GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.153.131/01 Zaaknummer rechtbank : 235450 / HA ZA 07-1561 Zaaknummer hof A'dam: 200.033.910 Rolnummer Hoge Raad : 13/00920 arrest van 12 mei 2015 inzake [appellant 1], gevestigd te [vestigingsplaats], [appellant 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] appellanten, hierna respectievelijk te noemen: [appellant 1] en [appellant 2] en gezamenlijk de Holdings, advocaat: mr. P.J. Soede te Utrecht, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. J.G.A. Struycken te Amsterdam. Het geding Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar het in deze zaak gewezen arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2014, zaaknr. 13/00920, ECLI:NL:HR:2014:625. De Hoge Raad heeft bij dat arrest het arrest van 13 november 2012 van het hof Amsterdam deels vernietigd, en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing. Bij exploot van 18 juli 2014 2014 heeft [geïntimeerde] de Holdings opgeroepen voort te procederen bij dit hof. Vervolgens hebben [geïntimeerde] en de Holdings elk een memorie na verwijzing genomen. Op 10 april 2015 hebben partijen hun zaak doen bepleiten. De Holdings door hun advocaat voornoemd en [geïntimeerde] door haar advocaat voornoemd en mr. A.L. Linning. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd. Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 16 maart 2010 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook dit hof zal daar van uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak om het volgende: 2.1 [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], is op[datum] met de heer [X], geboren op [geboortedatum], (hierna: [X]) in het huwelijk getreden. Daarvoor, vanaf 1992, voerden beiden een gezamenlijke huishouding. [X] had een dochter uit een eerder huwelijk, [Y] (hierna: [Y]). 2.2 [X] is op [datum] overleden. In zijn testament heeft hij [geïntimeerde] tot enig erfgenaam benoemd en heeft hij een drietal legaten opgenomen ten behoeve van [Y], waaronder een legaat inzake optierechten van [X] met betrekking tot de aandelen in de Holdings. 2.3 [X] was bestuurder en tot 24 juni 1999 enig aandeelhouder van [appellant 1] en [appellant 2]. [appellant 1] hield alle aandelen in [A] B.V. (hierna: [A]) en [appellant 2] hield alle aandelen in […] B.V.(hierna [B]).[X] heeft de aandelen in de Holdings op 24 juni 1999 overgedragen aan Stichting Beheer Aandelen […] (hierna: de Stichting), waarvan [X] en een broer van hem bestuurder waren. De Stichting heeft verklaard de koopsom aan [X] verschuldigd te blijven. 2.4 [X] heeft tot 1 januari 1991 een dienstverband gehad bij [B]. Daarna heeft hij tot 1 januari of 1 februari 1999 een dienstverband gehad bij [A] en daarna nog gedurende de periode 1 januari 2001 tot en met 27 augustus 2001. 2.5 Bij brief van 1 juli 1988 heeft [B] pensioentoezeggingen gedaan aan [X]. De pensioenbrief geeft tevens aanspraak op weduwepensioen. 2.6 [A] heeft bij pensioenbrief van 1 januari 1994 pensioentoezeggingen gedaan aan [X]. De pensioenbrief kent onder meer de volgende bepalingen: "1. DE AANSPRAKEN 1.1. De vennootschap verleent bij deze aan de pensioengerechtigde recht op een - levenslang ouderdomspensioen, - tijdelijk extra ouderdomspensioen, (…) 2. UITBETALING VAN DE PENSIOENEN 1.2. Ingangsdatum van de pensioenuitkeringen. Oudedagspensioen Het oudedagpensioen en het tijdelijk extra oudedagspensioen zullen worden uitbetaald met ingang van de eerste dag van de maand waarin de pensioengerechtigde de 60 jarige leeftijd bereikt. 