GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.137.740/01 Rolnummer rechtbank : 2278046 / 13-4562 Arrest van 11 november 2014 in de zaak van Lyneth B.V., gevestigd te Den Haag, appellante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, hierna te noemen: Lyneth, advocaat: mr. E. Tamas te Den Haag, tegen [geïntimeerde], wonende te [geïntimeerde], geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. J.C. Debije te Rotterdam. Het geding Voor het verloop van het geding tot 14 januari 2014 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. De bij dat tussenarrest gelaste comparitie heeft op 19 maart 2014 plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Ten behoeve van de comparitie heeft de advocaat van Lyneth bij brieven van 14 maart 2014 en 17 maart 2014 stukken aan het hof toegestuurd en toegelicht. De comparitie is op 18 juni 2014 voortgezet. Hiervan is eveneens proces-verbaal opgemaakt. Ter voorbereiding van de voortzetting van de comparitie heeft de advocaat van [geïntimeerde] bij brief van 16 juni 2014 een stuk aan het hof toegestuurd. Bij memorie van grieven en tevens incidentele vordering, met producties, heeft Lyneth één grief aangevoerd tegen het bestreden vonnis en een incidentele vordering ingesteld. [geïntimeerde] heeft vervolgens bij conclusie van antwoord op de incidentele vordering de incidentele vordering bestreden. Hierna heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd en hebben partijen arrest in het incident gevraagd. Beoordeling van de incidentele vorderingen 1.1 Tegen de vaststelling door de rechtbank van de in het vonnis vermelde feiten is in hoger niet opgekomen, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het gaat daarbij, samengevat, om het volgende. 1.2 [geïntimeerde] is als administratief medewerkster op 26 maart 2012 bij Lyneth in dienst getreden voor bepaalde tijd. De overeenkomst is door partijen verlengd tot – in ieder geval – 26 september 2013. 1.3 Bij de gedingstukken bevindt zich een door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, waarin onder artikel 6 staat vermeld dat het bruto maandsalaris € 1.460,- bedraagt. 1.4 [geïntimeerde] heeft verlof gekregen om van 27 mei 2013 tot en met 21 juni 2013 naar China te reizen. op 24 juni 2013 diende zij haar werkzaamheden te hervatten. 1.5 Op 18 juni 2013 heeft [geïntimeerde] per e-mail aan Lyneth laten weten in verband met problemen op het gebied van eigendom van een huis, haar Chinese nationaliteit en verzekeringskwesties niet op tijd terug in Nederland te kunnen zijn. 1.6 Op 10 juli 2013 heeft [geïntimeerde] een gesprek met Lyneth gehad over de redenen van de verlate terugkeer van [geïntimeerde]. 1.7 Op 17 juli 2013 heeft Lyneth [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. 1.8 Op 18 juli 2013 heeft [geïntimeerde] een e-mail aan Lyneth gestuurd met onder meer de volgende inhoud: “Thusfar I did not receive any further explanation or confirmation from you about the exact reasons why you fired me. Would you be so kind to inform me soonest? (…)”, waarop Lyneth op dezelfde datum per e-mail heeft gereageerd met onder meer de volgende tekst: “je bent ontslagen wegens zeer dringende redenen, waaronder ongeoorloofd verlof”. 1.9 [geïntimeerde] heeft in dit kort geding in eerste aanleg, na eiswijziging, gevorderd dat Lyneth uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen het overeengekomen salaris vanaf 10 juli 2013 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig mocht blijken te zijn geëindigd, alsmede de salarisstroken te verstrekken over het gehele dienstverband onder verbeurte van een dwangsom van € 200,- voor elke dag dat Lyneth daarmee nalatig blijft, alsmede te betalen een bedrag van € 129,- wegens vermogensschade in de vorm van de door [geïntimeerde] betaalde eigen bijdrage aan haar advocaat, met proceskosten. 2. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis in kort geding de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met dien verstande dat aan de te verbeuren dwangsommen een maximum van € 10.000,- is gesteld, alles uitvoerbaar bij voorraad. 3. Het bestreden vonnis is aan Lyneth betekend op 23 juni 2014, met bevel tot betaling en sommatie tot het verstrekken van salarisstroken over de maanden juni, juli en augustus 2014. Bij exploit van 30 juli 2014 heeft [geïntimeerde] aan Lyneth doen aanzeggen dat dwangsommen waren verbeurd tot een bedrag van € 4.600,- en ook daarvoor bevel tot betaling gedaan. Op 7 juli 2014 en op 31 juli 2014 is op verzoek van [geïntimeerde] ten laste van Lyneth executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Rabobank. 4. Lyneth heeft incidenteel gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 10 oktober 2013 wordt geschorst, al dan niet tegen zekerheidstelling, voor zover zij daarin is veroordeeld tot betaling van salaris en tot verstrekking van salarisstroken, alsmede dat [geïntimeerde] wordt bevolen de uit hoofde van deze veroordelingen gelegde beslagen onverwijld op te heffen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de executie. Aan deze incidentele vordering legt Lyneth het volgende ten grondslag. In de eerste plaats heeft [geïntimeerde] beslag gelegd op de rekening van Lyneth voor een bedrag van in hoofdsom € 5.362,38, terwijl het netto salaris van [geïntimeerde] over de periode 10 juli 2013 tot 26 september 2013, toen de arbeidsovereenkomst eindigde, slechts € 3.271,02 beliep. Om die reden is het beslag volgens Lyneth onrechtmatig. Voorts wijst Lyneth erop dat zij voor het bedrag van het netto salaris zekerheidsstelling heeft aangeboden, die door [geïntimeerde] niet is aanvaard, waardoor de bedrijfsactiviteiten van Lyneth belemmerd zijn. In de tweede plaats voert Lyneth aan dat alle indertijd beschikbare salarisstroken reeds ter zitting in eerste aanleg, en de salarisstroken over juli, augustus en september 2013 nadien binnen de sommatietermijn, aan [geïntimeerde] zijn overgelegd. Om die reden treft de veroordeling tot verstrekking van salarisstroken geen doel meer en is het beslag dat op de rekening van Lyneth is gelegd tot inning van dwangsommen onrechtmatig en vexatoir, aldus Lyneth. 5. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. De wet staat evenwel in hoger beroep de appelrechter toe op vordering van een partij de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te schorsen (artikel 351 Rv). Ten aanzien van de maatstaven die behoren te worden aangelegd bij de beoordeling van (de ontvankelijkheid van) een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis, geldt (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, NJ 2008/311, ECLI:NL:HR:2008:BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.