Rolnummer: 22-005123-11 Parketnummer: 09-748802-09 Datum uitspraak: 30 april 2015 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 oktober 2011 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte 2], geboren op: [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Ceylon), adres: [adres]. 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de (doorlopende) terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 16 januari 2012, 21 maart 2012, 11 april 2012, 4 juni 2012, 11 juni 2012, 30 juli 2012, 1 oktober 2012, 17 december 2012, 4 maart 2013, 27 mei 2013, 31 mei 2013, 24 juli 2013, 16 september 2013, 17 september 2013, 19 september 2013, 4 oktober 2013, 14 november 2013, 30 januari 2014, 7 maart 2014, 1 april 2014, 2 april 2014, 13 mei 2014, 15 mei 2014, 16 mei 2014, 3 juni 2014, 12 juni 2014, 13 juni 2014, 23 juni 2014, 24 juni 2014, 30 juni 2014, 1 juli 2014, 3 juli 2014, 4 juli 2014, 18 juli 2014, 1 oktober 2014, 11 november 2014, 26 januari 2015, 16 februari 2015, 2 maart 2015 en 16 april 2015. De zaak tegen de verdachte is in hoger beroep gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaken tegen medeverdachten [verdachte 4] (rolnummer 22-005292-11), [verdachte 5] (rolnummer 22-005291-11), [verdachte 3] (rolnummer 22-005353-11) en [verdachte 1] (rolnummer 22-005176-11). Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De hierna te bespreken ten laste gelegde feiten, juridische context en rechtsvragen zijn complex van aard en gaan alle verdachten aan met dien verstande dat verdachte [verdachte 1] niet verdacht wordt van de separaat ten laste gelegde opruiingsfeiten die onder 5 en 6 in de dagvaarding van de overige verdachten zijn opgenomen. In hoger beroep heeft het openbaar ministerie voor alle vijf de verdachten een gelijkluidend requisitoir gehouden waar het de juridische context en de rechtsvragen betreft. Daarnaast is door het openbaar ministerie uitgebreid ingegaan op de individuele rollen die de verdachten hebben gehad in de verweten gedragingen. In hoger beroep hebben de raadslieden van de verdachten tijdens de pleidooien en het nemen van dupliek met instemming van het hof bij elkaar aansluiting gezocht en hebben naar elkaars pleidooien verwezen met betrekking tot de gevoerde verweren en gedane verzoeken. Gezien het voorafgaande acht het hof het opportuun de in alle zaken gevoerde verweren en gedane verzoeken waar het niet de individuele rol van de verdachten betreft gemeenschappelijk te bespreken. Wanneer in het arrest wordt gesproken over de verdachte wordt daarmee gedoeld op alle verdachten tenzij anders aangegeven. Voorts is het hof van oordeel dat gezien de complexiteit van de strafzaken en de daaraan verbonden internationale aspecten in de arresten niet volstaan kan worden met de klassieke beantwoording van de rechtsvragen van de art 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Mede uitgenodigd door het openbaar ministerie en de verdediging zal het hof ten behoeve van de rechtsontwikkeling in meer algemene zin wat langer stilstaan bij en overwegingen wijden aan rechtsvragen, vooral verband houdend met de relatie tussen het Nederlands strafrecht en het internationaal strafrecht. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is – na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg op de voet van artikel 314a Sv en na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep – het navolgende tenlastegelegd, waarbij het hof evenals de rechtbank, bij de feiten 1, 2, 4 en 6 bij de verschillende onderdelen letters heeft aangebracht, zodat de tenlastelegging luidt: Feit 1. De internationale criminele organisatie 1.A. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 augustus 2004 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist, en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld, (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven (zoals bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) (te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE)) [zaaksdossier B00] te weten: a.
- a)het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en 31 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of 5 van de Wet wapens en munitie) [zaaksdossier B04] en/of
- b)het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of
- c)het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 WvSr) (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/ofd) doodslag (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of
- e)de opzettelijke voorbereiding en/of bevordering van en/of samenspanning tot eerder vermelde misdrijven en/of
- f)samenspanning tot moord (
- te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07], (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of 1.B. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist, en/of elders in Nederland en/of in Sri Lanka en/of elders in de wereld (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE)) [zaaksdossier B00] te weten: a.
- a)het werven voor gewapende strijd (op Sri Lanka), zonder toestemming van de Koning (zoals bedoeld in artikel 205 Wetboek van Strafrecht, met ingang van 10 augustus 2004) en/of
- b)het onder de wapenen roepen en/of in militaire dienst nemen en/of gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden van kinderen beneden de vijftien jaar in een niet-internationaal gewapend conflict (op het grondgebied van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub f van de Wet internationale misdrijven) [zaaksdossier B05] en/of
- c)het gevangennemen en/of ernstig beroven van de lichamelijke vrijheid (van burgers in Sri Lanka) in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen de/een (Tamil) burgerbevolking (op Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 sub e van de Wet internationale misdrijven) [zaaksdossier B05] en/of
- d)het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en/of 31 lid 1 en 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie) [zaaksdossier B04] en/of
- e)het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of
- f)het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken er/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (zoals bedoeld in artikel 168 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of
- g)doodslag, (zoals bedoeld in artikel 287 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of
- h)moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B07] en/of i.
- i)de opzettelijke voorbereiding van eerder vermelde misdrijven (art. 140 Wetboek van Strafrecht) 2De nationale criminele organisatie hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven [zaaksdossier B01], te weten: a.