2.2 Afloop van de pensioenuitkeringen (…) Tijdelijk extra oudedagspensioen Het tijdelijk extra oudedagspensioen eindigt op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand waarin de pensioengerechtigde vijfenzestig jaar wordt. (…) 3 GROOTTE VAN DE PENSIOENEN 3.1. Pensioengrondslag De pensioengrondslag is gelijk aan het jaarsalaris, inclusief vakantietoeslag en het gegarandeerde tantième, verminderd met de pensioenfranchise. (…) 3.2. Pensioenhoogte Oudedagspensioen Voor de bepaling van de pensioenhoogte stellen wij op de ingangsdatum van deze pensioenovereenkomst en daarna telkens op 1 januari van elk jaar de pensioengrondslag vast als vermeld in artikel 3 lid 1. Het oudedagspensioen bedraagt twee en éénderde procent (2,33%) van de laatst vastgestelde pensioengrondslag voor ieder in dienst van de vennootschap of diens rechtsvoorgangers doorgebracht jaar. Maximaal wordt een pensioenpercentage opgebouwd van 70%. Hierbij wordt rekening gehouden met de reeds elders opgebouwde of op te bouwen rechten. Indien de pensioengrondslag in enig jaar wordt verlaagd, zullen de tot dat moment tijdsevenredige rechten, conform artikel 8 van de Pensioen en Spaarfondsenwet niet worden aangetast. (…) Tijdelijk extra ouderdomspensioen Het tijdelijk ouderdomspensioen is gelijk aan de ingebouwde A.O.W., vermeerderd met de zogenaamde premiecompensatie ter grootte van de gebruteerde premieheffing. (…) 4. TUSSENTIJDSE BEËINDIGING VAN HET DIENSTVERBAND Indien het dienstverband tussen de pensioengerechtigde en de vennootschap eindigt vóór de pensioendatum, anders dan als gevolg van het overlijden of arbeidsongeschiktheid (…) behoudt de pensioengerechtigde een premievrije, bijdragevrije en tijdsevenredige aanspraak op: - oudedagspensioen - tijdelijk extra oudedagspensioen. (…) 5. DEKKING VAN DE PENSIOENEN De aanspraken op de in deze pensioenovereenkomst genoemde pensioenen, ingaande na de pensioendatum, zullen in eigen beheer danwel gedeeltelijk elders worden ondergebracht. In eigen beheer wordt het pensioen verzekerd door vorming van een pensioenreserve op de balans van de vennootschap. waarvan het bedrag telkenjare per 31 december volgens de lineaire methode zal worden vastgesteld. (…) de vennootschap [heeft, hof] ter (…) dekking van de pensioenaanspraken, de pensioengerechtigde in staat gesteld een kapitaalverzekering te sluiten bij de Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. te Rotterdam (…) onder polisnummer 8530529 (…) De kosten van de verzekering zijn geheel voor rekening van de vennootschap. (…) 8. SLOTBEPALING Nu voor alsdan gelden met betrekking tot het voorgaande bij deze overeenkomst bepaalde vanaf de datum van inwerkingtreding dezer overeenkomst de navolgende voorbehouden: 8.1. Nu voor alsdan zijn de voorgaande regelingen met betrekking tot de hoogte van de pensioenen en met betrekking tot de daarmede verband houdende nadere voorwaarden vervallen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst ingeval de belastingadministratie, respectievelijk na ingesteld beroep de hoogstgeroepen rechter in belastingzaken, de regelingen niet aanmerkt als een pensioenregeling in de zin van de wettelijke bepalingen alsmede in de zin van de hoe dan ook genaamde en tevens rechtskracht hebbende voor de uitvoering van die bepalingen openbaar gemaakte uitvoeringsregelingen vanwege het Ministerie van Financiën" 2.7 Krachtens een overeenkomst van 1 januari 1996 tussen [A] en [X] zijn met ingang van 1 januari 1996 alle rechten en verplichtingen uit de pensioenovereenkomst van 1 januari 1994 van [A] overgegaan naar [appellant 1]. [X] heeft zich hiermee akkoord verklaard "mits dit plaats vindt zonder enige fiscale consequenties voor partijen." 2.8 Bij brief van 10 januari 1998 heeft [X] aan [A] meegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 1998 afziet van verdere pensioenopbouw ten gunste van hem. 2.9 Tijdens een buitengewone vergadering van aandeelhouders van [A] van 7 april 1999 is door [appellant 1] het besluit genomen dat de pensioenaanspraken van [X] worden uitgebreid met een aanspraak op weduwepensioen "ten bedrage van 70% van het jaarlijks oudedagspensioen c.q. tijdelijk extra oudedagspensioen". Bij brief van 9 april 1999 heeft [A] dit als volgt aan [X] bevestigd: "Hierbij bevestigen wij, dat (…) is besloten de aan U toegekende