GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.151.855/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/460747 / KG ZA 14-207 Arrest d.d. 5 augustus 2014 inzake 1 [naam], tevens handelende als wettelijk vertegenwoordigster van 2. [naam], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als [appellanten] en ieder afzonderlijk als de moeder en [R], advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders-Folmer te Amsterdam, tegen 1DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), gevestigd te Den Haag, 2. HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS, gevestigd te Rijswijk ZH, geïntimeerden, hierna te noemen: de Staat respectievelijk het COA, advocaat: mr. E.E. van der Kamp te Den Haag. Het geding Bij spoedappeldagvaarding (met producties) van 27 juni 2014 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 juni 2014 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in kort geding tussen partijen heeft gewezen. [appellanten] hebben vier grieven tegen het vonnis geformuleerd. De Staat en het COA hebben deze grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de voorzieningenrechter onder 2.1. tot en met 2.9. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. 1.1. [R] is 11 jaar oud. Hij en zijn moeder zijn afkomstig uit Servië. 1.2. [R] lijdt aan de ziekte van Duchenne (een ernstige, progressief verlopende spierziekte) en aan epilepsie. Hij kan niet lopen en maakt gebruik van een elektrische rolstoel. Hij heeft hulp nodig bij (in ieder geval) het douchen, het aankleden en de toiletgang. [R] bezoekt de mytylschool “de Thermiek” in Leiden. Hij wordt behandeld door verschillende medische specialisten. 1.3. De asielaanvraag die [appellanten] in Nederland hebben ingediend, is onherroepelijk afgewezen en ook diverse verzoeken om uitstel van vertrek zijn afgewezen. Meest recent, te weten op 16 april 2014, is de aanvraag van [appellanten] om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vreemdelingenwet (kort gezegd betreffende een uitstel van vertrek vanwege medische redenen) afgewezen. [appellanten] verblijven thans niet rechtmatig in Nederland en zij dienen Nederland te verlaten, bij gebreke waarvan zij kunnen worden uitgezet. De overheid voert momenteel gesprekken met moeder, die zijn gericht op vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst. 1.4. [R] en zijn moeder verblijven in de “[…]” te[…] (hierna: de Gezinslocatie). Aan hen is een vrijheid beperkende maatregel opgelegd in de zin van artikel 56 Vreemdelingenwet 2000. Dergelijke gezinslocaties zijn door de Staat in het leven geroepen ten behoeve van de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers met minderjarige kinderen, onder wie tevens begrepen moeten worden asielzoekers met minderjarige kinderen die slechts rechtmatig verblijf hebben hangende een verblijfsrechtelijke procedure die geen recht op opvang geeft. Hierbij is gekozen voor een sobere en op terugkeer gerichte vorm van voorzieningen. De gezinslocaties vallen onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Het feitelijke beheer en de verstrekking van voorzieningen liggen echter in handen van het COA. 1.5. Bij brief van 25 november 2013 heeft de advocaat van [appellanten] aan de Staat meegedeeld dat de gezinslocatie niet is toegesneden op een kind met beperkingen en niet geschikt is voor bewoning door [R] en zijn moeder. In de brief wordt de Staat verzocht om “de beperkingen van [R] te compenseren door een adequate woonvoorziening aan te bieden in het licht van bovengenoemde problemen”. 