat op dat moment geen achterstand bestond, dat in het bestreden vonnis een te hoog bedrag in het dictum is opgenomen doordat een tweetal betalingen niet is meegenomen en dat de kantonrechter als gevolg daarvan ten onrechte de vordering tot ontbinding en ontruiming heeft toegewezen. 5. Vaststaat dat Woonbron uitdrukkelijk heeft verklaard af te zien van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontbinding en ontruiming en dat de huurovereenkomst tussen partijen is gecontinueerd (memorie van antwoord p. 3 onderaan/p. 4 bovenaan, bevestigd ter pleidooizitting). Afgezien van de proceskostenveroordeling is in appel dan ook alleen aan de orde de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.