- a)het in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding opruien tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 131 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] en/of
- b)het verspreiden en/of het, om verspreid te worden, in voorraad hebben van een geschrift en/of afbeelding waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (zoals bedoeld in artikel 132 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B09] en/of
- c)overtreding van artikel 2 van de Sanctiewet 1977 juncto Sanctieregeling Terrorisme 2002 [zaaksdossier B02] en/of
- d)(gewoonte)witwassen (zoals bedoeld in artikel 420ter en/of 420bis Wetboek van Strafrecht) en/of
- e)overtreding van art. 1 van de Wet op de Kansspelen [zaaksdossier B03] en/of
- f)dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of
- g)afpersing (zoals bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of
- h)de opzettelijke voorbereiding van eerdervermelde misdrijven. (artikel 140 Wetboek van Strafrecht) 3Voortzetting verboden organisatie hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of elders in Nederland, (als leider en/of bestuurder) (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege verboden is, te weten het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (LTTE), zijnde een organisatie die is vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (pbEG L 344) [zaaksdossier B01]. (art. 140 lid 2 en 3 Wetboek van Strafrecht jo. Art. 5b Wet Conflictenrecht Corporaties) 4. Overtreding van de Sanctiewet hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2007 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 lid 2 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 lid 1 van de Sanctieregeling Terrorisme 2002 juncto artikel 2, eerste en tweede lid en 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344) [zaaksdossier B02] (onder meer) inhoudende - het verbod om aan of ten behoeve van de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE), zijnde een (rechts)persoon, groep of entiteit als bedoeld in de bij Verordening nr. 2580/2001 behorende lijst, direct of indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking te stellen - het verbod om financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van die LTTE - het verbod om willens en wetens deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat, direct of indirect, eerdergenoemde verboden worden ontdoken en/of de bevriezing van tegoeden, andere financiële activa en/of economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door die LTTE wordt ontdoken (telkens) a.
- a)heeft deelgenomen aan bijeenkomsten en/of bijeenkomsten heeft georganiseerd die tot doel hadden om geld te genereren voor de LTTE en/of
- b)voor en/of aan en/of ten behoeve van de LTTE geld heeft gegeven en/of uitgeleend en/of gecollecteerd en/of ingezameld, en/of loten heeft verkocht en/of loterijen (met winstoogmerk) heeft georganiseerd, en/of goederen (met winstoogmerk) heeft verkocht en/of
- c)geld heeft beheerd en/of een financiële administratie heeft gevoerd ten behoeve van de LTTE en/of
- d)op andere wijze (in)direct tegoeden en/of andere financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft gesteld aan en/of financiële diensten heeft verricht voor de LTTE. (Artikel 2 Sanctiewet 1977 jo artikel 1 lid 1 Sanctieregeling Terrorisme 2002 jo artikel 2 lid 1 en 2 en artikel 3 van Verordening 2580/2001) 5Opruiing hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juli 2005 tot en met 27 november 2009 te Utrecht en/of Oosterbeek en/of Den Haag en/of Amsterdam, en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, in het openbaar de volgende (mondelinge) uitlatingen heeft gedaan:
- a)"Overal ontploffen bommen, maar als die niet ontploffen krijgt de Tamil geen tijd van verlichting ( ... ) Gisteren is er een schip tot ontploffing gebracht en in stukken uiteen gevallen. Als onze jongens iets doen, doen ze het goed.” (op of omstreeks 9 juli 2005 te Oosterbeek: B09-0036)
- b)"Tamil Eelam zal zegevierend geboren worden en alle vijanden zullen onder onze voeten vertrapt worden" en/of "Onder het leiderschap van onze leider [betrokkene 1] en zijn tijgermacht zal het land herwonnen worden" en/of "Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken. Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen. Kom, kom, kom, lijdt nog maar meer nederlagen Waarom, waarom, waarom, wil je niet leven? Zie, zie, zie onze moed Het is het land waarin wij leven’ Op zee zullen tijgerschepen komen met kracht; In de lucht zullen Tamil vliegtuigen komen als een verassing. Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen Willen jullie nog steeds oorlog? Kom dan maar op "Oorlog is oorlog; we zullen jullie afmaken Denken jullie dat het jullie huis is? Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen. Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen Waar dan ook, wanneer dan ook Zullen wij met precisie aanvallen" (op of omstreeks 25 juli 2007 te Amsterdam: B09-0040/41, 1505/1510)
