Nummer 001267-14 datum uitspraak 18 december 2014 GERECHTSHOF DEN HAAG Meervoudige raadkamer BESCHIKKING gewezen op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 juni 2014 op een verzoekschrift, op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering ingediend door: [naam verzoeker], geboren op [datum] te [plaats], adres: [adres], in deze zaak woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn advocaat mr. A. Boumanjal aan de Croeselaan 244, Postbus 1286, 3500 BG Utrecht. Procesgang Verzoeker heeft in zijn strafzaak de periode van 2 oktober 2012 tot zijn invrijheidstelling op 16 november 2012 in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht. Verzoeker is bij inmiddels onherroepelijk vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 december 2013 vrijgesproken van het aan hem in zijn strafzaak tenlastegelegde. Verzoeker heeft vervolgens bij een op 20 februari 2014 ter griffie van de rechtbank Den Haag ingekomen verzoek-schrift gevraagd hem op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering een bedrag toe te kennen van € 3.910,- als vergoeding voor geleden immateriële schade (6 x € 105,- + 41 x € 80,-), te vermeerderen met een bedrag van € 688,42 als vergoeding voor geleden materiële schade als gevolg van inkomstenderving (bezoldiging, vakantietoeslag en winstdelingsregeling). De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 17 juni 2014 het verzoek toegewezen tot een bedrag van € 3.675,- (3 x € 105,- + 42 x € 80,-) als vergoeding voor de tijd die verzoeker in zijn strafzaak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met afwijzing van het verzoek voor het overige. De rechtbank heeft daartoe overwogen: “Deze rechtbank pleegt, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding op basis van artikel 89 Sv te relateren aan zogenaamde forfaitaire bedragen, die zijn vastgesteld door het landelijk overleg van voorzitters van strafsectoren (LOVS). Daarbij hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat in beginsel zonder onderzoek naar de schadefactoren van een specifiek geval deze vastgestelde forfaitaire bedragen worden toegekend. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is plaats voor toekenning van een hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding. Dat een zodanig zeer uitzonderlijk geval zich voordoet zal door de verzoeker moeten worden gesteld en deugdelijk onderbouwd. In de thans voorliggende zaak heeft verzoeker gesteld dat hij inkomen is misgelopen. In raadkamer heeft de raadsvrouw van verzoeker betoogd dat de rechtbank genoemd bedrag zou moeten toekennen naast het forfaitaire bedrag zoals vastgesteld door het LOVS. De rechtbank oordeelt dat de door het LOVS vastgestelde forfaitaire bedragen zowel een component voor materiële schade bevatten als een component voor immateriële schade, en dat dit betekent dat ook voor de materiële schade geldt dat die in beginsel in de forfaitaire bedragen is begrepen, tenzij sprake zou zijn van een zeer uitzonderlijk geval. De rechtbank grondt dit oordeel op het volgende. Voorop staat dat artikel 89 lid 1 Sv de mogelijkheid opent een vergoeding toe te kennen voor schade ten gevolge van (onder meer) ondergane voorlopige hechtenis, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat onder schade in de zin van dit artikel is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Alleen daarom al zal een forfaitaire vergoeding die ziet op schade ingevolge dit artikel noodzakelijkerwijs betrekking hebben op zowel materiële als immateriële schade. Zie ook Tekst en Commentaar Strafvordering (negende druk), aantekening 3 bij artikel 89 Sv: “In de praktijk worden doorgaans standaardtarieven van het LOVS gehanteerd, omvattende de totale schade (onderstreping rechtbank)... Dat bij het vaststellen van de forfaitaire vergoedingen van een andere gedachte is uitgegaan is de rechtbank niet gebleken en dit is ook nauwelijks voorstelbaar, nu het doel van een forfaitaire vergoeding nu juist is discussies omtrent de exacte hoogte van de geleden schade in de meeste gevallen overbodig te maken. Daarbij past niet dat omtrent één onderdeel van de schade op grond van artikel 89 Sv wel een forfaitaire vergoeding zou worden vastgesteld, maar omtrent het andere onderdeel niet, met als gevolg dat daarover dan toch weer telkens een inhoudelijke discussie zou moeten (kunnen) plaatsvinden. Dat in casu sprake zou zijn van een zeer bijzonder geval waarin een hogere vergoeding ter zake van materiële schade zou moeten worden toegekend dan reeds in de forfaitaire vergoeding is begrepen is gesteld noch gebleken. De rechtbank zal in dit geval aan verzoeker de forfaitaire vergoeding van in totaal € 3.675,00 toekennen voor de tijd in verzekering (en naar het hof begrijpt: en in voorlopige hechtenis) doorgebracht. Hieruit volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet een hogere vergoeding dan de gebruikelijke, te weten € 105,00 voor elke dag door verzoeker in verzekering en € 80,00 voor elke dag door verzoeker in voorlopige hechtenis doorgebracht, toe te kennen.” Namens verzoeker is op 26 juni 2014 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld. Het hof heeft dit hoger beroep op 16 oktober 2014 in het openbaar in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de verzoeker, diens advocaat mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, en de advocaat-generaal mr. M. Bode. