GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.113.154/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : 390218/HA ZA 11-910 arrest van 1 juli 2014 inzake FACE THE FUTURE B.V., gevestigd te Utrecht, appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen: FTF, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministeries van Infrastructuur en Milieu, en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie), zetelend te Den Haag, geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het incidenteel appel, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. W.T. Braams te Den Haag. Het geding Bij exploot van 5 september 2012, hersteld bij exploot van 25 september 2012, heeft FTF hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juni 2012, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft FTF zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord zijn bestreden. De Staat heeft onder aanvoering van één grief voorwaardelijk incidenteel geappelleerd. FTF heeft het voorwaardelijk incidenteel appel bestreden bij memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1.1 Het gaat in deze zaak, mede gelet op de in zoverre in appel onbestreden gebleven feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.13 van haar eindvonnis heeft vastgesteld, en op grond van hetgeen overigens over en weer onbestreden is gesteld, om het volgende. 1.2 In 1990 is opgericht de Stichting Face (ontleend aan ‘Forests Absorbing Carbon dioxide Emission’). Het doel van de Stichting Face was het tot stand brengen en beschermen van bossen, waar ook ter wereld, teneinde de uitstoot van kooldioxide (CO2) in de atmosfeer onder maatschappelijk aanvaardbare condities te compenseren. Stichting Face werd opgericht door N.V. Samenwerkende elektriciteitsproductiebedrijven (hierna: SEP), een vennootschap waarvan de aandelen in handen waren van de Nederlandse elektriciteitsproductiebedrijven. SEP wenste door middel van Stichting Face de door haar veroorzaakte uitstoot van kooldioxide te compenseren. De aandelen van de elektriciteitsproductiebedrijven, verenigd in SEP, waren destijds in handen van Nederlandse (decentrale) overheden. 1.3 SEP is vanaf de oprichting van Stichting Face tot 7 februari 2001 vertegenwoordigd geweest in het bestuur van de stichting. Vanaf de oprichting van Stichting Face tot oktober 2009 hebben ook vertegenwoordigers van de Staat deel uitgemaakt van het bestuur van Stichting Face. 1.4 Stichting Face heeft in de periode 1992-2002 1.339 hectare bos in Nederland laten aanplanten (hierna: de Face-bossen), teneinde daarmee in de atmosfeer voorkomende CO2 vast te leggen. Stichting Face sloot daartoe contracten met grondeigenaren, op grond waarvan Stichting Face de eigenaren een bijdrage in de kosten van bosaanleg betaalde en Stichting Face alle rechten ten aanzien van de CO2-vastlegging in de gerealiseerde bossen toekwamen. 1.5 De kosten van de bosbouwprojecten van Stichting face werden tot 2001 gedragen door SEP, doordat SEP jaarlijks 20 miljoen gulden aan Stichting Face ter beschikking stelde. Deze kosten voor SEP werden met goedkeuring van de overheid uit een opslag op de elektriciteitsprijs betaald. Daarnaast konden de eigenaren van de grond waarop de bossen werden ontwikkeld, een beroep doen op van overheidswege verstrekte subsidies. 1.6 Vanaf 1998 (standpunt FTF) dan wel 2001 (standpunt Staat) tot 2007 heeft Stichting Face haar activiteiten mede gefinancierd door de verkoop van CO2-credits in de vorm van zogenoemde Verified Emission Reductions (‘VER’s’). Dit werkt aldus. Voor elke ton CO2 die in de Face-bossen is opgenomen, kan telkens één CO2-credit worden aangevraagd bij een (erkende) certificerende instantie. Het hof begrijpt dat door de certificerende instantie in beginsel per jaar wordt beoordeeld hoeveel ton CO2 in dat jaar door het bos is opgenomen. Indien een CO2-credit wordt uitgegeven wordt deze gehouden in een depot bij een externe bewaarder, zoals – in het geval van Stichting Face – Triodos Climate Clearing House. Bij verkoop van een CO2-credit wordt deze afgeschreven van het tegoed van de verkoper bij de bewaarder en bijgeschreven bij het tegoed van de koper. In 2008 heeft Stichting Face voor de laatste maal een certificering verkregen voor de CO2-opname in de op haar initiatief aangelegde bossen in de periode tot en met 31 december 2007. 1.7 Het systeem op grond waarvan bosuitbreiding door middel van de verkoop van CO2-credits kon worden gefinancierd is door de Staat in nauw overleg met Stichting Face opgezet. 