ECLI:NL:GHDHA:2014:3938
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-13/01803 Uitspraak van 21 november 2014 in het geding tussen: [X] te [Z], belanghebbende, en de directeur van de Belastingdienst, kantoor [P], de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 november 2013, nummer SGR 12/5711.
Voldoening op aangifte, bezwaar en beroep 1.1.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op de aangifte overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging van een woning.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de voldoening op aangifte gehandhaafd.
1.3.
Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 42 is geheven.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Hoger beroep 2.1.
Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 118 is geheven.
2.2.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
Van de zijde van belanghebbende zijn op 13 en 14 mei 2014 stukken ontvangen, die ter kennisneming van de Inspecteur zijn gebracht. Van de zijde van de Inspecteur is op 26 mei 2014 een reactie op de stukken ontvangen. Een afschrift is aan belanghebbendes gemachtigde gezonden en zij is in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren. Telefonisch heeft zij te kennen gegeven geen aanleiding te zien nog te reageren en dat uitspraak kan worden gedaan.
2.4.
Op verzoek van belanghebbende en met instemming van de Inspecteur heeft geen mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad.
2.5.
Met partijen is afgesproken dat de over en weer ingenomen stellingen dezelfde zijn als die in de procedures inzake het hoger beroep van [A] (BK-13/01262) en het hoger beroep van [B] (BK-13/01263), in welke zaken het Hof op 2 mei 2014 uitspraak heeft gedaan. In verband daarmee rekent het Hof afschriften van de desbetreffende uitspraken, het bijbehorende proces-verbaal van de zitting, de op die zitting overgelegde en voorgedragen pleitnota en de voorafgaande aan die zitting ingekomen brief tot de stukken van het geding.
Feiten 3.1.
Belanghebbende heeft met zijn echtgenote mevrouw [Y] een woning gekocht voor € 295.000.
3.2.
Op 26 mei 2011 is de woning aan belanghebbende en diens echtgenote geleverd. Ter zake van deze verkrijging is op de aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting naar een tarief van zes percent voldaan. De belasting, groot € 17.700, is voor de helft ten laste van belanghebbende gekomen.
De rechtbank 4. De rechtbank heeft overwogen: (…) Handvest 8. [ Belanghebbende] heeft terecht aangevoerd dat in artikel 52, derde lid, van het Handvest is bepaald dat deze bepaling (artikel 52) niet verhindert dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. Uit artikel 51 van het Handvest volgt echter dat lidstaten alleen gebonden zijn aan het Handvest wanneer zij optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie. De heffing van overdrachtsbelasting betreft geen uitvoering van het Unierecht en valt in het onderhavige geval ook anderszins niet binnen het toepassingsgebied van het EU-recht. Het Handvest vindt in deze dan ook geen toepassing.
Formele rechtskracht 9. Desgevraagd heeft [belanghebbende] ter zitting nader toegelicht dat sprake is van schending van het leerstuk van de formele rechtskracht omdat tot zes weken na de voldoening op aangifte in bezwaar kon worden gekomen. Op 15 juni 2011 stond het bedrag van de verschuldigde belasting nog niet onherroepelijk vast. Daarom heeft [belanghebbende] recht op toepassing van het tarief van 2%. De rechtbank kan [belanghebbende] in deze stelling niet volgen. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 wordt overdrachtsbelasting geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken. Dit brengt met zich dat de verschuldigde belasting wordt berekend naar het tijdstip van de verkrijging. Dat ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tegen de voldoening op aangifte bezwaar en beroep kan worden ingesteld, doet aan het tijdstip van de verschuldigdheid van de belasting niet af.
Overdrachtsbelasting 10. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 januari 2012 en de daarbij gegeven terugwerkende kracht voor verkrijgingen tot en met 15 juni 2011, in aanmerking komt voor toepassing op het hier voorliggende geval. Gezien de duidelijke bewoordingen van artikel XXXVIII van de Wet en het feit dat de onroerende zaak door [belanghebbende] is verkregen vóór 15 juni 2011, is dit niet het geval.
Arrest Hoge Raad 11. Aangaande de stelling van [belanghebbende] dat de beperking van de terugwerkende kracht van de wijziging van artikel 14 van de Wet BRV tot 15 juni 2011 in strijd komt met het verbod van discriminatie zoals dat is neergelegd in internationale verdragen, met name artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het Bupo, overweegt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2013; 12/04289 (ECLI:NL:HR:2013:BZ7863) in een zaak als de onderhavige het oordeel van het Hof bevestigd, dat de terugwerkende kracht tot 15 juni 2011 waarmee deze wetswijziging is ingevoerd, geen met het verdragsrecht strijdige discriminatie vormt. Evenmin is sprake van strijd met het recht op eigendom zoals neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM. Gelet hierop verwerpt de rechtbank deze stelling.
