Rolnummer: 22-001553-08 Parketnummers: 10-601166-05 en 10-601085-06 Datum uitspraak: 21 november 2014 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2008 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Peru) op [geboortedag] 1966, adres: [adres]. 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 20 oktober en 10 november 2008, 2 februari 2009, 30 maart 2009, 3 oktober en 25 oktober 2011, 16 april en 3 mei 2012, 20 september 2012, 6 juni en 20 juni 2013, 25 november en 6 december 2013, 20 tot en met 23 oktober 2014, 27 tot en met 31 oktober 2014 en 7 november 2014. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat: 1. (zaak [zaaksdossier 1]) hij, in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 12 november 2005, te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of [locatie bedrijf 6] (gemeente Haarlemmermeer) en/of ‘s-Gravenhage althans (elders) in Nederland en/of Peru en/of Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 1650 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. ( (zaak [zaaksdossier 2]) hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot 1 april 2005, te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Diemen en/of Amstelveen en/of ‘s-Gravenhage en/of Almelo en/of Venlo en/of Roermond althans (elders) in Nederland en/of Peru en/of Spanje en/of Frankrijk en/of de Verenigde Staten van Amerika, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, meermalen althans éénmaal, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in de zin van artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) één of meer (handels-) hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten: a. op of omstreeks 2 juli 2004 in (een) container(
- s)met conserven uit Peru en/of b. op of omstreeks 28 september 2004 in (een) container(
- s)met conserven uit Peru en/of c. op of omstreeks 24 februari 2005 in (een) container(
- s)met conserven uit Peru; subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot 1 april 2005, te Amsterdam en/of Rotterdam en/of Diemen en/of Amstelveen en/of ‘s-Gravenhage en/of Almelo en/of Venlo en/of Roermond althans (elders) in Nederland en/of Peru en/of Spanje en/of Frankrijk en/of de Verenigde Staten van Amerika, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer (handels-) hoeveelhe(i)d(
- en)cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer ander(
- en)heeft getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of - zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, en/of immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meet mededader(
- s)tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk, meermalen, althans eenmaal: - één of meer opslagruimte(
- n)en/of loods(
- en)gehuurd en/of de huur hiervan betaald en/of doen betalen ten behoeve van de op en/of overslag van voornoemde (handels-)hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading en/of; - een auto en/of bestelbusje en/of vrachtwagen gehuurd voor het vervoer van voornoemd deklading en/of van voornoemde (handels-) hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading en/of; - verpakkingsmateriaal (waaronder spanbanden en/of sealmateriaal en/of vouwbare kratjes) gekocht en/of geleverd en/of meegebracht voor het overpakken en/of verpakken en/of openen van de blikken met voornoemde (handels-) hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen en/of de bijbehorende deklading en/of; - de deklading welke diende ter maskering van voornoemde (handels-) hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen (te weten conservenblikken bevattende asperges, althans een groente of fruit) ter opslag aangeboden en/of geselecteerd voor transport en/of opslag in eerder genoemde opslagruimte(
- n)en/of loods(
- en)en/of; - de deklading welke diende ter maskering van voornoemde (handels-) hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen (te weten conservenblikken bevattende asperges, althans een groente of fruit) ter verkoop aangeboden en/of verkocht en/of opgeslagen voor de verkoop en/of; - een valse boekhouding en/of valse administratie en/of vervalste facturen en/of vervalste transportbonnen gecreëerd en/of opgemaakt en/of verwerkt en/of in stand gehouden om voornoemde ladingen conservenblikken als legitieme goederenstroom te kunnen (blijven) presenteren en/of voorstellen en/of - één of meer ontmoeting(
- en)gehad met betrekking tot het invoeren en/of opslaan en/of veilig stellen en/of verkopen van voornoemde (handels-) hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen en/of; - één of meer telefoongesprek(ken) gevoerd met betrekking tot het invoeren en/of opslaan en/of veilig stellen en/of verkopen van voornoemde (handels-)hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen. 3Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte is met onmiddellijke ingang opgeheven. Voorts is de teruggave bevolen van de gestorte geldswaarde aan degene die de zekerheid heeft gesteld. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 4Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 5Beslissingen op verzoeken 5.1 Algemeen De raadslieden hebben op 20 oktober 2014 ter zitting op een daartoe strekkende vraag van de voorzitter bevestigd dat de verzoeken die op dat moment gedaan werden behoren te worden aangemerkt als in de plaats komend van alle eerder gedane verzoeken, zodat uitsluitend de op 20 oktober 2014 gedane verzoeken ter beslissing van het hof voorliggen. Op 21 oktober 2014 heeft het hof beslissingen gegeven op een aantal van deze verzoeken en de beslissing op de overige verzoeken aangehouden tot bij arrest. Na 21 oktober 2014 zijn verzoeken herhaald, aanvullende verzoeken gedaan en is de onderbouwing van eerder gedane verzoeken aangevuld dan wel vervangen. In het hiernavolgende wordt ingegaan op alle verzoeken gedaan vanaf 20 oktober 2014 voor zover daarop niet is beslist op 21 oktober 2014 en zoals deze uiteindelijk door aansluiting van de raadslieden van alle verdachten – met uitzondering van de verdediging van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] - zijn onderbouwd, te weten: de onderbouwing zoals geformuleerd door mr. Taekema in diens pleitnotities d.d. 27 oktober 2014 in de zaak [medeverdachte 3]. De raadsvrouw in de zaak [medeverdachte 1], mr. Mannheims, heeft bij pleidooi haar aansluiting bij de onderbouwing van de verzoeken van mr. Taekema d.d. 20 oktober 2014 gehandhaafd. De raadsman van [medeverdachte 2], mr. Krämer, was ter terechtzitting van 20 oktober 2014 en nadien niet bepaaldelijk gemachtigd. Dit heeft voor de beoordeling door het hof verder geen consequenties, gelet op het feit de beide onderbouwingen naar de kern genomen en voor zover hier van belang, niet wezenlijk verschillen. Tenzij anders aangegeven zijn beslissingen telkens in alle zaken genomen. Ten behoeve van de overzichtelijkheid is wel bij alle verzoeken aangegeven wie de oorspronkelijke verzoeker was. De nummering van de verzoeken, zoals gevolgd in de zaak [medeverdachte 3], wordt ten behoeve van de overzichtelijkheid in alle zaken gevolgd. In algemene zin wijst het hof op het volgende. Bij de beoordeling van de getuigenverzoeken gaat het om de vraag of het verzochte noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing, dan wel of overigens de noodzaak van het verzochte aan het hof is gebleken. In deze zaken is sprake van een zeer groot tijdsverloop. In november 2005 is een groot aantal verdachten aangehouden. De vonnissen van de rechtbank in alle zaken dateren van maart 2008. Na een regiezitting in hoger beroep in 2008 is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris bij de rechtbank. Gedurende ongeveer drie jaar zijn slechts beperkt onderzoeksresultaten geboekt. Na een nieuwe regiezitting op 3 oktober 2011 hebben vervolgens zittingen plaatsgevonden op 16 april 2012 en 3 mei 2012, 20 september 2012, 6 en 20 juni 2013, 25 november en 6 december 2013. Onder meer als gevolg van voor het hof onverwachte ontwikkelingen (te weten de aanhouding van (mede-)verdachte en getuige [verdachte] in Peru op 23 november 2013) heeft de inhoudelijke behandeling, die gepland was in de periode van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013 geen doorgang gevonden. Medio maart 2014 is in overleg getreden met de raadslieden van de verdachten over de data waarop de voortzetting van de inhoudelijke behandeling zou kunnen plaatsvinden. Blijkens de interne administratie van het hof zijn de voorgenomen zittingsdata vanaf 20 oktober 2014 voor de voortgezette inhoudelijke behandeling op 18 maart 2014 bericht aan alle raadslieden. Vanaf 20 oktober 2014 heeft de inhoudelijke behandeling ter zitting plaatsgevonden. Arrest is bepaald op 21 november 2014. Gelet op dit tijdsverloop zijn de belangen van een doeltreffende en spoedige berechting, afgezet tegen alle andere belangen die een rol spelen in het kader van de voorliggende beslispunten, thans verhoudingsgewijs zwaarder gaan wegen dan aan het begin van de behandeling in hoger beroep. 5.2 Verzoeken geformuleerd in de zaak [medeverdachte 3] (mr. Taekema) op 20 oktober 2014 en herhaald en nader onderbouwd bij pleidooi op 27 oktober 2014 2. Het horen als getuige van medeverdachte [medeverdachte 2] ([alias medeverdachte 2]). Op 21 oktober 2014 heeft het hof geoordeeld dat het niet te verwachten is dat [medeverdachte 2] binnen een aanvaardbare termijn een verklaring zal afleggen dan wel ter terechtzitting zal verschijnen. Het hof heeft dit oordeel gegrond op het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 17 oktober 2014 met een bijlage d.d. 16 oktober 2014. In aanvulling hierop wijst het hof erop dat [medeverdachte 2] een persoon is die de beschikking heeft gehad over Argentijnse identiteitspapieren op naam van [alias medeverdachte 2] van een zodanig hoge kwaliteit dat eerst medio 2006 bleek dat hij de naam [medeverdachte 2] droeg en de Peruviaanse nationaliteit had. Het door de verdediging in hoger beroep opgegeven adres betreft niet het vaste woon- of verblijfadres van [medeverdachte 2], maar een adres waar hij wel eens zou komen. Dit volstaat niet als adres waar [medeverdachte 2] kan worden opgeroepen/gedagvaard voor het afleggen van een verklaring als getuige. Voor het doen van naspeuringen naar [medeverdachte 2] op een voormalig [het hof begrijpt: medio 2005] verblijfsadres in Madrid bestaat geen grond, nu iedere aanwijzing ontbreekt dat hij daar thans zou wonen of verblijven, waarbij het hof aantekent dat hij daar indertijd onder een andere naam dan de naam [medeverdachte 2] verbleef. Gelet hierop blijft het hof bij zijn oordeel dat het niet te verwachten is dat [medeverdachte 2] binnen een aanvaardbare termijn een verklaring zal afleggen dan wel ter terechtzitting zal verschijnen. Het verzoek wordt mitsdien afgewezen. 3. Het horen als getuige van douaneofficier ‘[douaneofficier]’ ofwel [douaneofficier], transit liaison officier HRMC verantwoordelijk voor de regio Zuid Engeland. [Douaneofficier] heeft als ‘officer in charge’ een dactyloscopisch onderzoek laten uitvoeren op de handpalmafdruk van het bij [man 1] in beslag genomen geld. Voorts komt zijn naam voor in de analyse van de telefoongegevens op blz. 3737 van dossier [zaaksdossier 3], aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. In het licht van de verklaring van [getuige 11], afgelegd op 10 oktober 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging, zien de Engelse onderzoeken op de handel in verdovende middelen door de ‘[organisatie]’ en witwassen door [man 1] in de periode omstreeks februari, maart 2005 in Engeland. De ‘Surveillance and Telephone Schedules’ (blz. 3737 zaaksdossier [zaaksdossier 1]) zien op gebeurtenissen in de periode tussen 24 februari 2005 en 8 maart 2005 in Engeland. De verdachte [medeverdachte 3] wordt – kort gezegd – cocaïne-invoer in Nederland in de periode tussen 1 oktober 2005 en 12 november 2005 verweten. Geen van de aan de verdachte [medeverdachte 3] of zijn medeverdachten verweten gedragingen hebben in het Verenigd Koninkrijk plaatsgevonden. [Man 1] is niet aangehouden in de onderhavige Nederlandse zaak en daarvoor niet vervolgd. Hetzelfde geldt voor leden van de ‘[organisatie]’. Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. Het hof acht het verzoek in het licht hiervan onvoldoende concreet en gesubstantieerd. Het verzoek dient reeds op deze grond te worden afgewezen. Daarnaast acht het hof het horen van [douaneofficier] als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 4. Het horen als getuige van mevr. mr. [officier van justitie], officier van justitie, ter toetsing van de startinformatie in [zaaksdossier 3]. Het heeft er volgens de verdediging alle schijn van dat de belangrijkste informatie afkomstig was van de Britse autoriteiten, maar met tussenkomst van de Spaanse aan de Nederlandse autoriteiten werd verstrekt. Het gaat de verdediging om de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Naar de kern genomen brengt de stelling van de verdediging mee dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Het hof acht het verzoek onvoldoende concreet en onderbouwd. Het verzoek dient reeds op deze grond te worden afgewezen. De teamleiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de advocaten gehoord. Ook [getuige 4], die bij diverse overleggen aanwezig is geweest, is op deze wijze gehoord. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting verantwoording afgelegd. Gelet hierop en alles afwegend acht het hof het horen van mevr. mr. [officier van justitie] als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. Het verzoek wordt derhalve afgewezen. 