- c)"Sluit nu uw ogen, denk aan de grote strijders. Houd uw ogen strak gesloten en breng deze goddelijke zielen naar voren in uw gedachten. Want dat ideaal waar u voor heeft geleefd, dat ideaal waarvoor u een heroïsche dood heeft omarmd. dat ideaal zullen wij bereiken. Om uw dromen waar te maken, zullen wij uw plichten uitvoeren als de onzen. Doe deze belofte stil in uw hart. U bent niet gestorven U leeft en u vervult ons hart. De plichten die u op uw schouders heeft genomen, zullen wij doen als de uwe, tot ons einde. Doe de belofte dat we voor altijd de nationale leider zullen steunen Dit is geen tijd om te huilen, dit is een tijd om ons opnieuw toe te wijden" en/of "Deze grote helden zijn niet gestorven. We moeten onszelf aan hun plichten herinneren en onszelf opnieuw vertellen dat we ons deel zullen doen. Organisatoren zoals wijzelf kunnen worden gearresteerd. Wij kunnen zelfs vandaag de dood vinden. Maar wanneer er bij u aan de deur wordt geklopt, verzaak dan niet uw plicht voor het moederland. (..) Daarom, ongeacht wat - hard werk en bloedvergieten - kunnen wij alleen ervoor werken en onze vrijheid verkrijgen. Niemand anders zal dat voor ons doen. Dus, denk hieraan en ga verder met het doen van uw plicht. Die grootse mensen zijn niet dood. We moeten alleen oppakken waar zij gebleven waren en het goede werk voortzetten laat ons dat bevestigen." en/of "Nee, een echt eerbetoon betekent onze plicht doen die we hem verschuldigd zijn. Zijn onvoltooide werk afmaken is de beste hommage die we hem kunnen brengen. Daarom, mijn dierbaren, open uw deuren voor deze onafgemaakte plichten- laat de deuren open. De natie heeft zich nog steeds niet geopenbaard. De vijand heeft de oorlog verklaard en werpt bommen. Of we het leuk vinden of niet, we moeten de oorlog onder ogen zien Dit is wat de geschiedenis ons heeft opgelegd, deze historische onvermijdelijkheid en onze plicht. Niemand kan daarvan weglopen. Het is niet een soort van sport waarvan we kunnen zeggen 'daar hebben we geen belangstelling voor'. Moeilijke familie omstandigheden kunnen geen excuus worden, want het gaat hier over het leven van velen. Zie dit als uw belangrijkste zorg, ons belangrijkste probleem, houdt de deur van uw huis open, open de deur en doe uw plicht." (op of omstreeks 4 november 2007 te Utrecht: B09-0039/40, B02-01253/1254, B02-1280)
- d)"Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen" en/of "Er is geen andere weg dan te strijden" en/of "Wij zullen zeker winnen . Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grotere bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden. Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen." (op of omstreeks 22 juni 2008 te Den Haag: B09-0037/38,1318/1319)
- e)"Vandaag is de heldendag. De dag waarop de helden worden geprezen voor de opofferingen die zij gedaan hebben. Deze opofferingen zijn niet voor niets geweest, de droom van de helden zal uitkomen. Tamil Eelam zal zeker ontstaan. ( .... ) De droom van de helden zal zeker uitkomen. Daar moeten wij in de diaspora allemaal voor werken." (op of omstreeks 27 november 2009 te Utrecht: B09-0032) althans woorden van gelijke strekking, zijnde uitlatingen waarmee wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) (Artikel 131 Wetboek van Strafrecht) 6Verspreiding ter opruiing hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 26 april 2010 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Schagen en/of Den Haag en/of Breda en/of Zeist en/of Ammerzoden, en/of elders in Nederland, (telkens ) tezamen en in vereniging met [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 5] en/of een of meer ander(en), althans alleen, de/het volgende geschrift(
- en)en/of (een) afbeelding(
- en)heeft verspreid en/of openlijk tentoongesteld (op internet en/of op zogenaamde Heldendagen en/of Zwarte Tijgerdagen en/of andere(LTTE/Tamil)herdenkingsdagen en/of andere (LTTE/Tamil)bijeenkomsten) en/of, om verspreid of openlijk tentoongesteld te worden, in voorraad heeft gehad: a.
- a)een affiche voor Heldendag op 27 november 2009 te Utrecht met (onder andere) de tekst "Wij zullen een eed zweren door de weg te volgen van de grote helden die geschiedenis hebben geschreven door zichzelf te vernietigen in hel vuur van het ware doel" (B09-35/36, 1262/1263) en/of
- b)Een kalender van het jaar 2010 waarop geweldplegingen door de LTTE worden beschreven(B07-67/69, 75, 81, 1688/2065; B09-531/535, 566) en/of
- c)DVD Levend wapen, versie 7 (B09-22/23, 605/610) en/of
- d)DVD Levend wapen, versie 8 (B09-22/23, 611/621) en/of
- e)DVD Levend wapen, versie 9 (B09-22/23, 622/629) zijnde (een) geschift(
- en)en/of (een) afbeelding(
- en)waarin wordt opgeruid tot enig strafbaar feit, en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (van Sri Lanka) en waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zodanige opruiing daarin voorkwam (Artikel 132 Wetboek van Strafrecht) Ten aanzien van de tenlastelegging overweegt het hof als volgt. Onder feit 1.A., 1.B. en 2 is tenlastegelegd – voor zover hier relevant – het tezamen en in vereniging, althans alleen deelnemen aan een criminele organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven. Kennelijk heeft de steller van de tenlastelegging bedoeld de verdachte te verwijten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie, die mede uit anderen bestaat. Het hof verstaat de tenlastelegging aldus. 3Procesgang Blijkens het vonnis in eerste aanleg heeft de rechtbank: a.
