GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nrs. BK-14/00368 tot en met BK-14/00372 Uitspraak van 18 november 2014 in het geding tussen: [X], wonende te [Z], belanghebbende, en de Inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [P], de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2014, nummer SGR 13/7464 tot met SGR 13/7467 en SGR 13/7469, betreffende na te vermelden aanslagen en beschikkingen. Navorderingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. Aan belanghebbende zijn de volgende navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en vergrijpboeten opgelegd: voor 2005 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.389 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.107. Deze aanslag beloopt na verrekening van voorheffingen € 21.334. Met deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete van € 5.333 opgelegd en € 4.741 aan heffingsrente in rekening gebracht; voor 2006 een navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.174, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 11.850 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 39.315. Deze aanslag beloopt na verrekening van voorheffingen € 8.062. Met deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete van € 2.015 opgelegd en € 1.635 aan heffingsrente in rekening gebracht; voor 2007 een navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.318, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 784.973 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 71.877. Deze aanslag beloopt na verrekening van voorheffingen € 8.109. Met deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete van € 2.027 opgelegd en € 1.281 aan heffingsrente in rekening gebracht; voor 2008 een navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.929, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 32.162 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 99.118. Deze aanslag beloopt na verrekening van voorheffingen € 14.069. Tegelijk met deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete van € 3.517 opgelegd en € 1.503 aan heffingsrente in rekening gebracht; voor 2009 een navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.277, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 9.015 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 91.233. Deze aanslag beloopt na verrekening van voorheffingen € 2.253. Met de navorderingsaanslag is bij beschikking een vergrijpboete van € 563 opgelegd en is € 132 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen inzake de heffingsrente bezwaarschriften ingediend bij de Inspecteur. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV voor 2005 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.002 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 60.154. Na vermindering beloopt de navorderingsaanslag € 11.114, de heffingsrente €2.471 en de vergrijpboete nihil. de navorderingsaanslag IB/PVV voor 2006 gehandhaafd na wijziging van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 3.200 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 46.521. De in rekening gebrachte heffingsrente is eveneens gehandhaafd. De vergrijpboete is verminderd tot op € 80; de navorderingsaanslag IB/PVV voor 2007 met € 1 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.318, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 777.143 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 78.403. De in rekening gebrachte heffingsrente is gehandhaafd. De vergrijpboete is verminderd tot op € 51; de navorderingsaanslag IB/PVV voor 2008 gehandhaafd na wijziging van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 28.093 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 102.508. De in rekening gebrachte heffingsrente is eveneens gehandhaafd. De vergrijpboete is verminderd tot op € 702; de navorderingsaanslag IB/PVV voor 2009 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.277, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 4.722 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 91.233. Na vermindering beloopt de navorderingsaanslag € 1.180, de heffingsrente € 69 en de vergrijpboete € 118. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Griffierecht is geheven van € 122. 2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2014, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende is in de jaren 2005 tot en met 2008 eigenaar van de onroerende zaken [a-straat 1], [a-straat 2], [a-straat 3] en [a-straat 4], inclusief bovenwoningen, en van de [b-straat 1], inclusief bovenwoning te [Q] (de panden). 3.2. De panden zijn midden jaren negentig en begin jaren 2000 verkregen van derden voor in totaal € 2.384.158. 3.3. De panden exclusief de bovenwoningen zijn door belanghebbende verhuurd aan [A] B.V. die hierin een [B]-vestiging exploiteerde. De certificaten van de aandelen in [A] B.V. zijn in het bezit van de dochter van belanghebbende. De zeggenschap van de aandelen komt toe aan belanghebbende door middel van de Stichting [C]. 3.4. In 2007 is de [B]-vestiging verplaatst naar de [c-straat] te [Q]. Aanleiding is geweest de aankoop van de [D]-vestiging aan de [c-straat] door [E] in 2006. Sinds medio 2007 staat, als gevolg van de verplaatsing van de [B]-vestiging, de winkelruimte aan de [a-straat 1], [a-straat 2], [a-straat 3] en [a-straat 4] leeg. 3.5. In april 2009 verkoopt en levert belanghebbende de panden aan [F] B.V. De verkoopprijs van de panden bedraagt € 3.650.000. Blijkens de akte van levering is de winkelruimte voor € 1.915.000 verkocht. De bovenwoningen hebben € 1.735.000 opgebracht. 3.6. In zijn aangiften IB/PVV voor 2005 tot en met 2009 heeft belanghebbende de panden in box 3 voor de volgende waarden in aanmerking genomen: 2005 € 1.903.054 (1 januari) respectievelijk € 1.990.217 (31 december); 2006 € 2.055.000 (1 januari) respectievelijk € 2.055.000 (31 december); 2007 € 2.055.000 (1 januari) respectievelijk € 2.240.344 (31 december); 2008 € 2.240.344 (1 januari) respectievelijk € 2.217.765 (31 december); 2009 € 2.217.765 (1 januari). 3.7. Op 27 oktober 2010 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende en [A] B.V. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en vennootschapsbelasting voor 2005 tot en met 2008 en de aangiften omzetbelasting voor de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009. Van de bevindingen van dit onderzoek is een rapport (het rapport) gemaakt, gedagtekend 23 september 2011. Een kopie van het rapport behoort tot de gedingstukken. 