1.6. De revalidatiearts van [R], drs. N.J.C. Warmenhoven (hierna: Warmenhoven), heeft op 28 januari 2014 in een brief aan de advocaat van [appellanten] een aantal woningeisen voor [R] geformuleerd. In de brief staat onder meer, voor zover thans relevant, het volgende vermeld: “(…) Woningeisen : Een douche en/of een toiletruimte die ruim genoeg is om de verrijdbare toiletstoel te plaatsen zodat [R] privacy heeft als hij naar het toilet gaat. Een badkamer die ruim genoeg is om [R] goed te kunnen douchen/ verzorgen (eventueel kan dit ook in de ruimte zijn waar [R] naar het toilet kan). Tijdens het douchen zit [R] op de douchestoel. Het moet mogelijk zijn voor moeder om [R] middels de tillift in de douchestoel te krijgen. Voorkeur heeft om deze transfer in de badkamer te laten plaatsvinden. De minimale oppervlakte van de badkamer (een ruimte waarin [R] zou kunnen douchen en naar het toilet zou kunnen gaan) is 6 m2. (…) Een eigen slaapkamer i.v.m. privacy/ een eigen plekje hebben waarin genoeg ruimte is om transfers te maken met de tillift en plek voor zijn hoog/laagbed. Het meest ideaal zou zijn als aan beide zijden van het bed ruimte is voor moeder om hem te kunnen draaien/verzorgen. [R] moet meerdere malen per nacht door moeder gedraaid worden. Dit is zwaar en zij heeft klachten aan haar arm en rug ontwikkeld. Met een minimale ruimte van 8 m2 is er in de slaapkamer genoeg ruimte voor het bed, met daarnaast ruimte voor moeder om hem aan beide kanten te kunnen draaien. Bij deze afmetingen is het ook mogelijk om in de slaapkamer de transfer te kunnen maken met een tillift. Bij deze afmetingen is er echter geen ruimte voor een bureau of kast, deze heeft hij echter wel nodig voor het maken van huiswerk. Een kast is nodig om spullen op te kunnen bergen die nodig zijn voor de verzorging van [R]). Dan is een minimale afmeting van 10-12 m2 nodig. Genoeg ruimte in de woning om in elke ruimte de tillift te kunnen gebruiken (voor een transfer met een tillift is minimaal 90 cm bij 1.8 m. nodig) . (…) Er moet voldoende ruimte zijn om hulpmiddelen te stallen, zoals douchestoel, toiletstoel en elektrische rolstoel. (…) Aparte leefruimte/ woonkamer. Gezien bovenstaande dring ik erop dat er op korte termijn een adequate woonsituatie voor [R] en zijn moeder gecreëerd kan worden. (…)”. 1.7. Bij brief van 18 februari 2014 heeft de kinderpsychiater van [R], dr. A.M. Fredriks (hierna: Fredriks), aan de advocaat van [appellanten] onder meer het volgende geschreven: “(…) Er is sprake van somberheid, suïcidale gedachten, er is een maandelijks terugkerende doodswens en er zijn slaapproblemen, dit alles passend bij een depressieve stoornis. Luxerende factoren zijn de progressieve spierziekte waardoor hij niet meer kan lopen, het gepest worden op het AZC, de één kamer woonsituatie met moeder waar hij alle uren is voor wonen en slapen als hij niet op de Thermiek is en de onzekerheid angst en boosheid of hij teruggaat naar Servië waar hij geen zorg kan krijgen en niet naar school kan gaan vertelt hij. (….) Hij wordt regelmatig gepest over zijn ziekte en het in een rolstoel zitten op het AZC (….). Hij kan niet snel wegkomen in zijn rolstoel op het AZC als hij gepest wordt. Hierdoor zit hij veelal binnen in het weekend en na school. (…) De woon situatie is mijns inziens zorgelijk, aangezien [R] en moeder één kamer delen. Een aparte badkamer met toilet zou voor zijn psychische ontwikkeling meer leeftijdsadequaat zijn en ook praktisch noodzakelijk. Het toilet is te klein voor [R], waardoor hij in een gangetje op een po-stoel zijn behoefte doet. Hij zit hele dagen op de kamer met zijn moeder als hij niet op school zit. Overweging Gezien de klachten van [R] lijkt mij een verbetering in de woonsituatie noodzakelijk voor zijn psychische ontwikkeling en toestand, waarbij hij een eigen ruimte zou moeten hebben om te slapen, een badkamer met toilet waar hij met rolstoel in kan en een plek waar hij naar buiten kan zonder dat hij direct gepest wordt en waardoor angsten worden onderhouden. (…)” 1.8. In maart 2014 heeft er overleg plaatsgevonden tussen partijen. Op 20 maart heeft het COA een (aangepast) aanbod gedaan ter zake van het door [appellanten] te bewonen en aan te passen appartement: “(…) Zoals wij bij brief van 14 maart jl. al voorstelden, bieden wij de woonruimte in gebouw […] aan, waarbij een woonruimte beschikbaar wordt gesteld van 28 m2. Dit is gelijk aan de grootte van de huidige woonruimte. Daarbij heeft de aan te bieden woonruimte een uitgebreide badkamer. De toiletdeur wordt verplaatst van de hal naar de woonkamer, c.q. in de hal wordt ruimte gemaakt middels een schuifdeur of gordijn, zodat het toilet beter toegankelijk is met de verrijdbare toiletstoel c.q. [R] gebruik kan maken van het aanwezige, reguliere toilet. In de woonruimte kan een schuifwand (harmonicamodel) worden gemaakt, waarmee uw cliënten zelf een privéruimte voor [R] kunnen creëren en er voldoende leef-, bewegings- en bergingsruimte overblijft. De kamer is rolstoeltoegankelijk en doorgankelijk en kan van buitenaf zelfstandig worden betreden. (…)”. 1.9. Bij brief van 20 maart 2014 heeft drs. J. de Wit Bsc., huisarts (hierna: De Wit), onder meer opgemerkt dat naar zijn mening uit medisch oogpunt niet hard te maken is dat een eigen ruimte voor [R] vereist is. 1.10. Dezelfde dag heeft Warmenhoven per e-mail enkele bezwaren geformuleerd tegen het aanbod van het COA. Zij schrijft dat het plaatsen van een wandconstructie in de kamer een niet-werkbare situatie oplevert, omdat de te creëren ruimte te klein is. Zij schrijft voorts onder meer: “(….) Wanneer als optie gekozen wordt om alleen de aparte ruimte te maken voor [R] zonder daar het bed te plaatsen, dan blijft er te weinig ruimte over in de overige ruimte voor het plaatsen van beide bedden, een tafel, kasten, alle voorzieningen (douchestoel, toiletstoel, tillift, rolstoel) en het rijden en draaien met zijn elektrische rolstoel. Er moet rekening worden gehouden met het progressieve karakter van zijn aandoening waarbij de verzorging steeds intensiever zal worden en het aantal en de grootte van de voorzieningen toe zullen nemen (…).” Van Warmenhoven adviseert voorts het aanbieden van een verrijdbare, gecombineerde douche/toiletstoel die in de doucheruimte past en door de deuropeningen kan. 1.11. Op 31 maart 2014 heeft (kinder)ergotherapeut I. Vogel-Tijl op verzoek van de Staat gerapporteerd. Volgens haar wordt er met de “aanpassingen aan de toiletsituatie en de slaapplek bijgedragen aan een leefbare situatie”. Zij merkt daarnaast op dat rekening moet worden gehouden met het progressieve karakter van de ziekte van Duchenne, omdat het in de lijn der verwachting ligt dat de gewenste aanpassingen binnen afzienbare tijd ook niet meer voldoende zullen zijn. 1.12. Fredriks heeft op 28 april 2014 haar zorgen geuit over de impact van het voorstel van de Staat op de psychische gesteldheid van [R]. Zij heeft onder meer geschreven dat de verdere psychische ontwikkeling van [R] naar haar mening niet voldoende geborgd kan worden in geval van een tussenschot in de bestaande kamer in plaats van twee aparte kamers. Zij heeft haar brief als volgt afgesloten: “Samenvattend, [R] zou voor zijn emotionele- en psychische ontwikkeling en ter ondersteuning van zijn behandeling van zijn psychische problemen zeer gebaat zijn bij meer ruimte, zelfstandigheid en privacy.”. 1.13. Verzekeringsarts L. ten Hove (hierna: Ten Hove) heeft op 14 mei 2014 op verzoek van de Staat haar bevindingen medegedeeld. In haar rapportage staat onder meer, voor zover thans relevant, vermeld: “Het kader Er dient een opvang en verzorgingsniveau geboden te worden ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie. Daarbij dient er rekening gehouden te worden met de bijzondere belangen van -zeker jonge- kinderen. Hierbij dienen familiebanden zoveel mogelijk intact gehouden te worden. (…) CONCLUSIE Bestaat er een medische noodzaak om [R] een eigen kamer ter beschikking te stellen? > Er is op grond van de aangeleverde informatie geen medische noodzaak te stellen voor een eigen kamer, wel voor een woonruimte die het toelaat cliënt te verzorgen en die het toelaat dat cliënt zich met de rolstoel in de woning kan verplaatsen. (...)”