wijziging in de pensioenaanspraken als volgt vast te leggen: Weduwenpensioen De pensioenregeling zal tevens de volgende aanspraken omvatten: - een weduwenpensioen voor de vrouw met wie U gehuwd bent op het moment van overlijden, ingaande terstond na Uw overlijden, ongeacht wanneer dit plaats vindt, en alsdan levenslang aan haar uit te keren; - het jaarlijks weduwenpensioen bedraagt 70% van het jaarlijks oudedagspensioen cq tijdelijk extra oudedagspensioen dat U heeft genoten, dan wel 70% van het laatstelijk voor U vastgestelde oudedagspensioen c.q. tijdelijk extra oudedagspensioen. (…)" 2.10 Na het overlijden van [X] zijn gedurende vier jaren pensioenuitkeringen aan [geïntimeerde] uitbetaald. 2.11 [geïntimeerde] en [Y] hebben na het overlijden van [X] met bijstand van raadslieden aan weerszijden overleg gevoerd over de afwikkeling van de nalatenschap van [X]. Zij hebben op 26 januari 2006 een vaststellingsovereenkomst gesloten, die onder meer het volgende inhoudt: "De ondergetekenden: 1. Mevrouw [geïntimeerde] , (…), handelend namens zichzelf en in haar hoedanigheid van bestuurder van de stichting Stichting Beheer Aandelen […] ; En 2. Mevrouw [Y] , (…). IN AANMERKING NEMENDE: (...) Ter beëindiging van de geschilpunten over het afwikkelen van de nalatenschap van [X], het uitkeren van de legaten en het beëindigen van een financiële verstrengeling hebben partijen overleg gevoerd en overeenstemming bereikt. (…) VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT: (…) 3.1.1 De vordering van de heer [X] op de Stichting Beheer Aandelen […] ter zake van de verkoop, koop en levering van de aandelen in [appellant 2] en in [appellant 1] wordt toegedeeld aan mevrouw [Y] onder de verplichting van de vennootschappen om de koopsom die nodig is om aan mevrouw [geïntimeerde] het op grond van de pensioenbrieven toegekende recht op levenslang nabestaandenpensioen (…) onder te brengen bij één of meerdere Nederlandse verzekeringsmaatschappijen. 3.1.2 De afkoopsom (…) dient te worden berekend. Partijen gaan hierbij uit van de uitgangspunten zoals deze zijn gehanteerd in de als bijlage 4 aan deze overeenkomst gehechte berekening (…). Als aanvulling geldt hierbij dat de afkoopsom berekend wordt die noodzakelijk is om vanaf 1 maart 2006 aan de pensioenverplichting te voldoen, gelet op de pensioenuitkeringen die sinds juli 2005 ten laste van de vennootschappen aan mevrouw [geïntimeerde] zijn of worden voldaan. (…) Mevrouw [Y] en mevrouw [geïntimeerde] verklaren, door ondertekening van deze overeenkomst, met uitzondering van de rechten en plichten die zij in het kader van deze overeenkomst verkrijgen dan wel aangaan, voor het overige niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar over en weer kwijting te verlenen." 2.12 Namens [appellant 1] en [appellant 2] zijn in december 2006 ter zake van afkoop van pensioenverplichtingen bedragen van € 500.920,-- respectievelijk € 232.000,-- overgemaakt naar de derdenrekening van de notaris ten overstaan van wie de aandelen in [appellant 1] en [appellant 2] aan [Y] zouden worden geleverd. 2.13 In verband met onenigheid over de afkoopsom als in de vaststellingsovereenkomst bedoeld, is ter zake van de naar de notaris overgeboekte bedragen nader overeengekomen dat € 400.390,-- zou worden overgemaakt naar [geïntimeerde], een bedrag van € 42.466,-- zou worden teruggeboekt en een bedrag van € 62.690,-- in depot zou blijven. Laatstgenoemd bedrag had betrekking op dat gedeelte van de afkoopsom dat nodig was voor indexering van toekomstige pensioenuitkeringen. Over die indexering bestond geen overeenstemming. 2.14 De aandelen in [appellant 1] en [appellant 2] zijn op 20 april 2007 door de Stichting overgedragen aan [Y]. 