3.8. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderwerpelijke navorderingsaanslagen en boetes opgelegd. De Inspecteur heeft de waarde van de panden gecorrigeerd. In bezwaar heeft belanghebbende bepleit dat de panden in box 3 in aanmerking moeten worden genomen voor een lagere waarde dan in de aangiften is vermeld. 3.9. Partijen hebben in de bezwaarfase een compromis bereikt dat is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben – samengevat weergegeven – over al hetgeen hen verdeeld hield overeenstemming bereikt, met uitzondering van de vraag tegen welke waarden de panden in box 3 in aanmerking dienen te worden genomen en de hoogte van de proceskostenvergoedingen voor de bezwaarfase. De vaststellingsovereenkomst luidt: “Vaststellingsovereenkomst Naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek bij [A] B.V. over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009 zijn bezwaren vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting, omzetbelasting en loonbelasting gemaakt. Naar aanleiding van de behandeling van de bezwaren is deze vaststellingsovereenkomst samengesteld. Partij 1: [A] B.V., vertegenwoordigd door de heren [G] van [H] en [X] bestuurder van [A] B.V. en [X] vertegenwoordigd door de heren [G] van [H] en door belanghebbende [X] zelf Partij 2: De inspecteur van de Belastingdienst/kantoor [P], vertegenwoordigd door de heren mr. [I] en [J], als zodanig gemandateerd door de voorzitter van het managementteam Belastingdienst. Verklaren hierbij een vaststellingsovereenkomst te hebben gesloten als bedoeld in artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek, ter beëindiging van een geschil naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek met betrekking tot de jaren 2005 tot en met 2009. Partij 1 en 2 geven er de voorkeur aan om de geschilpunten op te lossen in een compromis tot afronding van de bezwaarfase. Ter finale afronding is onderstaande afgesproken en overeengekomen. (…) 5. WOZ waarde (punt 6.3) Er is wat betreft de WOZ waarden van de panden geen overeenstemming bereikt. Partij 1 gaat uit van een lagere waarde dan in de aangiften is aangegeven. Partij 2 gaat uit van een hogere waarde dan de aangebrachte correctie. Partij 1 heeft aangegeven betreffende de waarde te gaan procederen met het recht op volledige interne compensatie indien de rechter het standpunt van partij 1 zal volgen. Partij 2 zal dientengevolge uitspraak op bezwaar doen met ook het recht op volledige interne compensatie. 6. De opgelegde aanslag inkomstenbelasting 2005 is foutief opgelegd. De aanslag zal hersteld worden. 7. Partij 1 heeft afgezien van het recht om te worden gehoord. Heffings- en invorderingsrenterente Heffingsrente en invorderingsrente worden berekend conform de wettelijke bepalingen. Afstand van rechtsmiddelen Partij 1 verklaart dat zij afziet van enig recht van bezwaar of beroep. Dit behoudens bovengenoemd punt 5, de WOZ waarde. Vergoeding proceskosten bezwaarfase Partij 2 zal in zijn uitspraken op de bezwaren ook uitspraak doen over de kostenvergoeding. Hierop zijn de rechten van bezwaar en beroep van toepassing.” Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1.1. Partijen houdt het antwoord op de vragen verdeeld of de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen voor 2005 tot en met 2009, alsmede de opgelegde boete- en heffingsrentebeschikkingen terecht – en zo ja – tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend, belanghebbende ontkennend. 4.1.2. Voorts is de hoogte van de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoedingen voor de bezwaarfase in geschil. Tussen partijen is niet in geschil dat zij gebonden zijn aan de door hen ondertekende vaststellingsovereenkomst. 4.2.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de panden in box 3 voor een te hoog bedrag in aanmerking zijn genomen. Het betoog van belanghebbende strekt ertoe de waarde van de panden te bepalen conform de huurwaardekapitalisatiemethode. Deze methode houdt volgens hem rekening met waardebepalende factoren, waaronder de staat waarin de panden verkeren en een nettorendement tussen de 8 en 10 percent per jaar. Belanghebbende doet tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel. 4.2.2. Belanghebbende stelt daarnaast dat de Inspecteur niet tot navorderen mocht overgaan omdat geen sprake is van een feit dat de inspecteur niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn en dat ten onrechte de nagevorderde belasting in box 2 en de daarmee samenhangende boeten niet zijn verminderd tot nihil. 4.2.3. Voorts betoogt belanghebbende dat de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd dient te worden tot nihil, omdat de Inspecteur niet de nodige voortvarendheid heeft betracht bij het opleggen van de navorderingsaanslagen en het doen van uitspraak op bezwaar. 4.2.4. Belanghebbende stelt tot slot dat de door de Inspecteur toegekende proceskostenvergoedingen te laag zijn. Hij verzoekt tevens om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding. 4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij de navorderingsaanslagen, boetes en heffingsrente bij de uitspraken op bezwaar nader heeft vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst en dat hij de panden eerder tegen een te lage dan tegen een te hoge waarde in box 3 in aanmerking heeft genomen. Ook stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding en dat de voor de bezwaarfase toegekende forfaitaire proceskostenvergoedingen niet te laag zijn. Conclusies van partijen 5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt, naar het Hof begrijpt, tot vermindering van de navorderingsaanslagen en dienovereenkomstige vermindering van de boeten en in rekening gebrachte bedragen aan heffingsrente. 5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank 6. De rechtbank heeft – voor zover thans van belang – overwogen: “19. Gelet op het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst kunnen op grond daarvan in beroep alleen de waarde van de panden en de hoogte van de aan [belanghebbende] toegekende proceskostenvergoedingen ter discussie staan. Dat betekent dat hetgeen [belanghebbende] stelt met betrekking tot de afwezigheid van een nieuw feit hier niet aan de orde kan komen, ook niet ten aanzien van de (waardering van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.