GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel Rolnummer : 200.109.996/01 Rol-/zaaknummer rechtbank : 379094/HA ZA 10-3862 arrest van de familiekamer van 7 januari 2014 inzake [de vrouw], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. E.E. Mielen te Noordwijk, tegen [de man], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. M.C. Buys-Zuurmond te Leiden. Het geding De vrouw is bij exploot van 9 juli 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, op 11 april 2012 gewezen tussen de man als eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, hierna: het bestreden vonnis. Ter rolzitting van 30 oktober 2012 heeft de vrouw een memorie van grieven genomen, met bijgevoegd twee producties. De man heeft ter rolzitting van 22 januari 2013 een memorie van antwoord genomen waarbij vijf producties zijn overgelegd. Vervolgens heeft de vrouw nog een akte en heeft de man nog een antwoordakte genomen. Partijen hebben hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Tegen de feiten zoals deze door de rechtbank in het tussenvonnis van 6 juli 2011 onder ‘2’ zijn vastgesteld is geen grief gericht zodat het hof van die feiten zal uitgaan. 2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank, voor zover te dezen van belang: in conventie: - de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van € 6.640,32 terzake van de door de man ten behoeve van de vrouw betaalde hypothecaire lasten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2010 tot de dag der algehele voldoening; - de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van € 3.200, - ter zake van een vergoeding voor het gebruik van de voormalige echtelijke woning gedurende de periode 1 februari 2008 tot 1 oktober 2008, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2010 tot de dag der algehele voldoening; - de vrouw veroordeeld tot betaling van € 4.304,88 aan de man ter zake van het door de man ten behoeve van de vrouw betaalde deel van de mediationkosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2010 tot de dag der algehele voldoening; in reconventie: - bepaald dat de onder 2.12 (bedoeld zal zijn 2.13-2.14) bedoelde polissen aan de man toekomen; - aan de vrouw toegedeeld van de Waerdye polis [nummer] het gedeelte van de polis betreffende het overlijdensrisico en aan de man het gedeelte ten aanzien van het op te bouwen kapitaal; - de man bevolen zijn medewerking te verlenen aan de splitsing van de Waerdye polis met nummer [nummer] zoals in rechtsoverweging 2.16 van het bestreden vonnis is vermeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde, zowel in conventie als in reconventie, is afgewezen. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd. 3. De vrouw vordert dat het hof (naar het hof begrijpt) de vonnissen van 6 juli 2011 en van 11 april 2012 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad: - de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen in conventie, althans deze zal afwijzen, alsmede de vorderingen van de vrouw in reconventie zal toewijzen; - de man zal veroordelen om al hetgeen de vrouw ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan aan de vrouw terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag der algehele voldoening, en - de man zal veroordelen in de kosten van beide instanties, met de bepaling dat wettelijke rente verschuldigd zal zijn over de proceskostenveroordeling vanaf de vijftiende dag na het wijzen van het arrest. 4. De man concludeert tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, tot veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties, met bepaling dat er wettelijke rente verschuldigd zal zijn over de proceskostenveroordeling van de vijftiende dag na het wijzen van het arrest, alsmede te verklaren dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, onder afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Lasten hypothecaire geldlening 5. In haar eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en beslist dat de vrouw € 6.640,32 is verschuldigd ter zake van de door de man ten behoeve van de vrouw betaalde hypothecaire lasten