- a)de dagvaarding partieel nietig verklaard voor wat betreft de onderdelen van het onder 1.B.a. en d. ten laste gelegde, voor zover het betreft het ten laste gelegde "elders in de wereld";
- b)het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van: - feit 1.B.a. – voor zover niet in Nederland begaan –; - feit 1.B.b.; - feit 1.B.c. – voor zover verband houdend met het gewapend conflict –; - feit 1.B.d. – voor zover niet in Nederland begaan –; en - feiten 1.B.e, f, g, h en i;
- c)niet wettig en overtuigend bewezen verklaard dat de verdachte de onder - 1.A., - 1. B.a. – voor zover in Nederland begaan –, - 1.B.c. – voor zover geen verband houdend met het conflict–,- 1.B.d. – voor zover in Nederland begaan –,- 2 sub a, b, g en h, - 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en heeft de verdachte daarvan vrijgesproken. De rechtbank heeft voorts:
- d)wettig en overtuigend bewezen verklaard, dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof leest de hierboven onder
- d)vermelde beslissing verbeterd, met dien verstande dat – gelet op de in het vonnis hierboven onder
- c)vermelde beslissing – de verdachte de onder 2 sub c, d, e en f, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Tevens is door de rechtbank beslist over de inbeslaggenomen goederen als nader omschreven in het vonnis. 4Hoger beroep Namens de verdachte is op 26 oktober 2011 hoger beroep ingesteld. Op 9 november 2011 is de schriftuur houdende de grieven van de verdediging ingediend bij het gerechtshof. De officier van justitie heeft op 3 november 2011 hoger beroep ingesteld. De appelmemorie houdende de grieven van het openbaar ministerie is op 3 november 2011 bij het hof ingekomen. 5. De beschuldiging, de vordering van het openbaar ministerie en het standpunt van de verdediging 5.1. De beschuldiging Verkort en zakelijk weergegeven is aan de verdachte het navolgende tenlastegelegd: Onder feit 1.A. is tenlastegelegd deelneming aan een (internationale) organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, althans de voorbereiding, bevordering en/of samenspanning daarvan, een en ander zoals nader omschreven in de tenlastelegging. Onder feit 1.B. is de verdachte tenlastegelegd deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid (marteling), oorlogsmisdrijven in een niet-internationaal gewapend conflict (rekruteren kindsoldaten) en andere misdrijven, althans de voorbereiding daarvan, een en ander zoals nader omschreven in de tenlastelegging. Feit 2 van de tenlastelegging betreft deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van commune misdrijven. Feit 3 betreft het voortzetten van werkzaamheden van een verboden organisatie. Onder feit 4 is aan de verdachte overtreding van de Sanctiewet 1977 tenlastegelegd. De feiten 5 en 6, tenslotte, betreffen de aan de verdachte ten laste gelegde opruiing (feit 5) en verspreiding ter opruiing (feit 6), een en ander zoals eveneens nader omschreven in de tenlastelegging. 5.2. De vordering van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft vernietiging van het vonnis waarvan beroep gevorderd, zijn niet-ontvankelijkheid in de vervolging voor de feiten 2 sub c, 3 en 4 en de veroordeling van de verdachte ter zake van de overige aan hem ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Hierbij is de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd. Voorts is de verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer gevorderd van goederen als in het requisitoir omschreven. 5.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat de dagvaarding (partieel) nietig dient te worden verklaard, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, dan wel dat hij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Hetgeen door de verdediging ter onderbouwing daarvan is aangevoerd zal op de daartoe gepaste plaatsen in het arrest nader worden weergegeven. 6Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. 7De geldigheid van de dagvaarding 7.1. Het standpunt van de verdediging Bepleit is dat de dagvaarding op een aantal gronden al dan niet partieel nietig wordt verklaard op grond van – samengevat – het volgende: - De tenlastelegging kan niet zowel cumulatief als alternatief zijn: de woorden “en/of” tussen feit 1.A. en 1.B. maken dat het hof “en” dan wel “of” partieel nietig moet verklaren. De tenlastelegging leidt aan innerlijke tegenstrijdigheid van de feiten 1.A. en 1.B. omdat daarin zowel terroristische als andere misdrijven zijn ten laste gelegd, welke naar de mening van de verdediging niet naast elkaar kunnen bestaan. De tenlastelegging is wat betreft 1.B. naar de mening van de verdediging partieel nietig wegens innerlijke tegenstrijdigheid ten aanzien van het bestaan van enerzijds een gewapend conflict op Sri Lanka en anderzijds het werven voor de gewapende strijd zonder toestemming van de Koning als bedoeld in art. 205 Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr), waarop de organisatie het oogmerk zou hebben gehad. - Ook zou de tenlastelegging wat betreft de feiten 1.A. en 1.B. onvoldoende feitelijk zijn omdat het openbaar ministerie de misdrijven waarop de organisatie waaraan de verdachte zou hebben deelgenomen het oogmerk had, niet nader heeft uitgewerkt maar slechts heeft verwezen naar de delictsomschrijving en de onderliggende zaak-dossiers. Dit verweer is ook voor wat betreft de tenlastelegging van feit 2 gevoerd. - Voorts heeft de verdediging betoogd dat de tenlastelegging voor wat betreft de feiten 1.A, 1.B. en 2 partieel nietig is omdat zonder enige nadere uitwerking is ten laste gelegd dat de organisatie waaraan zou zijn deelgenomen het oogmerk had op het voorbereiden of bevorderen van, dan wel samenspannen tot al dan niet terroristische misdrijven, hetgeen te vaag is. - Naar de mening van de verdediging is de tenlastelegging betreffende de feiten 1.A., 1.B. en 2 eveneens nietig omdat het openbaar ministerie heeft nagelaten de organisatie waaraan de verdachte zou hebben deelgenomen