5. Het horen als getuige van [unithoofd nationale recherche], indertijd unithoofd nationale recherche, over de start van het onderzoek. Het gaat de verdediging om de vraag welke informatie er precies binnenkwam en wanneer, derhalve dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Het hof stelt vast dat [getuige 1], projectleider politie, als getuige twee keer is gehoord in eerste aanleg, in november 2013 een aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt, en op 29 januari 2014 is gehoord door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging. De getuige [getuige 1] is onder meer bevraagd over de start van het onderzoek in Nederland. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter terechtzitting. Het hof acht het verzoek in het licht van deze verhoren onvoldoende concreet en onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen. Gelet op het voorafgaande en alles afwegend acht het hof het horen van [unithoofd nationale recherche] als getuige bovendien niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 6. Het horen als getuige van de toenmalige Nederlandse douane liaison officer in Engeland. De verdediging wil de douane liaison officer rechtstreeks vragen stellen over de internationale informatie-uitwisseling, teneinde te onderzoeken of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Reeds op deze grond dient het verzoek als onvoldoende concreet en onderbouwd te worden afgewezen. Blijkens de verklaring van [getuige 11], afgelegd op 10 oktober 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging, ziet het onderzoek door de Engelse douane op witwassen door [man 1] in de periode omstreeks februari, maart 2005 in Engeland. De verdachte [medeverdachte 3] wordt – kort gezegd – cocaïne-invoer in Nederland in de periode tussen 1 oktober 2005 en 12 november 2005 verweten. Geen van de aan de verdachte [medeverdachte 3] of zijn medeverdachten verweten gedragingen hebben in het Verenigd Koninkrijk plaatsgevonden. [Man 1] is niet aangehouden in de onderhavige Nederlandse zaak en daarvoor ook niet vervolgd. Het horen van [getuige 3] als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze Nederlandse strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte. Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [getuige 3] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. Het hof stelt vast dat [getuige 1], projectleider politie, als getuige twee keer is gehoord in eerste aanleg, in november 2013 een aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt, en op 29 januari 2014 is gehoord door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging. De getuige [getuige 1] is onder meer bevraagd over de start van het onderzoek in Nederland. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter terechtzitting. Gelet op het voorafgaande en alles afwegend acht het hof het horen van de toenmalige Nederlandse douane liaison officer in Engeland als getuige evenmin noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 7. Het horen als getuige van de Nederlandse liaison officer in Spanje, [Nederlandse liaison officer in Spanje]. Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom te onderzoeken hoe de door de D.I.N. verstrekte informatie tot stand is gekomen en of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Dit staat reeds aan toewijzing van het verzoek in de weg. Het hof stelt voorts vast dat door [hoofdinspecteur Spanje], hoofdinspecteur van het nationale politiecorps te Spanje op 9 maart 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging een buitengewoon lucide verklaring is afgelegd over het verloop van het onderzoek in Spanje en de wijze waarop en de omvang waarin de Nederlandse politie geïnformeerd is door de Spaanse autoriteiten/politie. [Getuige 2] is op 7 augustus 2006 door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging als getuige gehoord. Voorts zijn de leiders van het Nederlandse en Britse politieonderzoek door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft de advocaat-generaal verantwoording afgelegd ter zitting. Gelet hierop en alles afwegend acht het hof het horen van [Nederlandse liaison officer in Spanje] als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 8. Het horen als getuige van [getuige 2] van DIN-POL. De verdediging wenst deze getuige met de kennis van nu vragen te stellen over de totstandkoming van de D.I.N.-verbalen. Het hof overweegt als volgt. Deze persoon is op 7 augustus 2006 door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging als getuige gehoord. Het verzoek om [getuige 2] andermaal als getuige te horen wordt afgewezen op gelijke gronden als het onder 7 weergegeven verzoek. 9. Het horen als getuige van de vakspecialisten bij DIN-POL. Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom te onderzoeken hoe de door de D.I.N. verstrekte informatie tot stand is gekomen en of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Dit staat reeds aan toewijzing van het verzoek in de weg. Voorts wijst het hof erop dat [getuige 2] van DIN-POL reeds door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord is. Het hof stelt voorts vast dat door [hoofdinspecteur Spanje], hoofdinspecteur van het nationale politiecorps te Spanje op 9 maart 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging een buitengewoon lucide verklaring is afgelegd over het verloop van het onderzoek in Spanje en de wijze waarop en de omvang waarin de Nederlandse politie geïnformeerd is door de Spaanse autoriteiten/politie. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Gelet hierop en alles afwegend acht het hof het horen van deze personen als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 10. Het horen als getuige van [getuige 3], alias [alias getuige 3]. Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of deze persoon een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte is, alsmede of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Naar het oordeel van het hof is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen. Het horen van [getuige 3] als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte. De leiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [getuige 3] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. Deze beide gronden brengen mee dat het horen van deze persoon als getuige niet noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing in deze zaak. Dat het hof in een eerder stadium van de procedure het toenmalige verzoek tot het horen van deze getuige heeft toegewezen, maar deze getuige geen enkele verklaring wenste en wenst af te leggen, doet overigens niet af aan het vorenstaande. Het hof zal geen verklaringen van [getuige 3] gebruiken voor het bewijs. 11. Het horen als getuige van [man 1]. De verdediging wenst van deze persoon te vernemen welke contacten hij heeft onderhouden met [getuige 3] en waarop deze contacten inhoudelijk betrekking hadden. Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of mogelijk sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 is uiteengezet. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen. Het horen van [man 1] als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte. Blijkens de verklaring van [getuige 11], afgelegd op 10 oktober 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging, ziet het onderzoek door de Engelse douane op witwassen door [man 1] in de periode omstreeks februari, maart 2005 in Engeland. De verdachte [medeverdachte 3] wordt – kort gezegd – cocaïne-invoer in Nederland in de periode tussen 1 oktober 2005 en 12 november 2005 verweten. Geen van de aan de verdachte [medeverdachte 3] of zijn medeverdachten verweten gedragingen hebben in het Verenigd Koninkrijk plaatsgevonden. [Man 1] is niet aangehouden in de onderhavige Nederlandse zaak en daarvoor niet vervolgd. Ook de leider van het Nederlandse politieonderzoek is diverse malen gehoord in aanwezigheid van de raadslieden. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Alles afwegend acht het hof het horen van [man 1] als getuige evenmin noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 12. Het horen als getuige van [man 2]. De verdediging wenst van deze persoon te vernemen welke contacten hij heeft onderhouden met [getuige 3] en waarop deze contacten inhoudelijk betrekking hadden. Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of mogelijk sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen. Daarnaast geldt het volgende. Het horen van deze persoon als getuige is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte. De leiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord en de advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Alles afwegend acht het hof het horen van deze persoon als getuige evenmin noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 13. Het horen als getuige van [getuige 4], informatierechercheur. De verdediging wenst [getuige 4] nogmaals te horen. Zij wil hem horen over de contacten op de Nederlandse ambassade in Spanje, en hem te vragen of hij over informatie beschikte die aan het Britse onderzoek was ontleend en met wie hij dit heeft gedeeld, alsmede hem te bevragen over zijn rol in Peru. Van belang is of daar op enig moment de rol van [getuige 3] is besproken, aldus de verdediging. Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Reeds op deze grond dient het verzoek als zijnde onvoldoende concreet en onderbouwd te worden afgewezen. Het hof stelt vast dat [getuige 4] eerder als getuige is gehoord op 24 december 2012 door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging. Het hof stelt voorts vast dat door [hoofdinspecteur Spanje], hoofdinspecteur van het nationale politiecorps te Spanje op 9 maart 2013 tegenover de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging een buitengewoon lucide verklaring is afgelegd over het verloop van het onderzoek in Spanje en de wijze waarop en de omvang waarin de Nederlandse politie geïnformeerd is. Ook de leiders van het Britse en Nederlandse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter terechtzitting. Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [getuige 3] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. Alles afwegend brengt het voorafgaande mee dat het nogmaals horen van [getuige 4] als getuige niet noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 14. Het horen als getuige van [getuige 5], nationale recherche. De verdediging wenst deze persoon nogmaals te horen over de contacten van het Nederlandse onderzoeksteam met de Britse autoriteiten. Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Reeds op deze grond dient het verzoek als onvoldoende concreet en onderbouwd te worden afgewezen. Het hof stelt vast dat deze persoon op 1 augustus 2006 in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris is gehoord. Ook de leiders van het Nederlandse, Britse en Spaanse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de advocaten gehoord. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [getuige 3] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. Gelet op het voorafgaande en alles afwegend acht het hof het nogmaals horen van deze persoon als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 15. Het horen als getuige van [getuige 6], politie Rotterdam. De verdediging wenst deze persoon aanvullende vragen te stellen over de samenwerking met de Britse autoriteiten. Het gaat de verdediging om de start van het onderzoek en de rechtmatigheid daarvan. Het hof overweegt als volgt. Naar de kern genomen brengt de stelling van de verdediging mee dat wordt onderzocht of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Het hof acht het verzoek onvoldoende concreet en onderbouwd. Het verzoek dient reeds op deze grond te worden afgewezen. Het hof stelt vast dat deze persoon op 15 december 2006 als getuige is gehoord door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging. Ook de leiders van het Nederlandse, Britse en Spaanse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de advocaten gehoord. De advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Gezien de getuigen die reeds gehoord zijn en alles afwegend acht het hof het nogmaals horen van [getuige 6] als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 16. Het horen als getuige van [getuige 7], politie Rotterdam. De verdediging wenst deze persoon aanvullende vragen te stellen over de samenwerking met de Britse autoriteiten. Hij is samen met [getuige 6] bij de Merseyside Police in Liverpool geweest. Het gaat de verdediging om de start van het onderzoek en de rechtmatigheid daarvan. Het verzoek wordt afgewezen op de onder 15 weergegeven gronden. 