. 1.14. Bij brief van 16 mei 2014 heeft het COA aan eisers het volgende voorstel gedaan: “(…) Wij bieden uw cliënten de woonruimte aan in gebouw […], waarbij een woonruimte beschikbaar wordt gesteld van 28 m2. Dit is gelijk aan de grootte van de huidige woonruimte. Daarbij heeft de aan te bieden woonruimte een uitgebreide badkamer. De toegang tot het toilet wordt vervangen door een schuifwand (harmonicamodel), terwijl de toiletpot een kwartslag wordt gedraaid. Het fonteintje in het toilet blijft gehandhaafd. Hiermee is het voor uw cliënt mogelijk om met de toiletstoel boven het toilet te komen, waarbij uw cliënte zich om haar zoon kan bewegen. Aanvullend daarop bieden wij uw cliënt een gecombineerde toilet-/douchestoel aan. In de woonruimte kunnen we door schuifwanden een privacy-ruimte creëren voor uw cliënt. De inrichting daarvan bepalen we graag in overleg met uw cliënten, aangezien dit mede afhankelijk is van de plaats waar uw cliënten het ‘hoog-laagbed’ plaatsen. De drempel voor de woonruimte passen we zodanig aan dat uw cliënt hier met zijn rolstoel eenvoudig overheen komt. De kamer is rolstoeltoegankelijk en doorgankelijk en kan van buitenaf zelfstandig worden betreden. (…)”. 1.15. [appellanten] hebben het aanbod van 16 mei 2014 niet geaccepteerd. De aanpassingswerkzaamheden zijn daarom niet uitgevoerd. 2. [appellanten] vorderen een veroordeling van de Staat en het COA om per direct adequate opvang te bieden aan [R] en zijn moeder, aangepast aan de bijzondere behoeften van [R], zoals vastgesteld door zijn behandelende artsen. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Vordering tegen het COA 3. [appellanten] hebben geen grief gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het COA niet kan worden aangesproken op gebreken in de voorzieningen en de daarbij behorende faciliteiten en dat de vordering jegens het COA daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. Dit staat in appel dus vast. Vordering tegen de Staat 4. Met grief 1 betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter een onjuist criterium heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vordering. Volgens [appellanten] volgt de juiste maatstaf uit eerdere arresten van dit hof en van de Hoge Raad (te weten het arrest van dit hof van 11 januari 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BO9924 en het daarop volgende arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328, alsmede het arrest van dit hof van 18 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1237). Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is gemaakt dat de behandelaars van [R] als uitgangspunt hebben genomen het niveau dat nodig is ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie, terwijl grief 3 klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat het niveau van de voorzieningen niet zodanig is dat een humanitaire noodsituatie niet kan worden voorkomen. Met grief 4, tot slot, betogen [appellanten] dat de voorzieningenrechter onvoldoende aandacht heeft geschonken aan het progressieve karakter van de ziekte van [R]. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 5. Voorop staat dat uit het hierboven reeds aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 21 september 2011 volgt dat op de Staat de rechtsplicht rust om, waar valt te voorzien dat uitgeprocedeerde asielzoekers die niet voldoen aan hun plicht om Nederland te verlaten niet de middelen (zullen) hebben om voor de bij hen verblijvende minderjarige kinderen te zorgen, voor die kinderen in adequate opvang en verzorging te voorzien, waarbij hun recht op familie- en gezinsleven met hun ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.