Dwangsom 12. In de uitspraak op bezwaar van 4 juni 2012 heeft [de Inspecteur] tevens het verzoek van [belanghebbende] om toekenning van een dwangsom afgewezen. [Belanghebbende] stelt dat hij recht heeft op de maximale dwangsom, nu [de Inspecteur], nadat hij bij brief van 23 november 2011 in gebreke was gesteld, niet tijdig op het bezwaarschrift heeft beslist.
12.1.
Niet in geschil is dat de uitspraak op bezwaar is gedagtekend 4 juni 2012 en dus ruim na ommekomst van de wettelijke beslistermijn is genomen.
12.2. [ De Inspecteur] heeft het standpunt van [belanghebbende] gemotiveerd betwist. [De Inspecteur] stelt dat er geen sprake is van een gerichte ingebrekestelling. De ingebrekestelling is niet voldoende gespecificeerd en het is niet duidelijk op welke voldoening(en) die ziet. Verder stelt [de Inspecteur] dat de ingebrekestelling prematuur is. [Belanghebbende] heeft (telkens) impliciet toestemming gegeven voor de verlenging c.q. opschorting van de beslistermijn.
Eerder blijkt het tegendeel uit de brief van 15 november 2011 van de gemachtigde aan de belastingdienst Regio [Q], waarin de gemachtigde toestemming verleent tot een verlenging van de beslistermijn tot 1 februari 2012. Daar komt bij dat op 23 november 2011 niet duidelijk was voor welke belastingplichtigen de gemachtigde op dat moment optrad. Het ging om een dermate groot aantal bezwaarschriften dat van de gemachtigde kon worden verlangd dat zij in de ingebrekestelling zou hebben gespecificeerd waarop deze ziet (vgl. ABRvS, 25 juli 2012, 201200696/1/A2; ECLI:NL:RVS:2012:BX2554). Gelet op het hiervoor overwogene kunnen de brieven van gemachtigde van 23 november 2011 en/of van 15 december 2011 niet worden beschouwd als formele ingebrekestelling(en).
Proceskosten 27. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. (…) Geschil en standpunten 5.1.
In hoger beroep houdt partijen het antwoord op de vraag verdeeld of ter zake van de verkrijging van de woning het tarief van zes dan wel twee percent van toepassing is. Belanghebbende heeft zich ook gekant tegen het besluit van de Inspecteur tot afwijzing van het verzoek om toekenning van een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
5.2.
Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.
Beoordeling 6.1.
De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met juistheid beslist dat geen rechtsbeginsel, in het bijzonder het beginsel van het verbod van discriminatie, in de weg staat aan het ter zake van de verkrijging van de woning toepassen van het tarief van zes percent, in plaats van het met ingang van 15 juni 2011 voor verkrijgingen van woningen geldende wettelijke tarief van twee percent. Het Hof ziet, de overwegingen van de rechtbank overnemend, in geen van de stellingen die belanghebbende in beroep en in hoger beroep over diverse nationale, Unierechtelijke en internationale rechtsregels heeft aangevoerd, noch anderszins een rechtvaardiging, vooral ook in aanmerking nemende HR 14 juni 2013, nr. 12/03630, ECLI:NL:HR:2013:BZ7857, een verkrijging van vóór 15 juni 2011 ook onder het tarief van twee percent te laten vallen. De stelling van belanghebbende dat het redelijk(er) is de regeling van de terugwerkende kracht (ook) te doen gelden voor verkrijgingen van vóór 15 juni 2011 ter zake waarvan de belasting is of kon worden voldaan op of na 15 juni 2011, betekent niet, wat ook zij van die stelling, dat de regeling die de wetgever heeft gekozen rechtens niet deugdelijk is. Er is geen rechtsbeginsel dat zo ver gaat, dat de wetgever is gehouden, ook in het licht van de hem op dit gebied toekomende ruime beoordelingsmarge, aan de tariefverlaging een andere, door belanghebbende gewenste, terugwerkende kracht te geven.
6.2.
De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel evenzeer met juistheid beslist dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op toekenning van een dwangsom. Het Hof stelt vast dat de rechtbank aan de hand van een zorgvuldige analyse van de vele correspondentie tussen belanghebbende, althans diens gemachtigde, en de Belastingdienst inzichtelijk heeft gemaakt hoe de precieze communicatie met betrekking tot de afwikkeling van het bezwaarschrift is verlopen en is met de Inspecteur van oordeel dat de rechtbank op basis van die analyse terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van de voor toekenning van een dwangsom vereiste ingebrekestelling. Uit het geheel van voorhanden zijnde gegevens leidt het Hof af dat uit niets blijkt, nog afgezien dat de discussie met de Belastingdienst al die tijd nog gaande was, dat belanghebbendes gemachtigde in de bezwaarfase op enig moment de Inspecteur onder de aandacht heeft gebracht dat een uitspraak op bezwaar wordt verlangd. Integendeel, ondanks dat de gemachtigde de Inspecteur enkele keren in kennis heeft gesteld dat de termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar is verstreken, is de Inspecteur niet gemaand tot het op een aangegeven termijn nemen van een voor beroep vatbare beslissing.
6.3.
Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.
Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M. Visser. De beslissing is op 21 november 2014 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.