17. Het horen als getuige van [getuige 8], manager [bedrijf 1] te Berlijn. De verdediging – met uitzondering van de verdediging in de zaak [medeverdachte 4] - wenst deze persoon vragen te stellen over de samenwerking tussen de verdachte [medeverdachte 3] en de firma [firma]. Het hof stelt vast dat deze persoon de voormalig partner van de verdachte [medeverdachte 3] is en de moeder van zijn dochter. Zij is tevens de manager van zijn bedrijf. [Getuige 8] is op 25 november 2005 door middel van een rechtshulp verzoek reeds door de Duitse politie gehoord (blz. 3904 e.v. zaaksdossier [zaaksdossier 1]). Dat de weergave van haar verhoor onjuist dan wel onvolledig zou zijn, is gesteld noch gebleken. Op 25 oktober 2011 is het horen van deze persoon als getuige door het hof toegewezen. Op 16 april 2012 is door de verdediging in alle zaken afstand gedaan van deze getuige (zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2012 en 3 mei 2012, blz. 2 en blz. 11, alsmede het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november en 6 december 2013, blz. 14). Naar het oordeel van het hof is het huidige getuigenverzoek in het licht van het voorafgaande onvoldoende concreet onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen. Overigens: mr. Taekema is vanaf 2005 de raadsman van verdachte [medeverdachte 3]. Het hof is van oordeel dat het verzoek deze persoon (opnieuw) te doen horen veel eerder gedaan had kunnen worden dan eerst ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling ter zitting. Voor het doen horen van deze persoon door de raadsheer-commissaris is immers een rechtshulpverzoek nodig en met de uitvoering daarvan zou enige tijd gemoeid zijn. Gelet op het stadium waarin de procedure zich bevindt, weegt het tijdsverloop in deze zaak zeer zwaar. Alles afwegend, waaronder het belang van een doeltreffende en spoedige berechting, acht het hof het horen van deze persoon als getuige niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 18. Het horen als getuige van [getuige 9], medewerkster van [bedrijf 2]. De verdediging wenst vast te stellen of op initiatief van [bedrijf 3] gezocht moest worden naar een andere opslag en of [getuige 9] contact heeft gehad met enige overheidsdienst over de containers. Het hof stelt vast dat [getuige 9] een administratief medewerkster is van genoemd bedrijf en als zodanig indertijd een verklaring heeft afgelegd tegenover de politie. Voorts stelt het hof vast dat haar directe leidinggevende, [getuige 10], op 10 augustus 2006 door de rechter-commissaris als getuige is gehoord in aanwezigheid van de verdediging. Naar het oordeel van het hof is het verzoek in het licht hiervan onvoldoende concreet onderbouwd en dient het verzoek reeds op deze grond te worden afgewezen. Alles afwegend acht het hof het horen van deze persoon als getuige bovendien niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 19. Het horen als getuige van [getuige 12] van [bedrijf 4]. De verdediging wenst vast te stellen of op initiatief van [bedrijf 3] gezocht moest worden naar een andere opslag en of deze persoon contact heeft gehad met [getuige 9] en/of [getuige 18]]. Naar het oordeel van het hof is dit verzoek onvoldoende concreet onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen. Daar komt het volgende bij. Voor het doen horen van deze persoon door de raadsheer-commissaris is een rechtshulpverzoek nodig en met de uitvoering daarvan zou enige tijd gemoeid zijn. Mr. Taekema is vanaf 2005 de raadsman van verdachte. Het verzoek deze persoon te doen horen had veel eerder gedaan kunnen worden dan eerst ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling ter zitting. Gelet op het stadium waarin de procedure zich bevindt, weegt het tijdsverloop in deze zaak zeer zwaar. Alles afwegend, waaronder het belang van een doeltreffende en spoedige berechting, acht het hof het horen van deze persoon als getuige bovendien niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 20. Het horen als getuige van [getuige 13], vermoedelijk gedetineerd in het Verenigd Koninkrijk. De verdediging wenst deze persoon vragen te stellen over zijn contacten met [getuige 3]. Naar het hof begrijpt gaat het de verdediging erom vast te stellen of [getuige 3] een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte is, alsmede of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Naar het oordeel van het hof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.7 van het arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496 heeft uiteengezet. Naar het oordeel van het hof is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Reeds op deze grond dient het verzoek te worden afgewezen. Het horen van [getuige 13] als getuige over zijn contacten met en wetenschap over [getuige 3] is, afgaande op de onderbouwing van het verzoek, niet dienstig ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte. Gesteld noch anderszins gebleken is dat [getuige 13] enige wetenschap of ondervinding terzake heeft. Voorts: geen van de verdachten heeft gesteld te zijn uitgelokt door [getuige 3] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. De leiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord en de advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Gelet hierop en alles afwegend acht het hof het horen van deze persoon als getuige evenmin noodzakelijk voor enige te nemen beslissing in deze zaak. 21. Het horen als getuige van [getuige 14], waarschijnlijk nog gedetineerd in het Verenigd Koninkrijk. De verdediging wenst deze persoon vragen te stellen over zijn contacten met [getuige 3]. Dit verzoek wordt afgewezen op de onder 20 weergegeven gronden. De slotsom van het voorafgaande is dat alle verzoeken als geformuleerd in de zaak [medeverdachte 3] (mr Taekema) tot het doen horen van getuigen worden afgewezen. Verzoeken om stukken door mr. Taekema Het hof past het in artikel 315 Wetboek van Strafvordering vervatte criterium toe. Het gaat om de vraag of het hof de noodzakelijkheid van de over te leggen bescheiden is gebleken. Zijn de gevraagde stukken noodzakelijk/relevant voor enige door het hof te nemen beslissing? Is de noodzaak ook overigens gebleken? Daarnaast doet hetgeen het hof hiervoor in algemene zin heeft overwogen over het tijdsverloop in deze zaak zijn invloed gelden bij de beoordeling van de verzoeken. 22. Verzocht wordt een volledige vertaling van het Engelse procesdossier [zaaksdossier 4] voor zover dat afwijkt van het dossier [zaaksdossier 3] aan het dossier toe te voegen. Het hof is van oordeel dat het verzoek onvoldoende concreet onderbouwd is en dat niet is voldaan aan het hiervoor weergegeven criterium. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien, waarom overlegging van dit volledige dossier noodzakelijk is voor enige door het hof te nemen beslissing. Uit de onderbouwing van het verzoek kan niet volgen dat overlegging van dit dossier dienstig is ter beantwoording van de vraag wat de Nederlandse autoriteiten wisten, en of in deze strafzaak door hen welbewust werd samengewerkt met een (aanvankelijk) van vervolging vrijgestelde co-conspirator/betrokkene/niet verdachte. Geen van de verdachten heeft voorts gesteld te zijn uitgelokt door [getuige 3] tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium van de aan de verdachten verweten gedragingen is derhalve niet aan de orde. De leiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris gehoord en de advocaat-generaal heeft verantwoording afgelegd ter zitting. Alles afwegend is het hof van oordeel dat de noodzaak van overlegging van dit dossier niet gebleken is. Het verzoek wordt afgewezen. 23. Verzocht wordt een vertaling van het onderzoeksdossier [zaaksdossier 5]. Dit verzoek wordt afgewezen op de onder 22 weergegeven gronden. 24. (Onvolledige) bevraging getuigen Het hof handhaaft de op 21 oktober 2014 genomen beslissing op de daarvoor aangegeven gronden dat het niet te verwachten is dat de getuige [getuige 11] binnen een aanvaardbare termijn een (aanvullende) verklaring zal afleggen dan wel ter terechtzitting zal verschijnen. De medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn als getuigen ter zitting gehoord. De verdediging is in de gelegenheid gesteld vragen te stellen. De getuigen hebben geen vragen beantwoord. Voordat de advocaat-generaal begon aan haar requisitoir is aan alle aanwezigen gevraagd of er nog iets aan de orde moest komen. Nadat alle aanwezigen hadden aangegeven dat er niets meer aan de orde hoefde te komen, heeft de advocaat-generaal haar requisitoir gehouden. De vraag of en zo ja, welke juridische consequenties dienen te worden verbonden aan de in de visie van de verdediging onvolledige wijze van bevraging van deze getuigen zal zo nodig in het kader van de bewijswaardering besproken worden. 25. Tot slot heeft de verdediging verzocht om [man 3] als getuige te doen horen, aangezien deze persoon zich zou hebben uitgegeven voor [alias man 3]blz. 47 pleitnota mr. Taekema). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan het verhoor van deze persoon, die beweerdelijk in Peru actief geweest zou zijn, noodzakelijk is in de zaak van de verdachte [medeverdachte 3], die – evenals zijn medeverdachten – wordt verdacht van in Nederland gepleegde feiten. 5.3 Overige verzoeken Mr. Van Boom heeft in de zaak [medeverdachte 5] een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte 4] als getuige. Het hof overweegt als volgt. De medeverdachte [medeverdachte 4] is als getuige ter zitting gehoord. De verdediging is in de gelegenheid gesteld vragen te stellen. [Medeverdachte 4] heeft als getuige ter terechtzitting meermaals benadrukt dat hij als getuige geen enkele verklaring zal gaan afleggen en dat hij een beroep zal doen op een hem als getuige toekomend verschoningsrecht. Voordat de advocaat-generaal begon aan haar requisitoir is aan alle aanwezigen gevraagd of er nog iets aan de orde moest komen. Nadat alle aanwezigen hadden aangegeven dat er niets meer aan de orde hoefde te komen, heeft de advocaat-generaal haar requisitoir gehouden. Het hof wijst het verzoek af, van oordeel zijnde dat de noodzaak voor een nader verhoor niet gebleken is, zulks gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking nemend dat de vraag of en zo ja, welke consequenties dienen te worden verbonden aan de in de visie van de verdediging onvolledige wijze van bevraging als gevolg van de proceshouding van [medeverdachte 4] als getuige zo nodig aan de orde komt in het kader van de bewijswaardering. Mr. Mannheims heeft in de zaak [medeverdachte 1] voorts het voorwaardelijk verzoek gedaan [getuige 15] als getuige te horen (blz. 46 pleitnota). Het hof stelt vast dat deze persoon als getuige is gehoord door de rechter-commissaris op 10 augustus 2006 in aanwezigheid van diverse raadslieden, waaronder deze raadsvrouw. Het zogeheten noodzaak-criterium is van toepassing. In het licht van de onderbouwing van het verzoek, zie genoemde vindplaats, acht het hof het niet noodzakelijk deze persoon als getuige te horen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Mr. Wolffs heeft in de zaak van [medeverdachte 6] verzocht om de medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige te horen. Dit verzoek wordt afgewezen op de hiervoor onder 2 vermelde gronden. Voorts heeft mr. Wolffs bij pleidooi blijkens blz. 27 van haar pleitnota verzocht de agenda, aangetroffen in de map in de aktetas in de Volvo, in te zien. Het hof zal de beweerdelijk door [medeverdachte 6] gemaakte aantekeningen in de agenda niet gebruiken voor het bewijs. Daarmee is het verzoek niet relevant voor enige door het hof te nemen beslissing en is er geen noodzaak voor toewijzing van het verzoek. Mr. Nooitgedagt heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [verdachte] als verdachte en mr. [officier van justitie] als getuige. Aan de voorwaarde waaronder deze verzoeken zijn gedaan, is voldaan. Het verzoek tot het horen van mr. [officier van justitie] als getuige wordt afgewezen op de hiervoor onder 4 vermelde gronden. Wat betreft het horen van [verdachte] als verdachte maakt het hof onderscheid tussen enerzijds het aanwezigheidsrecht als verdachte ter zitting in Nederland en anderzijds het afleggen als verdachte van een verklaring via videoverhoor vanuit Peru. Het hof gaat daarbij uit van de navolgende feiten en omstandigheden. [verdachte] is op 12 november 2005 in [locatie bedrijf 6] aangehouden en hij heeft zich tot 11 november 2008 in Nederland in voorlopige hechtenis bevonden. Met ingang van deze datum is hij onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Indertijd woonde hij met zijn gezin in Lyon, Frankrijk. Om hem moverende redenen is hij naar Peru gereisd, wetend dat er in Peru (mede) ten laste van hem aanzienlijke beslagen op vermogensbestanddelen waren gelegd en er een strafrechtelijk opsporingsonderzoek wegens witwassen naar hem liep, met alle risico’s van arrestatie van dien. Bij de uitreis vanuit Peru op 23 november 2013 met als uiteindelijke bestemming Nederland ten behoeve van de zitting van 25 november 2013 is hij aangehouden. Sedertdien heeft hij zich in detentie in Peru bevonden. In de periode van 25 november 2013 tot en met 6 december 2013 was de inhoudelijke behandeling van de zaak gepland. Deze inhoudelijke behandeling heeft onder meer vanwege de op dat moment bestaande onduidelijkheid over de situatie en positie van [verdachte] geen doorgang gevonden op verzoek van de verdediging (blz. 6 genoemd proces-verbaal). Behalve [verdachte] staan nog zes andere personen terecht. De behandeling van die zaken heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd plaatsgevonden. De omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling van de zaak eind 2013 niet kon worden voortgezet, heeft ook vertraging in de inhoudelijke behandeling van de zaken van die medeverdachten teweeggebracht. Ter zitting van 25 november 2013 heeft de raadsman van [verdachte] verklaard (blz. 16 proces-verbaal): “Mijn cliënt wenst niet verhoord te worden via videoconferentie of middels een rogatoire commissie. … Mijn cliënt zal geen woord verklaren, zolang hij in Peru is gedetineerd.” Het hof heeft deze verklaring opgevat als een ondubbelzinnige weigering om als verdachte te verklaren vanuit detentie in Peru. Bij brief van 18 maart 2014 is door het hof aan de raadsman van [verdachte] onder meer bevestigd dat de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 plaats zou vinden. Bij brief van 24 maart 2014 heeft de advocaat-generaal de raadsman van [verdachte] bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen ten behoeve van [verdachte]. Op 15 oktober 2014 heeft het hof een e-mail d.d. 25 februari 2014 van de Peruviaanse autoriteiten ontvangen (vertaald vanuit het Spaans), inhoudend het bericht dat het mogelijk is [verdachte] via een video-verbinding in de Peruviaanse gevangenis te horen. Bij fax van donderdag 16 oktober 2014 heeft de raadsman van [verdachte] de advocaat-generaal en het hof onder meer bericht dat zijn cliënt bereid is om een verklaring af te leggen middels videoverbinding. Op maandag 20 oktober 2014 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak een aanvang genomen. Op dit moment staat er geen rechtshulpverzoek uit op basis waarvan [verdachte] als verdachte door middel van een videoverbinding gehoord kan worden in Peru. Het Openbaar Ministerie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar en 9 maanden plus een boete van € 50.000,= geëist tegen [verdachte]. Het gegeven dat na de weigering een verklaring vanuit detentie in Peru af te leggen op 25 november 2013 eerst op 16 oktober 2014 bericht is dat [verdachte] zijn proceshouding gewijzigd had, brengt mee dat het niet mogelijk is om het aanwezigheidsrecht van [verdachte] effect te doen hebben zonder dat dit wederom leidt tot aanhouding van de behandeling van de zaak. De omvang van de zaak is zodanig dat afsplitsing van de zaken van één of meer verdachten vanuit een oogpunt van consistente beoordeling van het geheel niet aan de orde is. De beslissing de behandeling van de zaak [verdachte] aan te houden heeft derhalve ook consequenties voor de behandeling van de zaak van de medeverdachten. Alle ter terechtzitting aanwezige medeverdachten hebben aangegeven te lijden onder de lange duur van de procedure. Op 25 november 2013 hebben zij al meegemaakt dat de geplande inhoudelijke behandeling geen doorgang vond onder meer als gevolg van de arrestatie van [verdachte] en de op dat moment bestaande onzekerheid over zijn positie en de eventuele duur van zijn detentie. Dit heeft geleid tot een uitstel van 11 maanden. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting dient een afweging gemaakt te worden tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting (HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:BY5709). Wat betreft het aanwezigheidsrecht van [verdachte] als verdachte ter terechtzitting in Nederland wijst het hof erop dat de advocaat-generaal bij brief van 24 maart 2014 zeer duidelijk heeft bericht geen uitleveringsverzoek aan Peru te zullen doen, terwijl aan de raadsman namens het hof op 18 maart 2014 bericht is dat de inhoudelijke behandeling gepland was voor oktober 2014. In Nederland is de verdediging in de periode na 24 maart 2014 niet opgekomen tegen het niet doen van een uitleveringsverzoek. Het hof begrijpt dat in Peru wel gepoogd is om [verdachte] vrij, althans het land uit te krijgen. Afwegend enerzijds het zwaarwegend belang van [verdachte] om als verdachte in zijn eigen zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn, maar anderzijds het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting, de belangen van de medeverdachten en de duur van de periode dat bekend is dat het Openbaar Ministerie geen uitlevering zal vragen, is het hof van oordeel dat het belang dat deze zaak uit 2005 thans zonder verder uitstel berecht wordt, voorrang heeft. Wat betreft het belang dat [verdachte] als verdachte in zijn zaak vanuit detentie in Peru een verklaring via videoverbinding kan afleggen, overweegt het hof als volgt. Vanaf 24 maart 2014 heeft de verdediging zich kunnen en moeten realiseren dat, uitgaande van de situatie in Nederland, de inhoudelijke behandeling in oktober 2014 zou plaatsvinden, terwijl [verdachte] nog in detentie in Peru verbleef. Evenzeer heeft de verdediging zich toen moeten realiseren dat een verhoor van [verdachte] als verdachte door middel van een videoverbinding tot de mogelijkheden behoorde, maar dat daar wel een rechtshulpverzoek en technische voorzieningen voor benodigd waren (zie hiervoor onder 1 e). Echter, zolang de verdediging niet kenbaar maakt dat [verdachte] bereid is om aldus een verklaring af te leggen, zal iedereen – met recht – uitgaan van de door de raadsman op 25 november 2013 ter zitting afgelegde verklaring dat [verdachte] niet verhoord wenst te worden via videoconferentie of een rogatoire commissie en niet zal verklaren zolang hij gedetineerd is. Door eerst op 16 oktober 2014 kenbaar te maken dat de proceshouding van [verdachte] veranderd is, is het de autoriteiten onmogelijk gemaakt tijdig een rechtshulpverzoek te doen uitgaan ten behoeve van een videoverhoor in de periode rond 20 oktober 2014. Derhalve ligt de vraag thans voor of alsnog en wederom de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden ten behoeve van een videoverhoor van [verdachte] als verdachte. Afwegend enerzijds het zwaarwegend belang van [verdachte] om als verdachte te kunnen verklaren en naar voren te brengen wat hij dienstig acht en anderzijds de omstandigheid dat de inhoudelijke behandeling in november 2013 op verzoek van de raadsman van [verdachte] vanwege diens detentie toen niet is voortgezet, alsmede het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting en de belangen van de medeverdachten, is het hof van oordeel dat het belang dat deze zaak uit 2005 thans berecht wordt, voorrang heeft. Voorts heeft mr. Nooitgedagt, de raadsman van [verdachte], in aanvulling op de pleitnotities een voorwaardelijk verzoek gedaan tot overlegging van stukken (naar het hof begrijpt: afkomstig uit Peru) voor het geval het hof de feitelijke grondslag van het verweer niet aannemelijk acht. Zoals uit het hiernavolgende blijkt, is die voorwaarde vervuld. Naar het hof begrijpt strekt het verzoek ertoe door middel van bescheiden de stelling te onderbouwen dat [verdachte] zich bezig hield met reguliere handel. Het hof past het in artikel 315 Wetboek van Strafvordering vervatte criterium toe tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen op bladzijde 5 en 6 van dit arrest. Naar het oordeel van het hof is het verzoek onvoldoende concreet onderbouwd en is ook overigens de noodzaak niet gebleken. Ook heeft de raadsman van [verdachte] in aanvulling op de pleitnotities een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen als getuige van [man 3]. Het verzoek wordt afgewezen op de onder 25 weergegeven gronden. Dit betekent dat de verzoeken tot heropening van het onderzoek en aanhouding worden afgewezen. 6Bespreking van de gevoerde verweren 6.1 Onvoltooid onderzoek De raadsman van de verdachte [medeverdachte 3], mr. Taekema, heeft betoogd dat het onderzoek onvoltooid is, zodat het onderzoek heropend moet worden. Alle raadslieden in de zaken van de medeverdachten hebben zich hierbij aangesloten, al dan niet onder aanvulling van gronden. Het hiernavolgende geldt in alle zaken. Het hof verwerpt het verweer dat het onderzoek onvolledig is geweest en het acht zich voldoende voorgelicht, ook inzake de internationale samenwerking. Het hof stelt vast dat in deze zaak geen Joint Investigation Team is opgericht. Het bepaalde in de artikelen 552qa tot en met 552qe van het Wetboek van Strafvordering mist derhalve toepassing. [medeverdachte 3], noch een van zijn medeverdachten, heeft gesteld door [getuige 3] te zijn uitgelokt tot handelingen waarop zijn opzet niet was gericht. Beoordeling aan de hand van het Tallon-criterium is derhalve niet aan de orde. Het hof wijst erop dat geen verklaringen van [getuige 3] als bewijsmiddel worden gebruikt. Dat bij het Openbaar Ministerie/de advocaat-generaal sprake is van wetenschap van relevante informatie die buiten beeld van het hof en de verdediging wordt gehouden, is niet aannemelijk geworden. Mr. Taekema heeft het hof verzocht het requisitoir in de zaak [zaaksdossier 2] als processtuk als integraal ingelast te beschouwen in de zaak [medeverdachte 3]. Het hof wijst dit verzoek af, van oordeel zijnde dat de noodzaak daartoe niet gebleken is en dat ook overigens de relevantie hiervan niet is gebleken. Waar [medeverdachte 3] wordt verdacht van betrokkenheid in Nederland bij in november 2005 gepleegde strafbare feiten, is het gestelde ontbreken van betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij eerder gepleegde strafbare feitendoor een – volgens de raadsman – deels identieke, deels andere dadergroep niet relevant in belastende of ontlastende zin voor enige door het hof thans in de onderhavige zaak te nemen beslissing. Hetzelfde geldt op gelijke gronden voor de medeverdachten ten aanzien van wie de latastransporten niet afzonderlijk ten laste zijn gelegd of als zodanig aan de orde zijn in hoger beroep. In de zaken van de verdachten ten aanzien van wie de latastransporten wel aan de orde zijn, is het betreffende requisitoir vanzelfsprekend reeds processtuk. 6.2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De raadsman in de zaak [medeverdachte 3], mr. Taekema, heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Veel raadslieden van medeverdachten hebben zich hierbij aangesloten onder aanvulling van gronden. Het hiernavolgende geldt in alle zaken, waarbij ten aanzien van eventuele aanvulling van gronden is aangegeven in welke zaak dit heeft plaatsgevonden. Het hof herhaalt zijn vaststelling dat in deze zaak geen Joint Investigation Team is opgericht. De stelling dat sprake is van een zodanig nauwe samenwerking en informatieverstrekking dat gesproken kan worden over één locatieoverstijgend opsporingsteam is niet aannemelijk geworden. De hiermee samenhangende stelling van de verdediging dat aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal in het Nederlandse strafdossier ernstig moet worden getwijfeld, is evenmin aannemelijk geworden. Van een schending van het recht op een eerlijk proces is geen sprake geweest. De teamleiders van het Nederlandse, Spaanse en Britse politieonderzoek zijn door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord. De Engelse teamleider is – mede als gevolg van de toepasselijke ‘Disclosure Rules’ – niet (volledig) bevraagd kunnen worden door de verdediging. Bij alle verdachten gaat het echter om in Nederland gepleegde strafbare feiten. Geen van de verdachten stelt te zijn uitgelokt door [getuige 3] tot iets waarop zijn opzet niet was gericht. Toetsing aan het Tallon-criterium is daarmee niet aan de orde. [getuige 3] heeft geen verklaringen afgelegd. Er doet zich niet een situatie van onthouding van relevante informatie voor. Dat bij het Openbaar Ministerie/de advocaat-generaal sprake is van wetenschap van relevante informatie die buiten beeld van het hof en de verdediging wordt gehouden, is niet aannemelijk geworden. Zowel Spanje als het Verenigd Koninkrijk zijn tot het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toegetreden. De wijze waarop van de door die landen verschafte onderzoeksresultaten in Nederland in deze strafzaak gebruik wordt gemaakt, vormt geen inbreuk op verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Er doet zich niet de situatie voor dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel enig ander in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemd rechtsgevolg, is derhalve in zoverre niet aan de orde. Wat betreft de op zichzelf vaststaande schending van de redelijke termijn verwijst het hof naar hetgeen hierna wordt overwogen. Mr. Wolffs heeft in de zaak van [medeverdachte 6] er in dit kader ook een beroep op gedaan dat [verdachte] en [medeverdachte 2] niet als getuigen zijn gehoord. Het hof handhaaft de eerder in dit arrest genomen beslissingen aangaande het niet meer horen van deze personen als getuige. Het hof handhaaft eveneens zijn beslissing in dit arrest aangaande de volledigheid van het onderzoek. De omstandigheid dat deze personen niet als getuige gehoord zijn, levert geen onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op. Deze omstandigheid kan derhalve niet toe- of afdoen aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In aanvulling op het voorafgaande is in de zaak van [medeverdachte 1] door mr. Mannheims betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens – kort gezegd – gebrekkige verslaglegging door het rechercheteam inzake de start van het onderzoek en de internationale contacten, de ernstige schending van de redelijke termijn en het door verdachte gedurende 6½ jaar moeten leven met de mogelijkheid dat hij een zeer forse reststraf alsnog moet uitzitten. Het hof stelt vast dat van een onherstelbaar vormverzuim inzake de verslaglegging geen sprake is, nu de teamleiders van het Britse, Spaanse en Nederlandse politieonderzoek door de raadsheer-commissaris gehoord zijn, alsook diverse andere politieambtenaren. Voorts heeft de advocaat-generaal verantwoording afgelegd ter zitting. Er is dus in zoverre geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dan wel van enige schending van beginselen van een goede procesorde of enig ander beginsel dat het wettelijk systeem en de eerlijkheid van het proces in de kern raakt. Vaststaat dat de redelijke termijn geschonden is en dat alle verdachten te maken hebben met de gevolgen daarvan. Gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, is het hof van oordeel dat het hieraan te verbinden rechtsgevolg niet de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te zijn, maar strafvermindering. In het hiernavolgende zal hierop in meer detail worden ingegaan. De omstandigheid dat [verdachte] niet is opgeroepen in de gevangenis in Peru waar hij gedetineerd is, leidt niet tot een ander oordeel. Op 20 oktober 2014 is ter terechtzitting in alle openheid besproken dat er geen oproep was uitgegaan voor de diverse zittingsdagen naar die gevangenis, maar wel naar de andere van [verdachte] bij justitie bekende en opgegeven adressen. De raadsman heeft toen verklaard geen beroep te doen op het ontbreken van een oproeping in Peru, dat zijn cliënt op de hoogte was van de zitting en dat hij bepaaldelijk gemachtigd was. De raadsman heeft ter zitting van 31 oktober 2014 een gelijke verklaring afgelegd voor wat betreft de zitting van 7 november 2014, waarop het onderzoek ter terechtzitting gesloten is. Het hof heeft deze verklaringen opgevat en mogen opvatten als een verklaring strekkende tot afstand van een beroep op een onjuiste betekening van de oproepen. Voor het overige verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen inzake het aanwezigheidsrecht van [verdachte]. Mr. Nooitgedagt stelt dat in de zaak [verdachte] het vertrouwen is gewekt dat het Openbaar Ministerie een rechtshulpverzoek ter fine van uitlevering aan de Peruaanse autoriteiten zou richten. Het hof stelt vast dat in maart 2014 door het Openbaar Ministerie is besloten om dit niet te doen, omdat geen medewerking vanuit Peru te verwachten viel. Gezien de motivering van dit besluit in de brief van 24 maart 2014 is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot dit besluit is kunnen komen nadat eerder op serieuze wijze de mogelijkheden tot uitlevering zijn onderzocht. Op meer kan [verdachte] als persoon met de Nederlandse nationaliteit geen aanspraak maken. Hetgeen de raadsman aanvoert op de blz. 17 tot en met 23 van zijn pleitnota leidt niet tot een ander oordeel. Van enige schending van beginselen van behoorlijke procesorde door dit besluit te nemen is op zich zelf genomen geen sprake. Vraag is evenwel of dit anders wordt door de voorgeschiedenis. Uit de door mr. Nooitgedacht overgelegde email-correspondentie, in het bijzonder de emails als weergegeven op blz. 14 tot en met 16 van de pleitnotities, blijkt dat de toenmalig advocaat-generaal de mogelijkheid van een uitlevering van [verdachte] aan Nederland in december 2013 en januari 2014 serieus onderzocht heeft en dat hij zich gezet heeft aan de voorbereiding van een rechtshulpverzoek. Hij hoopte dit, blijkens de email d.d. 27 januari 2014, zelf nog af te kunnen werken. Hoewel de raadsman stelt dat bij hem door de email van 27 januari 2014 het vertrouwen is gewekt dat het Openbaar Ministerie de uitlevering van [verdachte] zou vragen aan Peru, heeft hij enige dagen daarvoor, te weten op 24 januari 2014, aan de toenmalig advocaat-generaal het volgende gemailed: “.. heb ik … begrepen dat de Peruaanse autoriteiten zouden hebben bericht niet welwillend (te staan) tegenover het medewerken aan een uitlevering van Ment naar Nederland. Zodra ik daarvan schriftelijke bevestiging heb ontvangen zal ik u die toezenden.”