1.8 Stichting Face heeft op deze wijze CO2-credits verkocht aan organisaties die op vrijwillige basis een extra bijdrage willen leveren aan het tegengaan van klimaatverandering door hun CO2-uitstoot te compenseren. De certificering werd telkens verricht door SGS Climate Change Program (‘SGS’). Stichting Face heeft haar CO2-credits laten verifiëren volgens de Verified Carbon Standard (‘VCS’), volgens FTF de meest gebruikte en gangbare standaard. De hiervoor beschreven handel in CO2-credits vindt plaats op de zogenoemde vrijwillige markt, die niet van overheidswege is gereguleerd. 1.9 Eind jaren negentig kwam een eind aan de betrokkenheid van de overheid bij de elektriciteitsproductie. Vanaf 2001 is SEP niet meer betrokken bij de Stichting Face. 1.10 In 2009 is FTF opgericht. In oktober 2009 heeft FTF de activa en passiva van Stichting Face overgenomen en de activiteiten van Stichting Face voortgezet. 1.11 Op 9 mei 1992 is de United Nations Framework Convention on Climate Change (hierna: het Klimaatverdrag) gesloten. Op 11 december 1997 is het Klimaatverdrag aangevuld met het Kyoto-Protocol. Nederland is zowel partij bij het Klimaatverdrag als het Kyoto-Protocol. Op grond van het Kyoto-Protocol heeft Nederland zich verbonden om in de periode 2008-2012, ten opzichte van het referentiejaar 1990, een reductie in de uitstoot van broeikasgassen te bewerkstelligen van 6%. Het Kyoto-Protocol is op 16 februari 2005 in werking getreden. 1.12 In 2001 zijn in het kader van het Klimaatverdrag en het Kyoto-Protocol nadere afspraken gemaakt door middel van de Marrakech-Akkoorden. 1.13 Op grond van art. 3 lid 3 Kyoto Protocol is Nederland verplicht jaarlijks een rapport, het National Inventory Report (‘NIR’) uit te brengen over de in Nederland in totaal gerealiseerde emissiereductie, waarin ook de emissiereductie die als gevolg van particuliere initiatieven is gerealiseerd, moet worden meegeteld. In artikel 33 van de Annex bij Decision 13/CMP.1 van de Marrakech Akkoorden is evenwel bepaald dat een verdragspartij ervoor mag kiezen een deel van de bereikte emissiereductie niet mee te tellen, namelijk door het annuleren van Assigned Amount Units (‘AAU’s’), specifieke emissie-eenheden die elk één ton CO2-equivalent vertegenwoordigen. 1.14 De Staat heeft er niet voor gekozen de AAU’s die verband houden met de Face-bossen niet mee te tellen in zijn NIR-rapportage. Indien de Staat dit alsnog zou doen zou dit er niet meer toe kunnen leiden dat de CO2-credits verband houdende met de Face-bossen alsnog volgens de VCS-standaard zouden kunnen worden gecertificeerd, want daartoe is de termijn inmiddels verstreken. 1.15 In april 2010 is het NIR 2010 uitgebracht, waarin is gerapporteerd over de periode 1990 tot en met 2008. In het NIR 2010, waarin voor het eerst ook de emissiereductie is meegenomen die bereikt is door bosaanplant, zijn ook de Face-bossen integraal meegerekend. 1.16 Als gevolg van het feit dat de Staat de emissiereductie die gerealiseerd is door de Face-bossen, in zijn rapportage op grond van het Kyoto-Protocol heeft meegerekend, kon Stichting Face en kan FTF na 2007 de CO2-reductie niet langer volgens de VCS-standaard laten verifiëren. Die standaard stelt namelijk, teneinde dubbeltelling te voorkomen, als eis dat de gerealiseerde emissiereductie niet ook door andere partijen, zoals door de nationale overheid in het kader van de NIR-rapportage, wordt meegeteld. 1.17 FTF stelt zich op het standpunt dat zij schade lijdt doordat de Staat de CO2-credits die verband houden met de Face-bossen, in de NIR-rapportage meetelt en geen gebruik maakt van de door de Marrakech Akkoorden geboden mogelijkheid om AAU’s niet mee te tellen. Hierdoor kan FTF deze CO2-credits niet laten certificeren, hetgeen deze onverkoopbaar maakt. De Staat is volgens FTF gehouden deze schade aan FTF te vergoeden, aangezien de Staat in zoverre ongerechtvaardigd ten koste van FTF is verrijkt, jegens FTF onrechtmatig heeft gehandeld, in de rechtmatige uitoefening van zijn taak aan FTF onevenredige schade heeft toegebracht (schending égalité-beginsel), dan wel art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM heeft geschonden. Zij vordert in dit geding, kort gezegd, betaling van € 2.620.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008 en de kosten van het geding alsmede de nakosten. Het bedrag van € 2.620.000 is gebaseerd op de stelling dat FTF vanaf 2008 tot 2091 naar verwachting 436.737 CO2-credits had kunnen verkopen tegen een prijs van € 6 per CO2-credit. 