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep. Beoordeling van de beschikking waarvan beroep De beschikking waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt. Beoordeling van het verzoek De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van de door hem onder-gane verzekering en voorlopige hechtenis, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Nu het hof die gronden van billijkheid aanwezig acht, dient aan verzoeker voor de materiële en immateriële schade, die hij heeft geleden als gevolg van de tijd die hij in zijn strafzaak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, een vergoeding te worden toegekend. Voor wat betreft de verzochte vergoeding doet zich in de onderhavige zaak de situatie voor dat verzoeker naast vergoeding voor geleden immateriële schade op basis van de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Straf (LOVS) vastgestelde forfaitaire bedragen van € 80,- en € 105,-, tevens separaat vergoeding vraagt van de door hem als gevolg van de ondergane detentie geleden materiële schade in de vorm van inkomstenderving (bezoldiging, vakantiegeld en winstdeling). Het hof ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of de door het LOVS vastgestelde forfaitaire bedragen slechts zien op vergoeding van geleden immateriële schade, zodat daarnaast nog ruimte is voor separate vergoeding van geleden materiële schade, of dat -zoals de rechtbank heeft overwogen- die bedragen zowel een vergoeding voor geleden materiële als immateriële schade bevatten. In dit kader is van belang dat het Landelijk Overleg van de Voorzitters van Strafsectoren (LOVS), thans het Landelijk Overleg Vakinhoud Straf, in 2002 in zijn richtlijnen een aanbeveling heeft gedaan tot het hanteren van (forfaitaire) normbedragen in het geval van toekenning van schadevergoeding in de procedure ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering. Deze forfaitaire bedragen zijn destijds vastgesteld op een bedrag van € 70,- voor iedere dag die door gewezen verdachte in voorlopige hechtenis in het huis van bewaring is doorgebracht en een bedrag van € 95,- voor iedere dag die door verzoeker in verzekering en/of in voorlopige hechtenis op het politiebureau en/of in het huis van bewaring in beperkingen is doorgebracht. Per 9 mei 2014 heeft het LOVS deze bedragen nader gesteld op € 80,-, respectievelijk € 105,-. Deze bedragen vinden –zoals het hof heeft kunnen nagaan- hun oorsprong in de bedragen die destijds zijn voor-gesteld door de werkgroep materieel strafrecht van de NVvR in de ‘Nota inzake de toepassing van vervangende hechtenis c.a.’, (Trema 1990, p. 267-268). Deze nota houdt in –voor zover hier van belang-: ‘Uit een door ons ingesteld onderzoek is gebleken dat het bedrag van f 50,— per dag dat in het uit 1982 daterende rapport van de werkgroep ‘artikel 89 Sv’ inzake schadevergoeding wegens ten onrechte ondergane verzekering en voorlopige hechtenis wordt genoemd als maatstaf bij het bepalen van de vergoeding van de schade wegens gederfde levensvreugde ( onderstreping hof ), door slechts enkele rechtbanken wordt gehanteerd. Veel meer colleges richten zich naar de suggesties die het hoofdbestuur van de NVvR naar aanleiding van dat rapport heeft gedaan om in beginsel f 100.— per dag toe te kennen. Een enkele rechtbank zit daar tussen met f 75,—. Niet onvermeld mag blijven dat sommige rechtbanken f 50,— toekennen aan ex-verdachten ‘met detentie-ervaring’ en f 100,— aan personen zonder ervaring. Op grond van de binnengekomen reacties staat vast dat er in den lande onzekerheid bestaat omtrent de vraag of de in 1982 gepubliceerde normen nog wel gelden. Bovendien bestaat er een grote behoefte aan enige nuancering. Onder deze omstandigheden komt ons de openbaarmaking van een aangepast standpunt van de NVvR alleszins wenselijk voor. Wij ontveinzen ons niet dat het heel moeilijk is om alle bijzonderheden die zich in een concreet geval kunnen voordoen en die aanleiding behoren te geven tot verhoging danwel verlaging van het bedrag dat aan de hand van een standaardnorm berekend kan worden, te omschrijven en in nieuwe normen onder te brengen. We hebben gemeend daarvan te moeten afzien. Hier zal de rechter zelf steeds van geval tot geval moeten bepalen wat ‘billijk’ is (art. 89 Sv). Niettemin zijn er enkele objectieve omstandigheden