. Het hof leidt hieruit af dat het op 24 januari 2014 bij zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie bekend was dat er ernstig rekening gehouden zou moeten worden met de mogelijkheid dat een verzoek om uitlevering niet tot het gewenste resultaat zou leiden. Wat er ook zij van het door de verdediging gestelde vertrouwen in het doen uitgaan van een rechtshulpverzoek door het Openbaar Ministerie, van een gerechtvaardigd vertrouwen in een goede afloop is bij de verdediging op geen enkel moment sprake geweest. Onder deze omstandigheden en gezien de motivering van de beslissing van het Openbaar Ministerie in de brief van 24 maart 2014 om geen verzoek tot uitlevering te doen uitgaan, is geen sprake van een schending van eerder gewekt gerechtvaardigd vertrouwen bij [verdachte] door het Openbaar Ministerie. Het verweer kan dan ook niet leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De raadsman van [verdachte] stelt dat in januari 2006 in Peru een deal is gesloten tussen de Nederlandse en Peruaanse autoriteiten, inhoudend dat afgesproken is dat “Nederland de drugs doet en Peru het geld”. Voorts stelt de raadsman dat in strijd met de afspraak is ingestemd met vervolging in Peru voor dezelfde feiten als die thans aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, te weten de Latas-transporten, alsmede vervolging in Peru wegens witwassen terwijl in Nederland een ontnemingsvordering is ingesteld. Door de feitelijke overdracht van het dossier [zaaksdossier 3] en deze afspraken over de vervolging wordt [verdachte] in twee Staten voor hetzelfde feitencomplex vervolgd, aldus de verdediging. Het hof gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden: [verdachte] is op 12 november 2005 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij invoer in Nederland van een grote hoeveelheid cocaïne. Vanaf die datum tot en met 11 november 2008 heeft hij zich in Nederland in voorlopige hechtenis bevonden. De aan het oordeel van het hof onderworpen strafbare feiten staan vermeld in de tenlastelegging en zijn in dit arrest weergegeven en betreffen – kort gezegd – invoer in Nederland van hoeveelheden cocaïne in 2004 en 2005. Het ontnemingsdossier, gebaseerd op het onder 2 ten laste gelegde feit, is op dit moment niet onderworpen aan het oordeel van het hof en bevindt zich bij de rechtbank Rotterdam. Naar Nederlands recht is ‘witwassen’ een ander strafbaar feit dan betrokkenheid bij invoer in Nederland van een (grote) hoeveelheid cocaïne. Op 12 januari 2006 zouden in Peru afspraken zijn gemaakt over de vervolging tussen de daartoe bevoegde autoriteiten. In Peru zijn beslagen gelegd op bezittingen van [verdachte] en familieleden. Naar het hof begrijpt heeft dit plaatsgevonden nà de genoemde bijeenkomst in januari 2006. [verdachte] bevindt zich sedert 23 november 2013 in Peru in detentie. Naar het hof begrijpt is er nog geen definitieve aanklacht, maar wordt hem in Peru witwassen verweten van gelden verkregen uit cocaïne transporten. In ieder geval is in Peru nog niet ten gronde onherroepelijk over de hem verweten feiten beslist. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof allereerst af dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft hierbij de criteria geformuleerd in HR 1.2.2011, ECLI:NL:HR:BM9102 toegepast. Het verbod cocaïne in te voeren als neergelegd in de Opiumwet strekt ter bescherming van de volksgezondheid tegen voor de volksgezondheid schadelijke stoffen. Witwassen is een vorm van begunstiging waarbij de integriteit van het financiële en economische verkeer voorop staat. De juridische aard van de feiten wijst er dus op dat het gaat om verschillende gedragingen in de zin van genoemd artikel. Dat beide feiten naar Nederlands recht misdrijven betreffen, doet daar niet aan af, aangezien de hoogte van de strafbedreiging sterk uiteenloopt. De feiten waarvoor [verdachte] zich in deze zaak dient te verantwoorden zijn gepleegd in Nederland. Naar het hof begrijpt zou het witwassen in Peru gepleegd zijn. Dit verschil is dermate groot dat ook op deze grond niet de conclusie getrokken kan worden dat sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Wetboek van Strafrecht. Voor zover de verdediging zou betogen dat [verdachte] in Peru vervolgd wordt wegens de als uitvoer van cocaïne geduide Latas-transporten (het hof begrijpt aldus de vijfde alinea op blz. 33 van de pleitnota – “Immers hebben de Nederlandse autoriteiten …”-), dan geldt het volgende. Het verbod cocaïne uit te voeren en het verbod cocaïne in te voeren zijn gegeven met het oog op de belangen van de volksgezondheid. De geschonden rechtsbelangen zijn echter andere. Uitvoeren is bovendien iets anders dan invoeren. Ook de pleegplaats – Peru versus Nederland – is zeer verschillend. Deze verschillen brengen mee dat geen sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Wetboek van Strafrecht. Daarnaast geldt dat ingevolge het derde lid van art. 68 Wetboek van Strafrecht niemand kan worden vervolgd wegens een feit dat te zijnen aanzien in een vreemde Staat onherroepelijk is afgedaan. In deze zaak is daarvan geen sprake blijkens de hiervoor vastgestelde feiten. Slotsom is dat geen strijd is met ne bis in idem. De vraag of hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van de ontnemingsvordering op basis van de Latas transporten ten opzichte van het witwas-verwijt in Peru ligt niet ter beoordeling voor. Van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde (nemo debet bis vexari) kan gezien het voorafgaande evenmin sprake zijn. Voor niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting dan wel strafmaat vermindering is geen grond. Het verzoek mw mr [officier van justitie] te horen wordt afgewezen op de hiervoor onder 4 weergegeven gronden. Tot slot klaagt de raadsman in het kader van het niet ontvankelijkheidsverweer over de schending van de verbaliseringsplicht ex art. 152 Wetboek van Strafvordering. Het hof stelt het volgende voorop. De verbaliseringsplicht ziet op al het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Ook wanneer de gebeurtenissen redelijkerwijs niet van belang kunnen zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing, dan nog moet worden voorzien in een zodanige verslaglegging dat doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van de rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording terzake. Het hof stelt vast dat [getuige 1] als getuige heeft verklaard dat van de bijeenkomst in Peru geen verslaglegging heeft plaatsgevonden. Ook de advocaat-generaal erkent op blz. 18 van haar requisitoir in de zaak [zaaksdossier 1] dat de taakverdeling niet schriftelijk is vastgelegd. In het licht van het ne-bis-in-idem verweer is de samenvatting van de gemaakte afspraken door het Openbaar Ministerie: “Wij de drugs, zij het geld”, tamelijk primitief. Dit geldt temeer wanneer bedacht wordt dat inmiddels een ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt bij de rechtbank Rotterdam. Het hof stelt vast dat het niet vastleggen van de gemaakte afspraken een vormfout oplevert. Het hof volstaat ermee deze fout te constateren en verbindt daar in deze zaak geen verdere consequenties aan. Dit brengt mee dat voor niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting dan wel strafmaat vermindering geen grond is. 6.2.1 Gebrekkige verslaglegging Voor zover door de verdediging is gewezen op de gebrekkige wijze van verslaglegging door de recherche met betrekking tot de vernietiging van de aangetroffen cocaïne, wordt die conclusie door het hof gedeeld. Deze verantwoording is ronduit ondoorzichtig te noemen. Het hof heeft de op de vernietiging betrekken hebbende stukken dan ook niet gebezigd voor het bewijs. Wel wordt overwogen dat deze ondoorzichtige verantwoording van de vernietiging van de cocaïne niet afdoet aan het oordeel omtrent de zogeheten ‘chain of custody’, omdat die keten van bewijs reeds volgt uit de wel door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Gelet op de gebreken in de verslaglegging kunnen deze stukken omtrent de vernietiging ook niet bijdragen aan het oordeel dat aan de juistheid van de in de kluisregistratie vermelde wegingen dient te worden getwijfeld. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd, dat een rechterlijke controle door de gebrekkige verslaglegging omtrent de vernietiging van de uit de [CONTAINER 2] afkomstige cocaïne niet dan wel onvoldoende mogelijk is geweest en dat dit op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering uiteindelijk – al dan niet in samenhang met andere gebreken in het onderzoek – dient te leiden tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, wordt het volgende overwogen. De gebreken met betrekking tot de verslaglegging van de vernietiging van de cocaïne leveren zelfstandig, noch in samenhang met andere in het onderzoek gebleken gebreken, een niet voor herstel vatbare vormfout in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op. Een rechterlijke controle op de zogeheten ‘chain of custody’ alsmede de wegingen zoals vermeld in de kluisregistratie heeft, zoals hierna zal worden uiteengezet, immers plaatsgevonden. Waar geen sprake is van een vormfout in voormelde zin, komt de vraag welk rechtsgevolg daaraan dient te worden verbonden niet aan de orde. Het verweer wordt verworpen. 6.2.2 Doorlaten Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard nu het Openbaar Ministerie cocaïne “gecontroleerd" heeft doorgelaten zonder dat daarvoor schriftelijke toestemming is verleend dan wel dat zij anderszins het bepaalde in artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering heeft geschonden, wordt het volgende overwogen. Dit verweer wordt verworpen. In de onderhavige zaak is geen sprake van doorlaten. Onder ‘doorlaten’ moet blijkens de parlementaire geschiedenis worden verstaan "het onder regie van politie en justitie bewust op de markt laten komen van illegale goederen". In dit geval is de cocaïne na ontdekking in beslag genomen, met uitzondering van een blik met ongeveer 303 gram cocaïne, dat is teruggeplaatst op een pallet, teneinde in het belang van het onderzoek op een later tijdstip in beslag te worden genomen, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. Op geen enkel moment heeft het gevaar bestaan dat de cocaïne op de markt zou komen. Artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering is in het onderhavige geval dan ook niet van toepassing. Ook voor zover door de verdediging (subsidiair) is aangevoerd dat er is gehandeld in strijd met de strekking van voornoemd artikel, wordt het verweer verworpen nu de teruggeplaatste hoeveelheid verdovende middelen vanaf het moment van terugplaatsing tot aan het moment van aanhouding van de verdachte voortdurend onder observatie en controle van opsporingsambtenaren is geweest teneinde te voorkomen dat de middelen in het criminele en/of druggebruikerscircuit terecht zouden komen. Van een niet meer te herstellen vormfout in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is mitsdien geen sprake, zodat de vraag of en zo ja welke rechtsgevolgen daaraan verbonden dienen te worden, niet aan de orde komt. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de wettelijke verplichting tot in beslagneming in artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering niet in het leven is geroepen tot bescherming van de belangen van de verdachte. De verdachte van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich - behoudens bijzondere omstandigheden die zijn gesteld noch gebleken - niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen voor het betoog dat dit moet leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. 6.2.3 Artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering Het hof heeft gezien het voorafgaande en het hiernavolgende niet kunnen vaststellen dat de verbaliseringsplicht ex artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering is geschonden voor wat betreft de aangetroffen (aantallen blikjes met) cocaïne, de chain of custody en het onderzoek door het NFI van monsters, zodat ook dat onderdeel van het verweer wordt verworpen. 