met wettelijke rente. De man had bij de voorlopige voorzieningen toegezegd deze lasten te zullen voldoen. Bij het bepalen van de uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) voor de vrouw is met de betaling van deze lasten rekening gehouden. Zowel deze lasten als de partneralimentatie zijn bij de man fiscaal in aanmerking genomen. Zijn draagkracht zou hoger zijn geweest indien slechts de helft van de hypothecaire lasten in aanmerking zou zijn genomen. De man heeft zelf geen huurkosten op zijn draagkracht in mindering laten brengen. De man heeft in een kort gedingprocedure tussen partijen gesteld dat hij de hypothecaire lasten betaalde en deze per 1 november 2008 niet meer in mindering op zijn belastbaar inkomen zou kunnen brengen. 6. De man voert aan dat rekening is gehouden met de betaling van de hypothecaire lasten omdat de man na de echtscheiding in de echtelijke woning zou gaan wonen. De vrouw had ook niet om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning verzocht. Omdat de vrouw die woning niet verliet, heeft de man in kort geding gevorderd dat de vrouw de woning zou verlaten, welke vordering per 1 oktober 2008 is toegewezen. De vrouw heeft eerst in 2010 de partneralimentatie van de man gevorderd en geïncasseerd over de periode van 1 februari 2008 tot 1 oktober 2008. De man heeft de vrouw te verstaan gegeven dat hij van mening was dat hij ofwel de partneralimentatie diende te betalen of de hypothecaire lasten, maar niet beide. 7. Het hof overweegt dat als onbestreden vast staat dat het de bedoeling van partijen is geweest dat de echtelijke woning na de echtscheiding zou worden toegedeeld aan de man. Dit volgt reeds uit de overwegingen in de beschikking voorlopige voorzieningen van 16 november 2006. De vrouw heeft voorts niet verzocht haar het voortgezet gebruik van de woning op de voet van artikel 1: 165 van het Burgerlijk Wetboek (BW) toe te kennen. Uit de stukken volgt niet, dat de rechtbank en het hof rekening hebben gehouden met een hypothecaire last met als uitgangspunt dat de vrouw in de woning zou blijven wonen. Dit was weliswaar zo ten tijde van de voorlopige voorzieningen, maar na echtscheiding is een nieuwe situatie ontstaan. De stelling van de man, dat met deze last rekening is gehouden omdat hij de echtelijke woning zou gaan betrekken en hij daarnaast dan ook geen huurlast heeft opgevoerd, is door de vrouw onvoldoende onderbouwd bestreden. Dit leidt er toe dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat de vrouw gehouden is om over de periode met ingang van 1 februari 2008 tot 1 oktober 2008 bij te dragen in de hypothecaire lasten. Nu de man niet betwist heeft dat hij het fiscale voordeel over het volledige bedrag van de verschuldigde hypotheekrente heeft genoten, acht het hof het evenwel redelijk dat daarmee rekening wordt gehouden. De lasten van de man zijn daardoor immers lager uitgevallen dan hij thans vordert. Het hof begroot daarom het gedeelte dat de vrouw nog dient te voldoen op € 4.080, -. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd. Vergoeding gebruik voormalige echtelijke woning 8. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.200, - voor het gebruik van de voormalig echtelijke woning over de periode met ingang van 1 februari 2008 tot 1 oktober 2008, met wettelijke rente. Een gebruiksvergoeding is eerder door de voorzieningenrechter afgewezen. De man behoefde haar pas later de helft van de overwaarde te voldoen omdat zij tot 1 oktober 2008 nog in de woning verbleef. Zij acht het voorts in strijd met de redelijkheid en billijkheid om nog een gebruiksvergoeding te moeten betalen. 9. De man heeft de grief gemotiveerd bestreden. 10. Naar het oordeel van het hof brengen de beginselen van redelijkheid en billijkheid mee dat, nu de vrouw met uitsluiting van de man de echtelijke woning is blijven bewonen per 1 februari 2008, terwijl de man in belangrijke mate meebetaalt aan de kosten van die echtelijke woning, de vrouw daarvoor een vergoeding aan de man voldoet. Nu de vrouw de hoogte van het door de rechtbank te dezer zake vastgestelde bedrag niet heeft bestreden, verwerpt het hof de tweede grief. Kosten mediation 11. In de derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van € 4.304,88 aan de man voor het door de man ten behoeve van de vrouw betaalde deel van de mediationkosten, met wettelijke rente. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte (in het bestreden vonnis en in het tussenvonnis van 6 juli 2011) overwogen dat de man de door hem betaalde kosten van de premie en de collegegelden mag aftrekken van een bedrag van € 3.000, - dat de vrouw stelt voor mediationkosten aan de man te hebben overgeboekt van de gemeenschappelijke rekening (Dexia-rekening), naast een bedrag van € 4.000,-. De vrouw verwijst ook naar de door haar in eerste aanleg genomen akten. Partijen verrekenden nimmer kosten van de huishouding met elkaar. De vrouw heeft de man ook geen verzoek gedaan een rekening te betalen die zij dan weer aan de man zou moeten terugbetalen. De kosten van mediation echter waren uitzonderlijke kosten en daarvan is afgesproken dat deze vanaf de door de vrouw gevoede Dexiarekening zouden worden voldaan, zodat ieder de helft zou voldoen. De gelden van de Dexia-rekening kunnen dan ook niet anders dan voor de kosten van de mediation zijn bedoeld. 12. De man stelt dat de rechtbank terecht de door hem opgevoerde kosten in mindering heeft gebracht op het bedrag van € 3.000, -. 13. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende onderbouwd dat de door de vrouw van de Dexiarekening overgemaakte bedragen van respectievelijk € 4.000,- en € 3.000, - bestemd waren voor andere kosten dan de kosten van mediation. De vrouw heeft aangevoerd dat nimmer bedragen als vergoeding van bepaalde kosten vanuit deze rekening werden overgemaakt aan de man. Evenals de man betaalde zij diverse kosten van de huishouding van haar bankrekening. Een betaling van deze kosten vanuit de Dexiarekening zou dan ook anders dan tussen partijen te doen gebruikelijk zijn. De man heeft niet gesteld dat partijen aldus waren overeengekomen. De betaling van de kosten van mediation uit de Dexia-rekening daarentegen is wel onderwerp van gesprek tussen partijen bij de mediator geweest, getuige een gespreksverslag van de mediator van 9 juni 2005. Daarin is vermeld dat € 4.000,- van de Dexiarekening zal worden aangewend voor de betaling van deze kosten en dat er wellicht later nog ten gunste van de rekening van Dexia een bijstorting zal komen. De man heeft dit onvoldoende weersproken. Het hof is daarom van oordeel dat er van uitgegaan moet worden dat een bedrag van € 7.000, - vanuit de Dexiarekening zou worden aangewend voor de kosten van mediation. De man heeft in totaal een bedrag van € 12.609,66 aan deze kosten betaald, waarvan € 6.304,83 voor rekening van de vrouw komt. Een bedrag van € 3.500, - heeft de vrouw reeds via de Dexiarekening voldaan, zodat een door haar te betalen bedrag resteert van € 2.804,83. Het hof zal aldus beslissen. ASR polissen[nummer] en[nummer] (Amev Variabel Investeringsplan) 14. In haar vierde grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er ten aanzien van de genoemde polissen niet een bijzondere reden is gesteld, of daarvan is gebleken, om de vrouw als medebegunstigde aan te wijzen en ten onrechte heeft bepaald dat de beide polissen aan de man toekomen. Volgens de vrouw is zij wel verzekeringnemer geweest. De polissen zijn gewijzigd op 18 januari 2011 en 13 augustus 2009, maar onbekend is welke gegevens door de man gewijzigd zijn. Daar zal de man inzage in moeten verschaffen. Vervolgens stelt de vrouw dat de man het voor de polissen ontvangen bedrag op de gezamenlijke hypothecaire leningen in mindering had moeten brengen. Daarom komt aan de vrouw de helft van het door de man ontvangen bedrag toe. 15. De man stelt dat hij altijd verzekeringnemer is geweest. De vrouw is slechts als tweede verzekerde vermeld geweest op de polissen. De man heeft reeds een kopie van de polissen overgelegd waaruit dit blijkt. De man legt in hoger beroep nog afschriften van brieven over waarin bevestigd wordt dat de (persoon van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.