bij naam te noemen zodat niet is voldaan aan de informatiefunctie die de dagvaarding heeft. - Door de verdediging is voorts nog aangevoerd dat de dagvaarding niet aan haar informatieplicht voldoet, voor zover onder feit 1.B. ten laste is gelegd “het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het gevangennemen en/of ernstig beroven van de lichamelijke vrijheid (van burgers op Sri Lanka) in strijd met fundamentele regels van internationaal recht, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide en/of stelselmatige aanval gericht tegen de/een (Tamil) burgerbevolking (op Sri Lanka)”, nu de tenlastelegging op dit punt onvoldoende duidelijk, onvoldoende feitelijk en te eenzijdig kwalificatief is, hetgeen ook in zoverre moet leiden tot (partiële) nietigheid van de dagvaarding. - Tenslotte is nog betoogd dat in de tenlastelegging van de feiten 1.A. en 1.B. is opgenomen dat de feiten ook “elders in de wereld” gepleegd zouden zijn, hetgeen te vaag is zodat de dagvaarding (in zoverre) partieel nietig is. 7.2. Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft, kort gezegd, zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dat er van (partiële) nietigheid geen sprake is. 7.3. Het oordeel van het hof Met betrekking tot de wettelijke vereisten waaraan de dagvaarding dient te voldoen merkt het hof allereerst op dat deze een tenlastelegging dient te bevatten die als geheel moet worden gelezen in samenhang met het dossier. De verdachte, het openbaar ministerie en de rechter dienen op de hoogte te zijn van de gronden waarop de vervolging van de verdachte rust. In dit verband dient de verdachte te worden geïnformeerd en duidelijk gemaakt waarvoor hij terecht moet staan, zodat hij – bezien in het licht van het dossier – voldoende in staat is zich hiertegen te verdedigen en zich op die verdediging concreet voor te bereiden. De tenlastelegging stuurt daarnaast de onderzoekstaak en beperkt de beslissing van de rechter tot hetgeen is tenlastegelegd. Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat de verdediging miskent dat bij de tenlastelegging betreffende de feiten 1.A. en 1.B. sprake is van een zogenaamde cumulatief alternatieve tenlastelegging die (aan het hof) de keuze biedt hetzij één van hetzij beide alternatieven bewezen te verklaren, c.q. daarvan (gemotiveerd) vrij te spreken. Daarnaast is er tussen art. 140a Sr en 140 Sr sprake van een lex specialis, generalis verhouding waar het hof later in het arrest op terugkomt. Niet kan worden ingezien dat de alternatieven elkaar uitsluiten of tegenspreken. Van innerlijke tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake, ook niet door de verwijzing, in feit 1.B. onder a, naar het werven voor de gewapende strijd (op Sri Lanka) zonder toestemming van de Koning. De stelling dat een gewapend conflict en werven voor de gewapende strijd niet tegelijkertijd zouden kunnen plaatsvinden, vindt geen steun in het recht, zoals door het openbaar ministerie bij repliek, ook in hoger beroep, onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2011 naar het oordeel van het hof terecht is betoogd. Voorts stelt het hof vast dat het openbaar ministerie de tenlastelegging onder feiten 1.A. en 1.B. in hoger beroep heeft gewijzigd in die zin dat de in de tenlastelegging opgenomen organisatie nader bij (tussen haakjes geplaatste) naam wordt aangeduid. Het hof overweegt dat in de onderhavige zaak geen rechtsregel het openbaar ministerie verplicht de organisatie waaraan de verdachte zou hebben deelgenomen bij naam te noemen: het gaat bij het begrip “organisatie” in dit verband immers niet zozeer om de identificatie van een bestaand organisatorisch verband, maar om de kwalificatie van een samenhangend geheel van handelingen, verbanden met anderen en om het (gedeelde) oogmerk op strafbare feiten. Naar het oordeel van het hof was en is dat voldoende duidelijk en moeten derhalve ook de verdachten (voldoende) hebben begrepen om welke “organisatie” – in de in de vorige alinea bedoelde zin – het bij de ten laste gelegde feiten 1.A., 1.B. en 2 gaat, te meer nu het openbaar ministerie in de tenlastelegging telkens ook de namen van vermeende mededaders en, op onderdelen, de onderscheiden zaakdossiers heeft vermeld. Voor zover het verweer van onvoldoende feitelijke omschrijving specifiek is gevoerd ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde misdrijven waarop het oogmerk van de (nationale) criminele organisatie zou zijn gericht treft het geen doel, reeds omdat het daarbij telkens gaat om misdrijven die (nog) niet behoeven te zijn gepleegd zodat ook in zoverre met de delictsomschrijvingen in de tenlastelegging kan worden volstaan, die in het onderhavige geval ook van voldoende feitelijk aard zijn. Niet gebleken is dat het de verdachte op dit punt onvoldoende duidelijk is geweest waarvan hij wordt verdacht, noch dat hij (daardoor) zich onvoldoende zou hebben kunnen verdedigen tegen de aanklacht. Dat de wijze waarop de verdachten zouden hebben deelgenomen aan de bedoelde organisatie en het oogmerk daarvan in de tenlastelegging dienen te worden uitgewerkt vindt geen steun in het recht, te minder nu de deelnemingsvormen en de verwijzing naar de al dan niet terroristische misdrijven waarop deze het oogmerk zouden hebben gehad op zichzelf voldoende feitelijke betekenis hebben. Ook het begrip “oogmerk” heeft voldoende feitelijke betekenis, zodat verdere uitwerking in de tenlastelegging daarvan evenmin noodzakelijk is. Dat geldt evenzeer voor de omschrijving “wijdverbreide en/of stelselmatige aanval” onder feit 1.B. Het hof is dan ook – alles overziende – van oordeel dat de (gewijzigde) tenlastelegging ook op deze onderdelen een voldoende duidelijke – aan de in art. 261 Sv gestelde eis beantwoordende – omschrijving van de terroristische en/of criminele organisatie en daarmee samenhangende feitelijkheden bevat. In zoverre faalt het beroep op (partiële) nietigheid van de dagvaarding. Ten slotte overweegt het hof, ten