6.3 Invoer van blikken (zaak [zaaksdossier 1]) Met betrekking tot de zaak [zaaksdossier 1] is door de verdediging – zakelijk weergegeven – bepleit dat de zogeheten ‘chain of custody’ die betrekking heeft op de in een tweetal containers aangetroffen cocaïne, door de opsporingsambtenaren in de diverse processen-verbaal onvolledig en onjuist is verantwoord waardoor de verdachte in zijn belangen (een eerlijk proces) is geschaad. Daaraan dient primair de conclusie te worden verbonden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Subsidiair is vrijspraak bepleit. Meer subsidiair is bepleit dat een hoeveelheid van ongeveer 1650 kilo van een materiaal bevattende cocaïne niet bewezen kan worden, omdat een dergelijke hoeveelheid niet uit de bewijsmiddelen kan blijken, aldus op hoofdlijnen het standpunt van de verdediging. Alvorens op het verweer alsmede de onderdelen daarvan in te gaan, wordt door het hof vastgesteld van welke feiten wordt uitgegaan. Op grond van de bewijsmiddelen - waarnaar wordt verwezen in de voetnoten van deze paragraaf - stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. 6.3.1 Verzending van conserven vanuit Peru a. Een drietal containers met de nummers [container 1] (verder: de [container 1]), [container 2] (verder: de [container 2]) en [container 3] (verder: de [container 3]) is verscheept vanaf Callao (Peru) naar Rotterdam met de ‘[schip 1]’. De [schip 1] vertrok op 11 oktober 2005 vanuit Peru. Het bedrijf [bedrijf 5] te Rotterdam had via een zakenpartner genaamd [bedrijf 4] uit Hamburg opdracht gekregen om deze drie containers in te klaren en tevens de opdracht gekregen om deze containers te vervoeren en af te leveren bij [bedrijf 6], [locatie bedrijf 6]. [bedrijf 6] had de beschikking over de originele bescheiden betreffende dit transport en had ten behoeve van dit transport contact met het bedrijf [bedrijf 5]. Dit bedrijf heeft documenten die betrekking hadden op dit transport ter beschikking gesteld aan opsporingsambtenaren die belast waren met het onderzoek naar het transport. Op de packing list met daarop een bedrijfslogo “[bedrijf 7]” behorende bij de [container 1] staat onder meer vermeld dat de container 20 pallets bevat met telkens 1.800 blikken Pimiento Piquillo Tiras (pikante paprika’s), in totaal dus 36.000 blikken. Op deze paklijst staat [bedrijf 7], vermeld als verkoper en [bedrijf 8], vermeld als koper. De bij deze partij conserven behorende factuur van [bedrijf 7] vermeldt een totaalbedrag van 20.151,- USA dollar. Op een soortgelijke packing list behorende bij de [container 2] staat onder meer vermeld dat de container 20 pallets bevat met telkens 2.970 blikken (fiesta) Esparrago Blanco Entero (witte asperges), in totaal dus 59.400 blikken. Op deze paklijst staan dezelfde partijen vermeld als genoemd onder b. De bij deze partij conserven behorende factuur van [bedrijf 7] vermeldt een totaalbedrag van 22.953,60 USA dollar. Op een soortgelijke packing list behorende bij de [container 3] staat onder meer vermeld dat de container 20 pallets bevat met telkens 245 blikken (A-10), Esparrago Blanco Puntas y Trozos (06-12 mm). Op deze paklijst staan dezelfde partijen vermeld als genoemd onder b. De bij deze partij conserven behorende factuur van [bedrijf 7] vermeldt een totaalbedrag van 13.003,- USA dollar. Getuige [getuige 10] heeft verklaard dat [verdachte] hem belde in verband met drie containers in de haven te Rotterdam en dat hij ook door iemand die zich voorstelde als [getuige 16] daarover was gebeld. Voorts heeft hij verklaard dat hij in oktober 2005 op uitnodiging van [verdachte] naar Peru is gegaan, dat hij naar het kantoor van [bedrijf 9] is gegaan waar [verdachte] directeur is en dat [bedrijf 9] een exportbedijf is. Voorts heeft hij verklaard dat hij in de buurt van Ica een packingstation voor asperges heeft bezocht en dat hij in Lima naar een canningfabriek is geweest waarvan [verdachte] de eigenaar is en alwaar hij van [verdachte] een rondleiding heeft gekregen. 6.3.2 Aankomst en aflevering van conserven te Rotterdam en [locatie bedrijf 6] Motorschip [schip 1], met aan boord de drie genoemde containers, is op 1 november 2005 binnengekomen en lag aangemeerd in de [haven 1] op het terrein van de [bedrijf 10] binnen de gemeente Rotterdam. Een aantal pallets met ronde (paprika)blikken in de [container 1] en pallets met platte (asperge)blikken in de [container 2] bleken zoals hierna wordt vermeld, contrabande te bevatten. De blikken met contrabande bleken steeds in het midden op de pallets te zijn geplaatst. Na verwijdering van de contrabande werden de containers op vrijdag 11 november 2005 vervoerd naar een loods gevestigd aan de [locatie bedrijf 6]. Op 12 november 2005 werd genoemde loods door de recherche doorzocht. In het voorste gedeelte van de loods, gezien vanaf de inrit, werden 60 pallets met blikken aangetroffen, 20 pallets beladen met kleine zilverkleurige ronde blikken; 20 pallets beladen met grote zilverkleurige ronde blikken en 20 pallets beladen met goudkleurige rechthoekige platte blikken. Op de pallet voorzien van nummer 05 (door de politie aangeduid met nr. 7) lag een geopende gele envelop met daarin diverse documenten. Op de pallet die door de politie met nummer 50 is aangeduid, lag een opschrijfboekje. i. In de genoemde gele envelop zaten onder meer paklijsten en facturen die identiek zijn aan de hiervoor onder b, c en d genoemde documenten. Voorts is in de gele envelop een kopie van een handgeschreven lijst (lijst 1a) aangetroffen die betrekking heeft op de [container 2] en is in de gele envelop eveneens een kopie van een handgeschreven lijst (lijst 7) aangetroffen die betrekking heeft op de [container 1]. Het origineel van de in de gele enveloppe aangetroffen lijst 1a is aangetroffen in de woning van [verdachte] in de map “Clientes [firma]”. Het onder h. genoemde opschrijfboekje (C.C3.18) bevat op de eerste bladzijde handgeschreven rekensommen, waaronder 96 x 7 = 672. Bij de doorzoeking in de loods werd een beige jack aangetroffen en in beslag genomen met daarin onder meer een briefje met aantekeningen (goedcode C.C.1.4). Op het briefje staan horizontaal naast elkaar de getallen 14 t/m 20. Onder de getallen 14 t/m 19 staat telkens 4 maal het getal 78 en tenslotte het getal 312 zijnde de som van 4 maal 78. Onder het getal 20 staat 3 maal het getal 78 en 1 maal het getal 61 en uiteindelijk de som van die getallen: 295. Naast de voornoemde kolommen met getallen staat het getal 2.167 (de som van 6 maal 312 plus 1 maal 295) en daarachter het woord ‘circular’, zijnde het Spaanse woord voor rond. 6.3.3 De [container 1] De [container 1] is door ambtenaren van de Douane op 8 november 2005 onderworpen aan een controle nadat deze container was gelost uit het motorschip [schip 1]. De douaneambtenaren zagen in de [container 1] pallets met daarop blikken zonder etiketten. Op zeven pallets waren de spanbanden op een andere manier bevestigd dan op de overige dertien pallets. Verbalisant [verbalisant 1] heeft van een van de pallets waar de spanbanden op een andere manier waren bevestigd aan de bovenkant een stuk karton verwijderd om bij de blikken te komen en enkele blikken uit het pallet genomen. Na opening bleek een blik paprikastukken te bevatten. Vervolgens heeft deze verbalisant weer stukken karton en blikken verwijderd en zag hij blikken van een andere vorm en kleur. Hij heeft een blik uit het pallet genomen en hoorde een bonkend geluid toen hij daarmee had geschud. Vervolgens heeft hij een blik geopend en zag hij een witte substantie die in doorzichtig folie was gewikkeld. De douaneambtenaren hebben vervolgens een kleine hoeveelheid van die witte substantie getest middels Narcotest Disposakit testbuis nummer 13 bestemd voor het testen van cocaïne, deze reageerde positief. Hierop is de container met inhoud overgedragen aan [verbalisant 2] van de KLPD. Verbalisant [verbalisant 2] heeft omtrent de [container 1] gerelateerd dat deze door de douane is overgedragen en dat in 7 pallets blikken zijn aangetroffen met daarin vermoedelijk cocaïne. De blikken met daarin vermoedelijk cocaïne werden aangetroffen op de pallets met de nummers 14 t/m 20. Op de pallets 14, 15, 16 en 18 werden telkens 312 met cocaïne gevulde blikken aangetroffen verdeeld over 4 slagen van telkens 78 blikken. Op de pallet met nummer 17 werden 313 blikken met cocaïne aangetroffen, daar op 1 slag het afwijkende aantal van 79 blikken werd aangetroffen (in het proces-verbaal staat abusievelijk vermeld dat het totaal aantal blikken 312 zou zijn). Op de pallet met nummer 19 werden 314 blikken met cocaïne aangetroffen daar op 1 slag het afwijkende aantal van 80 blikken werd aangetroffen. Op de pallet met nummer 20 werden 295 blikken met cocaïne aangetroffen daar op 1 slag het afwijkende aantal van 61 blikken werd aangetroffen. In totaal werden 2.170 (in het proces-verbaal staat abusievelijk vermeld 2.169, vermoedelijk als gevolg van de schrijffout 312 in plaats van 313) blikken in beslag genomen waarvan 1 blik werd overgedragen aan het onderzoeksteam ten behoeve van de bemonstering, 1 blik werd in opdracht van de officier van justitie teruggeplaatst op de 6e slag van de pallet 17. De overige blikken werden overgedragen aan het personeel van de douane welke zorg dragen voor het plaatsen in een beveiligde kluis. Verbalisant [verbalisant 3], technisch rechercheur, heeft op 8 en 9 november 2005 op verzoek van verbalisant [getuige 1], assistentie verleend en 7 monsters genomen van wit poeder dat afkomstig was uit blikken van de pallets 14 tot en met 20. [verbalisant 3] heeft tevens foto’s gemaakt van de aangetroffen pallets met ronde conservenblikken waarvan 1 in geopende toestand met daarin zichtbaar een witte substantie (foto 8). De genoemde monsters zijn voor nader onderzoek overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (verder: NFI). Verbalisant [verbalisant 4] heeft gerelateerd dat 2.167 blikken werden geopend en dat daaruit cocaïne, verpakt in een dun laagje cellofaan, werd verwijderd. Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 6 januari 2006 gerelateerd dat op vrijdag 18 november 2005 alle pallets die geplaatst waren in de container [container 1] alsnog gecontroleerd op de aanwezigheid van cocaïne. Hierbij werd, behoudens het blikje dat teruggeplaatst was op pallet nummer 17, geen cocaïne meer aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 5] heeft op 14 maart 2006 een verpakkingseenheid met cocaïne, deel uitmakende van de 2.169 blikken die op 8 november 2005 in beslag werden genomen, gewogen. De cocaïne was verpakt in doorzichtige plastic tape. [verbalisant 5] zag dat 1 verpakkingseenheid 306 gram (inclusief verpakking) woog. Het NFI heeft ten aanzien van alle onder n. genoemde monsters gerapporteerd dat deze cocaïne bevatten. Het referentienummer van de aanvraag onderzoek komt overeen met het kenmerk dat op het deskundigenrapport staat vermeld. 6.3.4 De [container 2] De [container 2] is door ambtenaren van de Douane op 9 november 2005 onderworpen aan een controle nadat deze container was gelost uit het motorschip [schip 1]. De douaneambtenaren zagen in de [container 2] pallets met daarop blikjes zonder etiketten. Verbalisant [verbalisant 6] heeft een blikje uit een pallet genomen. Toen hij dat blikje schudde, hoorde hij een bonkend geluid. Hierop heeft hij het blikje geopend en zag hij een witte substantie. De verbalisanten hebben van deze witte substantie een kleine hoeveelheid getest middels Narcotest Disposakit testbuis nummer 13, bestemd voor het testen van cocaïne. Deze reageerde positief. Hierop is de container met inhoud overgedragen aan [verbalisant 2] van de KLPD. Verbalisant [verbalisant 4] heeft omtrent de [container 2] gerelateerd dat deze door de douane aan de KLPD is overgedragen en dat in het hart van 7 pallets met blikken asperges, telkens 672 blikken werden aangetroffen waarin cocaïne bleek te zitten. In totaal werden 7 maal 672 blikken inhoudende cocaïne aangetroffen: in totaal 4.704 blikken. Voorts heeft hij gerelateerd dat uit onderzoek is gebleken dat de lege conservenblikken telkens 70 gram per stuk bleken te wegen en dat het brutogewicht van de 4.704 blikken met cocaïne, 1.294,99 kilogram was. De blikken zijn opgeslagen in een daarvoor bestemde beveiligde ruimte van de politie Haaglanden. Bij dit proces-verbaal is een Kluisregistratie gevoegd, ondertekend door kluisbeheerder [kluisbeheerder] betreffende 97 sealbags met een totaal brutogewicht van 1.294,99 gram. Verbalisant [verbalisant 4] heeft in aanvulling op het onder t. genoemde proces-verbaal gerelateerd dat het totaalgewicht van de blikken 4.704 maal 70 gram, 329,28 kilogram is en dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne dus 965,71 kilogram dient te zijn. Verbalisant [verbalisant 7], technisch rechercheur, heeft op 9 november 2005 een container met daarin een aantal pallets met ingeblikte asperges onderzocht (het hof leidt uit de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s in samenhang met de overige bewijsmiddelen af dat het pallets uit de [container 2] betrof). Hij heeft gerelateerd dat in een aantal pallets na verwijdering van de bovenste lagen een aantal blikken was te zien die als datumopschrift een andere datum hadden. Na opening van een blik, bleek dat in deze blikjes met de datum 3 februari 2008 en 3 maart 2008 geen asperges, maar in plastic verpakt geperst poeder was gestopt. Bij controle middels een test bleek dat deze cocaïne bevatte. [verbalisant 7] heeft uit elk van de pallets een monster, dus in totaal 7 monsters, genomen ter verzending aan het NFI. Het NFI heeft ten aanzien van de door verbalisant [verbalisant 7] veiliggestelde monsters gerapporteerd dat deze cocaïne bevatten. Het referentienummer van de aanvraag onderzoek als genoemd