2.15 [geïntimeerde] heeft zich voor de rechtbank op het standpunt gesteld dat bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ten onrechte geen rekening is gehouden met indexering van de haar toekomende pensioenuitkering. Zij heeft op die grond, kort samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat [appellant 1] en [appellant 2] haar daarvoor het in depot gestorte bedrag verschuldigd zijn. Voor zover thans nog van belang hebben [appellant 1] en [appellant 2] het standpunt ingenomen dat [geïntimeerde] jegens hen geen aanspraak op nabestaandenpensioen heeft. Zij hebben in reconventie terugbetaling gevorderd van hetgeen zij uit dien hoofde aan [geïntimeerde] hebben betaald. De rechtbank heeft de zojuist omschreven vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen. 2.16 In het door de Holdings ingestelde hoger beroep heeft het hof Amsterdam, voor zover thans nog van belang, [geïntimeerde] veroordeeld tot (terug)betaling van een bedrag van € 9.418,58 in hoofdsom aan [appellant 2] en een bedrag van € 510.767,-- in hoofdsom aan [appellant 1] wegens ten onrechte ontvangen weduwenpensioen. 2.17 Het hof overwoog daartoe in het tussenarrest van 16 maart 2010 het volgende: Uit de vaststellingsovereenkomst zijn voor [appellant 1] en [appellant 2] geen in rechte afdwingbare verplichtingen jegens [geïntimeerde] ontstaan (rov. 4.3 en 4.4). Voorts kan aan de betaling van de koopsom niet de conclusie worden verbonden dat de vennootschappen de in de vaststellingsovereenkomst vermelde verplichtingen hebben aanvaard of bekrachtigd (rov. 4.6). De vennootschappen waren derhalve niet op grond van de vaststellingsovereenkomst gehouden tot betaling van de afkoopsom (rov. 4.9). Het hof wenst voorlichting van een deskundige met betrekking tot de vraag of de vennootschappen een betalingsverplichting jegens [geïntimeerde] hebben op grond van de door [geïntimeerde] gestelde pensioenaanspraken en, zo ja, met betrekking tot de vraag welke bedragen zij dan uit dien hoofde aan [geïntimeerde] verschuldigd zijn (rov. 4.9 en 4.12). 2.18 In het eindarrest van 13 november 2012 overwoog het hof: [geïntimeerde] heeft geen aanspraak op weduwepensioen jegens [appellant 2] omdat het dienstverband van [X] bij [B] op 1 januari 1991 is beëindigd en [geïntimeerde] op dat moment nog niet was gehuwd of samenwoonde met (bedoeld zal zijn, hof) [X] (rov. 2.4). Het bedrag van € 9.418,58 dat [appellant 2] aan [geïntimeerde] heeft betaald ten titel van weduwepensioen dient te worden terugbetaald (rov. 2.5). Het was niet mogelijk om op het moment dat [X] uit dienst was getreden bij [A] nog een aanvullende pensioentoezegging te doen, nu deze toezegging op grond van de destijds geldende Pensioen- en Spaarfondsenwet niet mogelijk was (rov. 2.8). Bij het aangaan van het nieuwe dienstverband in 2001 is niet teruggekomen van het besluit om met ingang van 1 januari 1998 de pensioenopbouw te staken; partijen hebben niet op dat moment de intentie gehad om alsnog uitvoering te geven aan de op 7 april 1999 buiten dienstverband gedane en op dat moment ongeldige toezegging (rov. 2.14). [geïntimeerde] dient het door haar van [appellant 1] zonder rechtsgrond ontvangen bedrag van € 510.767,-- terug te betalen (rov. 2.17 en 2.20). 2.19 Tegen voornoemde arresten van het hof heeft [geïntimeerde] beroep in cassatie ingesteld. 2.20 Bij arrest van 14 maart 2014 heeft de Hoge Raad het eindarrest vernietigd, maar uitsluitend voor zover [geïntimeerde] daarin is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 510.767,-- met wettelijke rente aan [appellant 1] en tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg in reconventie en in hoger beroep. De Hoge Raad overwoog daartoe: "3.5.1 Onderdeel 1 klaagt vanuit verschillende invalshoeken over het oordeel van het hof (rov. 2.8, 2.10, 2.14 en 2.17) dat [appellant 1] zonder rechtsgrond aan [geïntimeerde] heeft betaald en over de daarvoor gegeven motivering. 3.5.2 Het hof is in rov. 2.8 van zijn eindarrest, in navolging van de deskundige, ervan uitgegaan dat [appellant 1] niet rechtsgeldig het hiervoor in 3.1 onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.