aanzien van de stelling van de verdediging dat de plaatsbepaling in de tenlastelegging “elders in de wereld” te onbepaald zou zijn en dat daarom sprake zou zijn van partiële nietigheid, als volgt. De plaatsbepaling “elders in de wereld” is – zoals door het openbaar ministerie terecht is opgemerkt – in de tenlastelegging het sluitstuk van de plaatsbepalingen, na specifieke plaatsen in Nederland en de aanduidingen Nederland en Sri Lanka. De beschrijving “elders in de wereld” kan in het licht van het dossier niet anders worden begrepen dan betrekking hebbend op bepaalde in het dossier aangegeven beweerdelijk strafbare gedragingen of deelnemingshandelingen, die op andere plaatsen dan in Nederland of Sri Lanka hebben plaatsgevonden, waarbij het openbaar ministerie als voorbeelden noemt vergaderingen in Duitsland en Maleisië. Geen rechtsregel verzet zich tegen deze wijze van ten laste leggen en zodanige lezing van de tenlastelegging in samenhang met het dossier maakt de omschrijving voldoende bepaald en leidt derhalve niet tot partiële nietigheid. Het hof heeft daarbij mede betrokken dat geenszins is gebleken dat met betrekking tot die plaatsbepalingen aan de verdachte onvoldoende duidelijk zou zijn geweest wat hem werd verweten. De verweren met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding worden dan ook alle door het hof verworpen. 8Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging 8.1. Ten aanzien van het onder 2 sub c, 3 en 4 ten laste gelegde 8.1.1. De vordering van het openbaar ministerie Naar aanleiding van de uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Unie in Luxemburg (hierna: het Gerecht) d.d. 16 oktober 2014 heeft het openbaar ministerie zijn aanvankelijke vordering gewijzigd in die zin dat thans de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wordt gevorderd ten aanzien van de feiten 3 (voortzetting van een verboden organisatie) en 4 (overtreding van de Sanctiewet) alsmede ten aanzien van het in feit 2 onder c ten laste gelegde oogmerk van de organisatie om de Sanctiewet te overtreden. Het openbaar ministerie stelt zich thans op het standpunt dat van verdere vervolging alsnog (gedeeltelijk) behoort te worden afgezien op gronden van opportuniteit aan het algemeen belang ontleend, meer in het bijzonder het belang dat op korte termijn duidelijkheid wordt verkregen over het oordeel van het hof ten aanzien van beschuldigingen van terroristische misdrijven gepleegd in gewapend conflict. Het openbaar ministerie heeft gesteld dat het bij de aanvang van de vervolging uitsluitend voor een brede tenlastelegging heeft gekozen om een ‘vangnet’ te hebben voor het geval onverwachte ontwikkelingen een bewezenverklaring van de belangrijkste feiten – zijnde terroristische en criminele organisatie – in de weg zouden staan. In de visie van het openbaar ministerie worden alle feitelijke handelingen waarvan thans geen bewezenverklaring meer wordt gevorderd ook bestreken door met name feit 1 dat naar het oordeel van het openbaar ministerie bewezen moet worden verklaard. Er is dus thans sprake van minder samenloop, maar niet van bewezenverklaring van minder feitelijk strafbaar handelen of van kwalificatie als een lichter feit. 8.1.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging van de verdachten [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1] stellen zich met het openbaar ministerie op het standpunt dat ten aanzien van de feiten 2 sub c, 3 en 4 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De verdediging van de verdachte [verdachte 2] heeft aangegeven dat de verdachte graag een oordeel van het hof zou krijgen over alle ten laste gelegde feiten, dus ook over de feiten 2 sub c, 3 en 4. 8.1.3. Het oordeel van het hof Vooropgesteld moet worden dat aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Een zodanige beslissing van het openbaar ministerie om al dan niet tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin, dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Zo een uitzonderlijk geval doet zich naar het oordeel van het hof hier in de fase van berechting voor. Het openbaar ministerie heeft immers zelf gemotiveerd aangegeven thans met betrekking tot de opportuniteit van de vervolging tot een andere afweging te zijn gekomen, ingegeven door veranderde omstandigheden en het tijdsverloop dan ten tijde van de aanvang van de vervolging. Zowel het tijdsverloop als de veranderde omstandigheden kunnen te respecteren aspecten van algemeen belang zijn om (al dan niet) tot vervolging over te gaan. Het hof stelt vast dat – daar tegenover – in de strafzaken van [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1] niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met voortzetting van de behandeling van de bedoelde feiten 2 sub c, 3 en 4, zodat het hof voldoende termen aanwezig acht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van deze verdachten voor zover het betreft het onder 2 sub c, 3 en 4 ten laste gelegde. In de strafzaak van [verdachte 2] overweegt het hof als volgt. Weliswaar verzoekt [verdachte 2] het hof een uitspraak te doen over alle tenlastegelegde feiten, maar verzuimt hij daarbij aan te geven in welk belang hij zou zijn geschaad indien het hof daartoe niet zou overgaan. Tevens overweegt het hof dat het door [verdachte 2] verzochte oordeel een kwalificatievraag betreft. Alle feitelijke handelingen komen in volle omvang aan de orde in de overige tenlastegelegde feiten. Voorts dient het hof in de strafzaak van [verdachte 2] ervoor te waken dat de behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [verdachte 2] reeds eerder te kennen heeft gegeven dat de reeds verstreken tijdsduur van het strafproces al grote impact op zijn leven heeft gehad. Alle belangen afwegende komt het hof tot het oordeel dat ook in de strafzaak van [verdachte 2] er voldoende termen aanwezig zijn om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging voor zover het betreft het onder 2 sub c, 3 en 4 ten laste gelegde. 