onder v. komt overeen met het kenmerk dat op het deskundigenrapport staat vermeld. Het NFI heeft ten aanzien van een zestal aspergeblikken onderzoek verricht. Drie van deze blikken waren gevuld met asperges en drie blikken waren gevuld met cocaïne. De blikken met cocaïne zijn machinaal gesloten. Aan deze blikken zijn geen werktuigsporen waargenomen die erop op wijzen dat bestaande blikken zijn geopend, de inhoud is verwisseld en deze weer zijn gesloten. Gezien de overeenkomende vorm en praktisch overeenkomende afmetingen zijn de blikken met cocaïne op dezelfde of op een soortgelijke machine vervaardigd als waarmee de blikken met asperges zijn vervaardigd. De blikken gevuld met cocaïne hadden het opschrift 03FEB2008, hadden een gemiddeld gewicht van 272 gram en zijn volgens het NFI zeer waarschijnlijk in één en hetzelfde fabricageproces geproduceerd. De blikken gevuld met asperges hadden het opschrift 02FEB2008 en zijn volgens het NFI zeer waarschijnlijk in één en hetzelfde fabricageproces geproduceerd. Voorts bevatten twee van de blikken met cocaïne als 2e opschrift: [bedrijf 9]. Het hof overweegt het volgende. Voor zover door de verdediging gesteld is dat in de processen-verbaal de keten van bewijs onvoldoende tot uitdrukking komt, dient vooropgesteld te worden dat die stelling ten aanzien van zowel de [container 1] als de [container 2] haar weerlegging vindt in de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen volgt dat een lading cocaïne vanuit Callao (Peru) naar Rotterdam (Nederland) is getransporteerd en dat een klein deel van de cocaïne is vervoerd naar een loods te [locatie bedrijf 6]. Voor het bewijs van het transport van cocaïne in de [container 1] en [container 2] vanuit Peru is relevant dat de hiervoor genoemde documentatie zoals vrachtbrieven en facturen is aangetroffen bij zowel [bedrijf 5] te Rotterdam als bij de complete partij van 60 pallets in de loods te [locatie bedrijf 6]. Er bestaat geen twijfel over het feit dat dit dezelfde partij betreft; dat wordt ook niet betwist. Voorts kan worden vastgesteld dat er een rechtstreeks verband is tussen het bedrijf [bedrijf 9] van [verdachte], waarover getuige [getuige 10] heeft verklaard, en het onderhavige transport. Dat blijkt uit de handgeschreven lijst 1a die in het huis van de verdachte [verdachte] is aangetroffen, die betrekking heeft op de [container 2], in samenhang met de kopie van deze handgeschreven lijst die op een pallet in de loods in [locatie bedrijf 6] is aangetroffen. Dat blijkt (in onderling verband en samenhang bezien met de getuigenverklaring van [getuige 10]) ook uit het feit dat stempels van [bedrijf 9] op aspergeblikken van de zogeheten ‘deklading’ zijn aangetroffen. Het lijdt op grond van de genoemde bewijsmiddelen dan ook geen twijfel dat de partij conserven afkomstig is van een bedrijf van [verdachte] te Peru en dat deze partij conserven met contrabande, van Peru naar Rotterdam is getransporteerd. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 3] beschouwd dienen te worden als een alternatieve lezing van de feiten – welk alternatief er zakelijk weergegeven op neer komt dat de conserven niet afkomstig zijn van het bedrijf van [verdachte] maar juist mogelijk door hem aangekocht zouden worden - laat deze lezing zich niet rijmen met het gegeven van de aangetroffen stempels van [bedrijf 9]. Het oordeel omtrent het alternatieve scenario – voor zover de verdediging bedoeld heeft om dat te stellen – dient te zijn dat het niet aannemelijk is geworden. 6.3.5 De [container 1] in het bijzonder Uit de opeenvolgende processen-verbaal zoals hierboven vermeld, blijkt dat er zeven monsters zijn genomen van de witte substantie die is aangetroffen in 2.170 (zie hiervoor onder
- m)ronde blikken die vanuit Peru waren verzonden op een zevental pallets in de [container 1] en dat deze monsters door het NFI zijn onderzocht. De keten van bewijs vanaf het moment van inbeslagname tot en met het testen van het materiaal door het NFI is volledig en inzichtelijk. Het verweer wordt op dit onderdeel op feitelijke gronden verworpen. Voor zover door de verdediging gesteld is dat het aantal ronde blikken door de recherche niet accuraat is geteld en de inhoud van de blikken met cocaïne niet correct is gewogen, wordt ook dat onderdeel van het verweer op feitelijke gronden verworpen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wordt geoordeeld dat met de [container 1] blikken zijn ingevoerd met daarin in totaal ongeveer 650 kilogram van een stof bevattende cocaïne. Het eventuele verschil van twee blikken is vanwege de methode waarmee het nettogewicht van de cocaïne is bepaald en de geringe betekenis van de eventuele afwijking ten opzichte van de gehele gewogen hoeveelheid cocaïne niet van invloed op de bewezenverklaring van het gewicht. Het nettogewicht is immers bepaald door de cocaïne te verwijderen uit de blikken. Verbalisant [verbalisant 5] heeft één verpakkingseenheid (het hof begrijpt uit de inhoud van het onder q genoemde proces-verbaal: inclusief de doorzichtige plastic tape maar exclusief het blik) gewogen en kwam in dat geval op 306 gram. Deze weging onderstreept dat de genoemde berekening met een gemiddelde van 303 gram per blik gevolgd kan worden. Ook indien het geen 2.170 of 2.169, maar 2.167 blikken met een inhoud van gemiddeld 303 gram zou betreffen, blijft het oordeel hetzelfde, namelijk dat bewezen is dat in de [container 1] ongeveer 650 kilogram van een stof bevattende cocaïne is aangetroffen. Ook overigens, zelfs indien door de recherche een telfout in de genoemde orde van grote zou zijn gemaakt, is de verdachte niet in zijn belangen geschaad en stuit het verweer alsdan daarop af. 6.3.6 De [container 2] in het bijzonder Uit de opeenvolgende processen-verbaal zoals hierboven vermeld, blijkt dat er zeven monsters zijn genomen van de witte substantie die is aangetroffen in 4.704 platte blikken die vanuit Peru waren verzonden op een zevental pallets in de [container 2] en dat deze monsters door het NFI zijn onderzocht. De keten van bewijs vanaf het moment van inbeslagname tot en met het testen van het materiaal door het NFI is volledig en inzichtelijk. Het verweer wordt op dit onderdeel op feitelijke gronden verworpen. Voor zover door de verdediging is gesteld dat het aantal platte blikken door de recherche niet accuraat is geteld en de inhoud van de blikken met cocaïne niet correct is gewogen, wordt ook dat onderdeel van het verweer op feitelijke gronden verworpen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wordt geoordeeld dat met de [container 2] blikken zijn ingevoerd met daarin in totaal ongeveer 950 kilogram van een stof bevattende cocaïne. Vooropgesteld kan worden dat het gewicht van de inbeslaggenomen blikken cocaïne blijkens de Kluisregistratie (blz. 15 t/m 27) uitvoerig is geregistreerd. Er zijn 97 sealbags met daarin blikken cocaïne gewogen, waarbij het gewicht is afgerond op honderdste kilogrammen. De optelsom van deze lijst komt overeen met het in het proces-verbaal door verbalisant [verbalisant 4] vermelde brutogewicht van 1.294,99 kilogram (blz. 12). Een in dit proces-verbaal gemaakte rekenfout waarmee het totaalgewicht van de blikken zonder inhoud werd berekend, is door [verbalisant 4] bij proces-verbaal als vermeld onder u. hersteld. Het gewicht van de cocaïne minus het blikken verpakkingsmateriaal is door hem vervolgens vastgesteld op 965,71 kilogram. Dat komt neer op gemiddeld ongeveer 205 gram cocaïne per blik. Het NFI heeft drie blikjes met cocaïne gewogen en gerapporteerd over een gemiddeld gewicht van 272 gram per blikje inclusief het blikje zelf. Deze weging onderstreept dat de berekening van 205 gram per blik gevolgd kan worden, uitgaande van een gewicht van 70 gram voor een leeg blik met verpakkingsmateriaal van cocaïne. Het hof constateert voorts dat per pallet 672 blikken met cocaïne zijn aangetroffen. Dat de recherche goed heeft geteld, vindt ook enige steun in een op de plaats delict aangetroffen notitie uit het opschrijfboekje als vermeld onder j. De pallets bevatten immers zeven lagen van elk 96 blikken cocaïne hetgeen overeenkomt met de som op de notitie: 7 x 96 = 672. Uit de bewijsmiddelen in hun onderlinge verband en samenhang bezien kan de conclusie worden getrokken dat de op de notitie vermelde som betrekking moet hebben op een in de loods in [locatie bedrijf 6] aangetroffen pallet, met daarop onder meer blikjes met cocaïne. 6.3.7 Terugplaatsen van een blikje op een pallet in de [container 1] Het hof verwerpt het verweer dat niet bewezen kan worden dat zich op 12 november 2005 een blikje met cocaïne in de loods in [locatie bedrijf 6] bevonden heeft. Voor zover door de verdediging daarbij een beroep is gedaan op de zogenoemde ‘kokosnootjurisprudentie’ (HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1300) stuit dat verweer af op feitelijke gronden en wordt het verweer verworpen. Op grond van de genoemde bewijsmiddelen staat vast dat in opdracht van de officier van justitie 1 rond blik werd teruggeplaatst op de 6e slag van pallet 17 en dat dit blik op 18 november 2005 weer is aangetroffen. Al in het proces-verbaal van 11 november 2005 is melding gemaakt van het plaatsen van het betreffende blik. Er zijn geen concrete aanknopingspunten voor de opvatting dat getwijfeld moet worden aan deze bevindingen. Het argument dat in dat blik mogelijk geen cocaïne heeft gezeten, wordt verworpen, nu uit het proces-verbaal van zowel de douane als verbalisant [verbalisant 2] zoals opgenomen in de bewijsmiddelen, blijkt dat de blikken met cocaïne goed waren te onderscheiden van de blikken met paprika. In genoemd proces-verbaal van 11 november 2005 staat vermeld: “De in beslag genomen blikken waren afwijkend van kleur ten opzichte van de overige blikken. Beiden waren aluminiumkleurig echter hebben de in beslag genomen blikken een donkerder kleur”. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij blikken heeft gezien van een andere kleur. Voorts hoorde hij een bonkend geluid toen hij schudde met het blikje waarin cocaïne bleek te zitten. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat ook in het blikje dat is teruggeplaatst op de zesde slag van pallet 17, cocaïne heeft gezeten. De bewijsmiddelen omtrent de andere blikjes van die lading waarin cocaïne is aangetroffen, zijn daartoe mede redengevend. Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat de ambtsedige verklaring van verbalisant [getuige 1] d.d. 15 november 2015 alsmede diens R-C verklaring terzake het terugplaatsen en vernietigen van een tweetal blikjes cocaïne, vanwege de onbetrouwbaarheid van deze verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, wordt dit verweer gevolgd. Met de verdediging is het hof van oordeel dat het tijdsverloop de kwaliteit van deze verklaringen aantoonbaar niet ten goede is gekomen en dat deze verklaringen in dit geval aantoonbaar niet betrouwbaar zijn gebleken. De kans is daardoor zeer wel aanwezig te achten dat [getuige 1] zijn herinneringen (onbewust) zozeer heeft ingekleurd dan wel aangevuld dat deze verklaringen niet meer bruikbaar zijn. Daartoe wordt het volgende overwogen. In de genoemde verklaring heeft [getuige 1] onder meer het volgende gerelateerd: “Het blikje dat werd teruggeplaatst op pallet 17 is in de loods in [locatie bedrijf 6] aangetroffen. Het aangetroffen blikje met inhoud is vervolgens vanuit de loods vervoerd naar het hoofdbureau van politie aan het [politiebureau] te Rotterdam. Hierop heb ik het blikje geopend en gezien dat de inhoud van het blikje soortgelijk was aan de inhoud van de andere op 8 november 2005 inbeslaggenomen blikjes met cocaïne. De inhoud is vervolgens door mij in de kluis geplaatst. De inhoud van dit blikje is niet bemonsterd. De cocaïne is op 9 januari 2006 vernietigd. Het andere blikje met cocaïne dat was geopend op 8 november 2005, was via een snelle methode bemonsterd en door mij meegenomen naar het bureau en in de kluis bewaard. De inhoud van dit blikje is eveneens op 9 januari 2006 vernietigd. Hiervan is echter geen apart proces-verbaal opgemaakt.” [getuige 1] is op 29 januari 2014 onder andere over dit proces-verbaal gehoord door de raadsheer-commissaris. In dat proces-verbaal bleef hij erbij dat hij de blikjes op die negende januari had meegegeven ter vernietiging. Hij wist zich niet meer te herinneren aan wie hij de blikjes had meegegeven. Overwogen wordt dat deze verklaringen niet kunnen kloppen. Immers anders was het niet mogelijk was geweest dat verbalisant [verbalisant 5] op 14 maart 2006 onderzoek heeft gedaan naar een verpakkingseenheid met cocaïne die deel uitmaakte van de op 8 november 2005 aangetroffen 2.169 blikken (blz. 2724). De inhoud van de overige 2.167 blikken was immers reeds op 9 november 2005 vernietigd. Of en wanneer dit blik (met inhoud) is vernietigd, staat dus niet vast. Evenmin is bekend of het door [verbalisant 5] onderzochte blikje het blikje betreft dat is teruggeplaatst op pallet 17 of dat dit het blikje betrof dat ter beschikking werd gesteld voor een voorlopige test. De slotsom is dat wat [getuige 1] over de twee blikjes heeft verklaard, niet klopt. Het hof wijst er ten overvloede op dat [verbalisant 5] in deze zaak niet is bevraagd over dit blikje. Het hof gaat in de paragraaf over het opzet verder in op de zogenoemde ‘kokosnootjurisprudentie.’ 