GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 8 oktober 2014 Zaaknummer : 200.141.702/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-1693 Zaaknummer rechtbank : C/10/419331 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. D.N. van Wensen te Rotterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. Th.Th.M.L. Boersema te Maassluis. Als belanghebbende is aangemerkt: mr. M.C. Bekkering, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige, kantoorhoudende te Rotterdam, hierna te noemen: de bijzondere curator. Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt: de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te Rotterdam, hierna te noemen: Jeugdzorg. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, hierna te noemen: de raad. In verband met het bepaalde in artikel 44 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: het Openbaar Ministerie, Arrondissement Rotterdam, waarvoor in het hoger beroep in de plaats treedt: Ressortsparket Den Haag, hierna te noemen: het OM. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 7 februari 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 november 2013 van de rechtbank Rotterdam. De bijzondere curator heeft op 8 april 2014 een verweerschrift ingediend. De moeder heeft op 7 mei 2014 een verweerschrift ingediend. De man heeft op 20 mei 2014 schriftelijk gereageerd op het verweerschrift van de bijzondere curator. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: op 11 februari 2014 een niet-gefaxte versie van het beroepschrift met de daarbij behorende bijlagen; op 25 februari 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage; op 4 maart 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage. Bij brief van 10 maart 2014 heeft het OM bericht af te zien van de mogelijkheid om te concluderen, aangezien de onderhavige zaak slechts in beperkte mate het openbaar belang raakt. Voorts heeft het OM daarbij medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. De raad heeft bij brief van 3 juni 2014 zijn rapport van 23 januari 2014 aan het hof overgelegd. De zaak is op 2 juli 2014 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: de advocaat van de man; de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de bijzondere curator; mevrouw [A] namens de raad; mevrouw [B] (gezinsvoogd) namens Jeugdzorg. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De bijzondere curator heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man strekkende tot vervangende toestemming voor de erkenning van de na te noemen minderjarige afgewezen. Tevens heeft de rechtbank de raad verzocht om onderzoek te doen met betrekking tot de omgang tussen de man en de minderjarige en advies daaromtrent uit te brengen. De behandeling van de zaak ten aanzien van het verzoek tot omgang is derhalve tot 1 mei 2014 pro forma aangehouden. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit de moeder is [in] 2003 te [geboorteplaats] geboren: [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige. De man is de verwekker van de minderjarige. De moeder onthoudt de man toestemming tot erkenning van de minderjarige. Reeds eerder bij beschikking van 21 oktober 2011 van de rechtbank Rotterdam is een verzoek van de man strekkende tot verlening van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige, afgewezen. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.