waarin naar ons oordeel tariefmatig zou kunnen worden voorzien, niet in de laatste plaats omdat zij zich geregeld blijken voor te doen. In dit verband ware vooral te denken aan een bevel tot voorlopige hechtenis dat (gedurende geruime tijd) in een politiebureau is tenuitvoergelegd, aan voorlopige hechtenis die geheel of gedeeltelijk in alle beperkingen is ondergaan, en aan de uitleveringsdetentie welke is ondergaan in een (buitenlandse) inrichting c.q. op een wijze die — al dan niet in onderlinge samenhang — naar Nederlandse normen als extra-leedtoevoegend is aan te merken. Alles overziende komt het ons gewenst voor indien landelijk het door het bestuur reeds in 1982 gesuggereerde tarief van f 100,- per dag zou worden gehanteerd. We hebben geen argumenten kunnen vinden die tot verhoging of tot verlaging van dat bedrag zouden dienen te leiden. Uitdrukkelijk zien wij af van het maken van onderscheid tussen ex-verdachten met detentie-ervaring en zonder die ervaring, aangezien een dergelijk onderscheid alleen maar tot nieuwe beoordelings- verschillen kan leiden. Ter verklaring van het verschil tussen de vervangende hechtenis (in beginsel f 50,— per dag) en de onderhavige schadevergoeding (in beginsel f 100,— per dag) merken wij, wellicht ten overvloede, op dat het bij de vervangende hechtenis gaat om een (rechtmatige) strafoplegging, terwijl bij de schadevergoeding ex. art. 89 Sv de (rechtmatige doch achteraf gebleken) onjuistheid van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis scherp op de voorgrond treedt. Een bedrag van f 150,— per dag zou als richtsnoer kunnen dienen voor de periode van de voorlopige hechtenis die in politiebureau en/of in alle beperkingen in doorgebracht, en/of voor bovenbedoelde gevallen van uitleveringsdetentie. Voor verdere differentiatie (zoals onevenredig zware aantasting van eer en goede naam ten gevolge van publicaties waarin de verdachte gemakkelijk te herkennen is, ernstige huwelijksproblemen als gevolg van hen voorarrest, etc., zoals door sommige colleges geopperd) zien wij onvoldoende grond. Bij de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden bestaat er zeker grond om af te wijken van het normbedrag. In welke mate dat dient te geschieden, is echter te zeer afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval; tarieven daarvoor zijn niet of nauwelijks te ontwikkelen. Uitdrukkelijk merken wij nog op dat het onderhavige voorstel alleen betrekking heeft op de maatstaf voor de vergoeding van gederfde levensvreugde. De materiële schade, die naar geldend recht in beginsel voor volledige vergoeding in aanmerking komt, hebben wij niet in onze beschouwingen betrokken.” ( onderstreping hof ) Uit het voorgaande blijkt derhalve – en met name de zojuist onderstreepte passage stelt buiten twijfel - dat de destijds door de werkgroep materieel strafrecht van de NVvR voorgestelde bedragen, die nadien door het LOVS –weliswaar uitgedrukt in euro’s- zijn overgenomen, slechts zien op vergoeding van geleden immateriële schade (gederfde levensvreugde). Bovendien is tevens tot uitdrukking gebracht dat in het kader van de procedure ex art. 89 Sv de materiële schade in beginsel voor volledige vergoeding in aanmerking komt. In navolging daarvan is ook de heersende opvatting in de doctrine – anders dan het door de rechtbank in de bestreden beschikking genoemde Tekst en Commentaar Strafvordering, aantekening 3 bij artikel 89 - dat de door het LOVS gehanteerde forfaitaire bedragen uitsluitend zien op vergoeding van geleden immateriële schade. In dat verband wijst het hof op: Melai Strafvordering, aantekening 11 op art. 90 Sv: ‘De NVvR heeft getracht standaardtarieven te adviseren. Vooral de vergoeding van immateriële schade beweegt zich daarbij rond tarieven van f 150 tot f 250 per dag , vaak categoraal weer nader bepaald, bijvoorbeeld f 150 als standaardbedrag maar f 200 voor dagen op het politiebureau of in beperkingen doorgebracht of in geval het gaat om iemand met een arbeidsverhouding’ (onder verwijzing naar Trema 1990, blz. 267). Handboek Strafzaken, par. 82.3: ‘Immateriële schade is (…) vooral naar omvang nog veel moeilijker vast te stellen dan materiële schade. Daarom zijn in het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren (LOVS) ter zake van immateriële schade forfaitaire bedragen afgesproken. Daarmee wordt de verzoeker ontslagen van de plicht dergelijke schade aannemelijk te maken en behoeft de rechter geen moeizaam onderzoek te doen naar de mate waarin die schade is geleden. Die LOVS-afspraak bevordert bovendien de rechtsgelijkheid (…). Deze sluit echter niet uit dat in individuele gevallen, op grond van persoonlijke omstandigheden, een hogere vergoeding wordt gegeven voor immateriële schade.’ Corstens-Borgers, Het Nederlands Strafprocesrecht, 7e druk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.