6.4 Opzet Ten aanzien van de zaak [zaaksdossier 1] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op de (verlengde) invoer van cocaïne. Bij de beoordeling van dit verweer gaat het hof uit van de volgende uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden. In juni 2005 zijn de verdachte [medeverdachte 3] en de verdachte [medeverdachte 1] in Peru geweest. In oktober 2005 hebben de verdachten [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] elkaar op de [beurs] in Keulen ontmoet. Volgens [getuige 15] hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] elkaar eerder al ontmoet; ze hebben elkaar leren kennen in Amsterdam. Op 7 november 2005 is waargenomen door de Spaanse politie dat [alias getuige 3] (hof:= [getuige 3]) samen met [alias medeverdachte 2] (hof:= [medeverdachte 2]) at in een Argentijns restaurant in de stad Majadahonda, vlak bij Madrid. Een uit Liverpool afkomstige Brit, die later [man 4] bleek te heten en de zoon is van [man 5], at daar ook. [medeverdachte 3] heeft [getuige 18]] in het vooruitzicht gesteld dat zij diverse handelsartikelen in commissie zouden kunnen ontvangen van bevriende handelspartners. [medeverdachte 3] heeft aan [getuige 18]] meegedeeld dat er tien containers naar [getuige 18]] onderweg waren. [getuige 18]] wilde met slechts drie containers beginnen. Begin/midden oktober 2005 deelde [medeverdachte 3] [getuige 18]] mee dat er drie containers waren aangekondigd. [getuige 18]] meent dat het zou gaan om conserven met voedingsmiddelen. [getuige 18]] heeft afschriften van de bescheiden inzake deze drie containers aan onder meer [medeverdachte 3] gestuurd. Volgens [getuige 18]] zouden de containers niet lang in de haven blijven maar, om de kosten te beperken, naar een opslagloods worden gebracht. De kosten voor de opslagloods waren niet voor rekening van de ontvanger, [getuige 18]], maar voor de leveranciers uit Zuid-Amerika. [getuige 18]] heeft nooit het origineel van de Bill of Lading gehad. Op 7 november 2005 is [medeverdachte 3] naar Nederland gekomen. Voor, althans omstreeks 11 november 2005 is de verdachte [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6]) vanuit Spanje naar Nederland gekomen. Tussen 20 en 22 oktober 2005 heeft hij eveneens in Nederland verbleven. In de ochtend van 8 november 2005 heeft [medeverdachte 6] telefonisch contact gehad met [medeverdachte 3]. In november 2005 verbleef [medeverdachte 6] in een woning van een kennis van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] had [medeverdachte 1] een paar maanden voor november 2005 gevraagd of hij iemand kende die huizen verhuurde. [medeverdachte 1] heeft toen contact opgenomen met een kennis. Toen bleek dat die kennis nog een woning te huur had, heeft [medeverdachte 1] het telefoonnummer van die kennis aan [medeverdachte 3] gegeven. Op 8 en 9 november 2005 zijn in Rotterdam de zeecontainers [container 1] en de [container 2] aangetroffen. De containers waren verzonden door het bedrijf [bedrijf 7] te Peru. De geadresseerde van de containers was de firma [firma] in Duitsland. [getuige 18]] heeft in het kader van de transporten van deze containers samengewerkt met [medeverdachte 3]. [verdachte] had zowel vriendschappelijk als zakelijk contact met [medeverdachte 3]. In de woning van [verdachte] in Lyon (Frankrijk) is op 13 december 2005 een dossiermap genaamd “Clientes [firma]]” aangetroffen, met daarin een originele handgeschreven lijst (lijst 1) die qua inhoud (nagenoeg) overeenkomt met de inhoud van de packing list van [bedrijf 7] behorende bij de [container 2] container. De containers moesten worden afgeleverd bij de loods aan de [locatie bedrijf 6]. Die loods was vanaf augustus 2005 gehuurd op naam van [getuige 16] via [bedrijf 11]. Het faxnummer van [bedrijf 11] is aangetroffen in Berlijn (Duitsland) op de werkplek van [medeverdachte 3]. Het huren van de loods is geschied via bemiddeling van [getuige 20]. [getuige 20] is een vriend van [medeverdachte 1]. Zij zijn samen een aantal keer in de door [getuige 16] gehuurde loods geweest. Op 25 augustus 2005 heeft [medeverdachte 1] het bedrijf [bedrijf 12] bezocht. Hij zocht een vorkheftruck voor de firma [bedrijf 6]. Op 29 augustus 2005 heeft de heer [getuige 16] een offerte aangevraagd bij genoemd bedrijf. [medeverdachte 1] staat op de offerte vermeld als contactpersoon. Uiteindelijk is een huurovereenkomst afgesloten. Kort na het contact tussen het bedrijf en [getuige 16] heeft [medeverdachte 1] weer naar het bedrijf gebeld met de vraag of een en ander met betrekking tot het contract met [getuige 16] gelukt was. De vorkheftruck is op 21 oktober 2005 afgeleverd bij het adres [locatie bedrijf 6]. Op 11 november 2005 is [verdachte] naar Nederland gekomen. [verdachte] heeft ter zake van het transport van de drie containers tevoren, vanuit Frankrijk, al op donderdagmiddag 10 november 2005 telefonisch contact gehad met [getuige 10]. Hij informeerde bij [getuige 10] of die iemand wist die deze containers van Rotterdam naar [locatie bedrijf 6] kon brengen. De partij was volgens [verdachte] bestemd voor [bedrijf 6] en hij heeft diens telefoonnummer aan [getuige 10] gegeven. In de middag van 11 november 2005 zijn de containers aangekomen bij de loods in [locatie bedrijf 6]. Bij het uitladen van de containers waren de heren [getuige 16] en [medeverdachte 7] aanwezig. [medeverdachte 1] heeft op 11 november 2005 meerdere malen telefonisch contact gehad met [medeverdachte 7]. [medeverdachte 3] heeft op 11 november 2005 meerdere malen telefonisch contact gehad met [getuige 16]. De vrachtbrief behorende bij de containers had [getuige 16] van [medeverdachte 3] gekregen. Na het lossen van de pallets is [getuige 16] opgehaald door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], in de door [medeverdachte 1] op 7 november 2005 gehuurde auto. Op 11 november 2005, omstreeks 17.00 uur, werd de verdachte [medeverdachte 5] gebeld door ene [man 11]. [man 11] vroeg [medeverdachte 5] of hij een busje wilde huren om een vriend van hem te helpen en zei tegen [medeverdachte 5] dat [medeverdachte 5] nog zou worden gebeld door iemand. Die avond werd [medeverdachte 5] gebeld door een man. Deze vroeg [medeverdachte 5] of hij hem kon helpen de volgende dag. Er moesten groenten in blik worden gesorteerd in een loods. [medeverdachte 5] moest de volgende dag om 10.00 uur bij het [hotel] in Amsterdam zijn. Op verzoek van [medeverdachte 5] heeft de verdachte [medeverdachte 4] een bus gehuurd, waarmee zij in de ochtend van 12 november 2005 samen naar het [hotel] zijn gereden. Vóór aankomst bij het hotel heeft [medeverdachte 5] die ochtend meerdere keren met [verdachte] gebeld. [medeverdachte 4] is in de auto gebleven. Hij heeft gewacht bij een parkeergarage. [medeverdachte 5] is uitgestapt. Bij het hotel stond een grote groep mensen. Twee Spaans sprekende personen, [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] (hierna: [medeverdachte 10]), zijn bij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] in de bus gestapt. Zij zijn vervolgens achter [medeverdachte 1] aangereden, naar de loods in [locatie bedrijf 6]. [medeverdachte 1] vertoonde heel raar rijgedrag. Hij gaf bijvoorbeeld richting aan naar links en reed dan plotseling rechtdoor. Dan reed hij weer hard en dan weer zacht. Hij reed als een dwaas. [medeverdachte 4] had het idee dat [medeverdachte 1] mogelijk dacht dat hij werd gevolgd. [medeverdachte 9] moest van [medeverdachte 6] naar Nederland komen om te komen helpen met het in- of uitpakken van blikken die in dozen gedaan moesten worden. [medeverdachte 6] heeft zijn ticket betaald. Op 10 november 2005 is [medeverdachte 9] samen met [medeverdachte 10] naar Nederland gevlogen. In Nederland heeft [medeverdachte 6] kleding en een telefoon voor [medeverdachte 9] gekocht. [medeverdachte 10] is ook op verzoek van [medeverdachte 6] naar Nederland gekomen en hij is, eveneens op verzoek van [medeverdachte 6], naar de loods gegaan. Op 12 november 2005 zijn [getuige 23] en [alias medeverdachte 2] (hof:= [medeverdachte 2]) naar Amsterdam gereisd. In de ochtend van 12 november 2005 waren in de loods aanwezig onder andere [medeverdachte 5], [medeverdachte 4], [medeverdachte 1], [medeverdachte 10] en [medeverdachte 9]. De auto’s werden naar binnen gereden. [medeverdachte 1] keerde direct zijn auto, zodat hij eventueel gelijk kon wegrijden. Binnen in de loods stonden heel veel pallets met blikken. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] bespraken iets met elkaar. [medeverdachte 1] was aan het bellen en sprak in gebroken Engels. Tegelijkertijd schreef hij iets op. Nadat hij het telefoongesprek beëindigde, zei hij dat er niet meer mocht worden gebeld. Hij wees toen pallets aan die opengemaakt moesten worden. Dit deed hij naar aanleiding van wat hij had opgeschreven. Duidelijk was dat werd gezocht naar bepaalde blikken. Er werd aan blikken geschud. [medeverdachte 5] had een klein briefje met daarop kruisjes in zijn handen. Aan de hand van dat briefje hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] blikken geselecteerd en gescheiden van de andere blikken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] gaven aan welke blikken moesten worden gepakt. Zij zetten de blikken apart en zeiden welke in dozen moesten worden gedaan en welke op een nieuwe pallet moesten worden gestapeld. Ondertussen zei [medeverdachte 1] dat er lege dozen moesten worden gevouwen. Deze dozen zijn door één van de anderen voor een raam in de loods gezet. Toen [medeverdachte 4] vroeg waarom de dozen voor het raam werden gezet, zei [medeverdachte 1] dat dat voor pottenkijkers was. [medeverdachte 5] zei op een gegeven moment dat het niet klopte. Het was duidelijk dat ze iets niet konden vinden. [medeverdachte 5] bekeek de pallets goed. Hij had een klein papiertje bij zich met daarop lijntjes en vakjes. Het was ruitjespapier en daarop waren met balpen met horizontale en verticale lijnen vakjes getekend. In deze vakjes stonden cijfers geschreven. [medeverdachte 5] stond met dit papiertje bij de pallets met de blikken. Er moesten één of twee lagen van een pallet worden weggehaald. Toen bleek dat er blikken ontbraken zei [medeverdachte 10] dat ze bestolen waren en dat het ongelofelijk was. [medeverdachte 5] was veel aan het bellen. Uit onderzoek blijkt dat hij vanuit de loods drie keer naar [verdachte] heeft gebeld. Op een gegeven moment gaf [medeverdachte 1] het sein dat er gestopt ging worden. [medeverdachte 10] en [medeverdachte 5] zeiden dat ze weg gingen. Iedereen heeft de loods toen verlaten. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hebben in de auto, nadat zij [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] hadden afgezet, nog samen gepraat. Volgens [medeverdachte 4] was [medeverdachte 5] hevig teleurgesteld. Toen is ook ter sprake gekomen dat het over cocaïne ging. [medeverdachte 4] was nieuwsgierig en vroeg naar de lege gaten in de pallets. [medeverdachte 5] bevestigde toen dat het ging om een lading cocaïne, die waarschijnlijk was gestolen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij wel wist dat er iets niet goed was met de blikken. [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] waren ook aanwezig bij het [hotel], maar die zijn die ochtend niet meegegaan naar de loods. In het begin van de middag had [verdachte] een bespreking met [getuige 24] en [getuige 25] in een hotel in Nuland, bij Den Bosch. [medeverdachte 3], [medeverdachte 6], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 11] (hierna: [medeverdachte 11]) zijn met [verdachte] meegegaan naar Nuland. Tijdens de bespreking was [verdachte] nerveus, schichtig, opgejaagd en onrustig. Hij was de hele tijd aan het bellen en op een gegeven moment, na ongeveer een uur, besloot hij om tijdens de bespreking weg te gaan. Hij zei dat hij problemen had en dingen moest regelen. [verdachte] is vervolgens met [medeverdachte 3], [medeverdachte 6], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 11] naar de loods in [locatie bedrijf 6] gereden. Gedurende deze autorit heeft [medeverdachte 3] telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 3] zei tegen [medeverdachte 1] dat hij naar de loods kwam en [medeverdachte 1] moest opnieuw naar de loods komen. Op de achtergrond vroeg iemand die bij [medeverdachte 3] was of [medeverdachte 1] [medeverdachte 5] kon bereiken. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 5] toen gebeld en gezegd dat de baas naar de loods zou komen. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 5] vervolgens opgehaald en samen zijn zij weer naar de loods gereden. Op verzoek van [medeverdachte 6] zijn ook [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] ’s middags teruggegaan naar de loods. In de middag van 12 november 2005 waren in de loods in [locatie bedrijf 6] dus onder meer aanwezig [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 6], [medeverdachte 1], [medeverdachte 5], [medeverdachte 9], [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10]. [medeverdachte 1] beschikte over de sleutel van de loods en heeft de loods geopend. Met name [verdachte] en [medeverdachte 6] voerden in de loods een discussie. Ze vroegen steeds aan elkaar: “Hoe kan dat nou, dit kan niet, etc.”. [medeverdachte 3] was steeds met de drie broers en twee neven in discussie. [medeverdachte 6] liep rond de pallets en keek ernaar, en zocht bij de blikken. In de loods werd geïrriteerd gesproken en er werd druk getelefoneerd. Er was ruzie alsof er iets niet klopte en men was nerveus. [verdachte] liep tussen de pallets met blikken. In zijn handen had hij een geel/beige enveloppe van A4-formaat met daarop papieren, die kennelijk betrekking hadden op de problemen. Er ontbraken blikken. [medeverdachte 6] zei dat ze bestolen waren. [verdachte] zei toen tegen [medeverdachte 6] dat hij rustig moest doen en dat ze goed moesten zoeken. Er werd gesproken over codes die niet klopten. [verdachte] zei dat moest worden geholpen met het zoeken naar een code. De sfeer was gespannen. Tijdens de op 12 november 2005 in de loods verrichte doorzoeking is de enveloppe, die [verdachte] ’s middags in de loods in zijn handen had gehad, aangetroffen en in beslag genomen. In de enveloppe zaten onder meer (de kopieën van) de packing lists van [bedrijf 7] behorende bij de containers [container 1] en [container 2], een kopie van de handgeschreven lij