8.1.4. Verzoek van de verdediging Naar aanleiding van de mededeling van de verdediging ter terechtzitting van 26 januari 2015 dat het verzoek van tot het horen van de zogenoemde EU-getuigen, te weten [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] niet langer zou worden gehandhaafd indien het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging zou verklaren voor de feiten 2 sub c, 3 en 4, stelt het hof, gelet op bovenstaande beslissing vast, dat dit verzoek is komen te vervallen. 8.2. Overige verweren 8.2.1. Juridisch kader De verdediging is van mening dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Hiertoe is door de verdediging aangevoerd dat zich in het voorbereidend onderzoek ernstige vormverzuimen, zoals hierna te bespreken, hebben voorgedaan waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Deze handelwijze levert onder meer een schending van art. 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) op, en ook de rechterlijke controle op het bewijsmateriaal is door deze handelwijze moedwillig gefrustreerd, aldus de verdediging. Bij de beoordeling van de verweren wordt door het hof het volgende vooropgesteld. De Hoge Raad overweegt in zijn uitspraak van 19 februari 2013 het volgende: “Indien binnen de door art. 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is “het belang dat het geschonden voorschrift dient”. De tweede factor is “de ernst van het verzuim”. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. (…) Voorts is van belang dat – gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv – het wettelijk stelsel aldus moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen. Art. 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht, en biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld, de mogelijkheid af te zien van het toepassen van een van de daar bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De strekking van de regeling van art. 359a Sv is immers niet dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte.” Voorts overweegt het hof dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Behalve de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie noemt art. 359a lid 1 Sv de sanctie van bewijsuitsluiting. Bewijsuitsluiting kan als voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Voor zover in de onderhavige zaak door de verdediging bewijsuitsluiting is bepleit, zal het hof daar bij de bewijsvoering nader op ingaan. Tegen de achtergrond van het voorgaande zal het hof de door de verdediging aangevoerde verweren beoordelen en de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bespreken. 8.2.2. Onrechtmatige start van het onderzoek 8.2.2.1. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest, omdat het door de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) uitgevoerde onderzoek jegens de verdachten ten onrechte is gepresenteerd als een onderzoek naar het Bevrijdingsleger van Tamil Eelam (Liberation Tigers of Tamil Eelam, hierna: de LTTE) op grond van de zogenoemde A-taak als bedoeld in art. 6 lid 2 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: Wiv 2002), terwijl dat onderzoek in feite is gestart om het strafrechtelijke onderzoek te faciliteren of te vergemakkelijken. Het staat het openbaar ministerie op zichzelf vrij de AIVD te verzoeken bepaalde inlichtingen vrij te geven, voor zover de AIVD daar over beschikt. In casu is evenwel door de zaaksofficier van justitie aan de AIVD verzocht informatie te verstrekken die kan leiden tot identificatie van die personen die blijkens een negental door de officier van justitie aangeleverde DVD’s een actieve en/of leidende rol binnen de LTTE spelen, alsmede informatie te verstrekken over waar en wanneer de op de DVD’s getoonde bijeenkomsten zijn gehouden. Door de getuige [getuige 4] is desgevraagd verklaard dat “het zou kunnen dat door middel van technische hulpmiddelen herkenning heeft plaatsgevonden”. Dit betekent volgens de verdediging dat de AIVD actief onderzoek heeft moeten verrichten, en dat niet gesteld kan worden dat herkenning heeft plaatsgevonden op basis van kennis die reeds aanwezig was. Die kennis diende immers nog vergaard te worden. Aldus heeft de AIVD wel degelijk gebruik gemaakt van een haar toekomende bevoegdheid, en onderzoek verricht waarop door de verdediging slechts in zeer beperkte mate controle kan worden uitgeoefend, terwijl de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden van het openbaar ministerie zijn omgeven met veel meer waarborgen. Het optreden van de AIVD levert dan ook een schending op van de aan de verdachte toekomende fundamentele rechten van zodanige aard dat er geen sprake meer is van een fair trial als bedoeld in art. 6 EVRM, aldus de verdediging. 8.2.2.2. Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld – verkort en zakelijk weergegeven – dat de AIVD vragen van de opsporing mag beantwoorden indien voor de beantwoording van die vragen geen inlichtingenmiddelen worden ingezet met het doel om strafvorderlijke waarborgen doelbewust buiten toepassing te laten. Dat laatste is niet gebeurd. Aan de AIVD is gevraagd om reeds beschikbare kennis bij de AIVD ter beschikking te stellen. Er is derhalve geen vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en het verweer dient te worden verworpen. 8.2.2.3. Het oordeel van het hof Het hof stelt vast dat, gelet op de wetsgeschiedenis van de Wiv 2002 er in beginsel geen bezwaar bestaat tegen het gebruik van door de AIVD vergaard en daar aanwezig materiaal. In het verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 6 september 2011 heeft de getuige Van Gemert, op de vraag welke activiteiten door de AIVD zijn verricht naar aanleiding van het verzoek van de zaaksofficier om nadere informatie over de identiteit van de personen op de DVD’s en een plaats- en tijdsaanduiding van de op de DVD getoonde bijeenkomsten, geantwoord: “De AIVD heeft naar aanleiding van het verzoek op basis van de aanwezige kennis getracht antwoord te geven en dat vervat in het ambtsbericht.” Uit dit antwoord blijkt niet dat de AIVD actief onderzoek heeft moeten verrichten; de door de verdediging geciteerde zinsnede maakt dat niet anders. Het hof concludeert dat het verweer feitelijke grondslag mist en verwerpt mitsdien het verweer. 