1.18 De rechtbank heeft de vordering van FTF afgewezen. Zij overwoog daartoe, samengevat en verkort weergegeven, het volgende. Geen ongerechtvaardigde verrijking: de uit het Kyoto Protocol voortvloeiende verplichting voor de Staat om ook de Face-bossen mee te tellen in de NIR-rapportage, vormt de redelijke grond voor de eventuele verrijking van de Staat. De Staat is niet verplicht AAU’s te annuleren, te minder nu de Staat bij Stichting Face nooit de indruk heeft gewekt dat dat de Face-bossen niet zouden meetellen om de Kyoto-doelen te halen. Bovendien staat niet vast dat de Staat is verrijkt, omdat thans (datum vonnis, hof) niet kan worden vastgesteld welke broeikasreductie Nederland over de periode 2008-2012 zal realiseren en niet kan worden uitgesloten dat de reductie die het gevolg is van de Face-bossen niet nodig is om de vereiste reductie van 6% te bereiken. Geen onrechtmatige daad: van onrechtmatig handelen is geen sprake. De Staat had de bevoegdheid, niet de plicht AAU’s te annuleren. De Staat heeft bij FTF niet de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat FTF in niet-dubbel getelde CO2-certificaten zou kunnen blijven handelen. Het moest ook voor Stichting Face reeds vanaf 1994-1995 duidelijk zijn geweest dat de Staat alle bebossing zou meetellen bij de invulling van de Nederlandse CO2-doelstelling. Aan de Staat valt niet te verwijten dat zich in de vrije markt standaarden hebben ontwikkeld aan de hand waarvan certificaten voor emissiereducties alleen worden toegekend indien geen dubbeltelling plaatsvindt. Geen schending égalité-beginsel: de schade die FTF lijdt wordt niet veroorzaakt door de Staat, maar door de werking van de vrije markt. Bovendien is geen sprake van een buiten het normale bedrijfsrisico vallende, op een beperkte groep drukkend gevolg. FTF begeeft zich op een markt waar internationale regelgeving een belangrijke rol speelt en van haar mag verlangd worden dat zij haar risico’s spreidt, hetgeen zij kennelijk ook heeft gedaan. FTF heeft ook voldoende tijd gehad om te anticiperen op de gevolgen die de verplichting van de Staat om ook de Face-bossen mee te tellen zou hebben. Geen schending art. 1 EP: de beperking die FTF ervaart in de handel in CO2-credits, vloeit voort uit ontwikkelingen op de vrijwillige markt en met name uit het feit dat op die markt CO2-credits zonder dubbeltelling veruit het meest gewild zijn. Er is dus geen sprake van een inmenging van de zijde van de Staat. In het midden kan aldus blijven of de (toekomstige) CO2 eenheden die worden gerealiseerd door de Face-bossen kunnen worden aangemerkt als eigendom van FTF in de zin van art. 1 EP, aldus de rechtbank. 1.19 In de memorie van grieven onder 10.2 stelt FTF dat de door haar geleden schade eventueel zou kunnen worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet. Het hof begrijpt dit aldus dat FTF niet haar eis heeft gewijzigd, maar het hof op de mogelijkheid heeft gewezen om partijen ambtshalve naar de schadestaatprocedure te verwijzen. 2.1 In grief 1 komt FTF op tegen de feiten die de rechtbank in haar vonnis van 6 juni 2012 heeft vastgesteld. Volgens FTF zijn de door de rechtbank vastgestelde feiten onvolledig, waarbij FTF wenst dat het hof bij het vaststellen van de feiten mede acht slaat op de in de memorie van grieven gestelde feiten. 2.2 Het hof heeft bij de recapitulatie van de feiten al rekening gehouden met hetgeen FTF omtrent de feiten naar voren heeft gebracht, voor zover FTF duidelijke, ook voor de Staat kenbare klachten tegen het rechtbankvonnis naar voren heeft gebracht en voor zover de Staat die stellingen niet heeft weersproken. Voor het overige faalt de grief omdat daaruit niet valt op te maken tegen welke overwegingen van de rechtbank de bezwaren gericht zijn en waarom. 2.3 Met grief 2 komt FTF op tegen rechtsoverweging 3.2 van het rechtbankvonnis, waarin de rechtbank de grondslagen van de vordering van FTF weergeeft. Voor zover de weergave van de rechtbank afwijkt van hetgeen FTF in de memorie van grieven aan haar vordering ten grondslag legt, dient het hof het gestelde in de memorie van grieven tot uitgangspunt te nemen, aldus FTF. 2.4 Deze grief faalt, aangezien noch het hof noch de Staat daaruit kunnen opmaken over welk oordeel van de rechtbank wordt geklaagd en waarom. Dit neemt niet weg dat het FTF toegestaan is de grondslag van haar vordering in hoger beroep aan te passen. Het hof zal dus recht doen op de grondslagen zoals FTF deze in hoger beroep heeft geformuleerd. 3.1 Met grief 3 komt FTF op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat niet ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van FTF. Daartoe voert FTF allereerst aan dat het Kyoto-Protocol, niet een wet maar een internationaal verdrag, niet een rechtvaardiging kan opleveren voor de verrijking van de Staat, en, voor zover dat al anders mocht zijn, dat het Kyoto-Protocol niet strekt tot een vermogensverschuiving waarbij de vruchten van particuliere initiatieven aan de verdragstaten toevallen. In de tweede plaats voert FTF aan dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de Staat een financieel voordeel geniet door de emissiereductie veroorzaakt door de Face-bossen mee te tellen. Dit voordeel zou zich op drie manieren kunnen manifesteren, te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.