8.2.3. Samenwerking met de Sri Lankaanse autoriteiten 8.2.3.1. Het standpunt van de verdediging Het openbaar ministerie heeft zonder enige terughoudendheid samengewerkt met de overheid van Sri Lanka ter verkrijging van schriftelijke bescheiden en getuigenverklaringen, terwijl het openbaar ministerie op de hoogte mag worden geacht te zijn geweest van het feit dat de overheid van Sri Lanka op grote schaal fundamentele rechten schendt, onder andere middels foltering, marteling en schendingen van het internationaal humanitair recht. Het openbaar ministerie heeft documentbewijs in de strafzaak gevoegd dat in beslag is genomen door de Sri Lankaanse autoriteiten en dat in het kader van een rechtshulpverzoek is overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten. Het openbaar ministerie heeft, middels deze wijze van vergaring van het documentbewijs, een inbreuk gemaakt op de artt. 3 en 6 EVRM, art. 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR), art. 15 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (hierna: VN-Folterverdrag) dan wel op andere fundamentele rechten. Uit de getuigenverhoren over de herkomst van de documenten blijkt dat het documentbewijs is verkregen door verhoor van vermeende LTTE-ers die op zijn minst leefden onder de dreiging van marteling en foltering. Door het in het dossier voegen van ‘besmet’ documentbewijs heeft het openbaar ministerie de verdachte een eerlijk proces ontzegd, omdat het documentbewijs noch door de verdediging noch door het hof te toetsen is op authenticiteit, exacte wijze van verkrijging e.d. 8.2.3.2. Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft – verkort en zakelijk weergegeven – betoogd dat er nog geen begin van aannemelijkheid is dat bij de vondst van de documenten die nu deel uitmaken van het dossier dusdanige mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden dat dat moet leiden tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. 8.2.3.3. Het oordeel van het hof Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat in de periode voorafgaand aan het aantreffen en vervolgens in beslag nemen van bewijsmateriaal – dat naderhand na een daartoe strekkend rechtshulpverzoek aan de Nederlandse opsporingsambtenaren is overhandigd – door de Sri Lankaanse autoriteiten in het gebied waar dat bewijsmateriaal is aangetroffen ernstige mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden, en dat daarbij mogelijk sprake is geweest van marteling of foltering. Evenmin kan worden uitgesloten dat gehoorde getuigen leefden onder de dreiging van marteling of foltering. Echter, niet kan worden vastgesteld dat het door het openbaar ministerie in het dossier gevoegde bewijsmateriaal is verkregen door marteling of foltering, noch dat verklaringen zijn afgelegd onder druk van – eerdere – martelingen, laat staan dat kan worden vastgesteld dat het openbaar ministerie welbewust op deze wijze verkregen bewijsmateriaal in het dossier heeft gevoegd. Een en ander brengt mee dat de bewuste verklaringen weliswaar met grote behoedzaamheid moeten worden beoordeeld, maar er zijn geen aanwijzingen dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk zouden hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak zou zijn tekortgedaan. Het verweer wordt derhalve in zoverre verworpen. 8.2.4. Parallel onderzoek door het openbaar ministerie 8.2.4.1. Het standpunt van de verdediging De rechtbank heeft naar aanleiding van de regiezitting van 19 januari 2011 het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [getuige 5] toegewezen. Kort voor de regiezitting van 14 april 2011 bleek dat [getuige 5] op 31 maart en 1 april 2011 gehoord zou gaan worden door het onderzoeksteam Koninck. Op het moment dat de verdediging kennis nam van dit voornemen had het aangekondigde verhoor al plaatsgevonden. Na een doorzoeking in zijn woonhuis, een bezoek op zijn werk en een verhoor door het onderzoeksteam Koninck, is [getuige 5], getuige à décharge, op 18 mei 2011 door de verdediging nader ondervraagd. De getuige verklaarde zeer behoedzaam, gezien zijn ervaringen. Hierdoor is de verdediging in haar belangen geschaad, nu het onderzoeksteam onder leiding van het openbaar ministerie op die manier een belangrijke verdedigingsgetuige “onklaar” heeft gemaakt. Voorts heeft het openbaar ministerie getuigenverklaringen à charge voorgekookt door het laten voeren van voorgesprekken met de getuigen [getuige 6] en [getuige 7], doordat zij voor hun “officiële” geverbaliseerde politieverhoren zijn gehoord door overheidsfunctionarissen waarbij zij met foto’s van de verdachten, onderzoekshypotheses en vragen zijn geconfronteerd die zij vervolgens alleen nog maar hoefden te bevestigen tijdens hun ‘officiële’ verhoor. Beide handelwijzen van het openbaar ministerie zijn in strijd met de ongeschreven regels van een behoorlijke procesvoering waardoor inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak. 8.2.4.2. Het standpunt van het openbaar ministerie Door het openbaar ministerie is naar voren gebracht dat het Nederlandse systeem, waarbij een getuige eerst door de politie wordt gehoord en later in aanwezigheid van de verdediging door een rechter, voldoende waarborgen biedt. Op de regiezitting van 19 januari 2011 heeft het openbaar ministerie, nadat het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 5] was toegewezen, aangegeven dat, mocht meer duidelijkheid komen over de toen nog onbekende verblijfplaats van [getuige 5], het openbaar ministerie van plan was [getuige 5] te laten horen door de politie in het kader van parallelle opsporing. De verdediging heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt op die zitting, en evenmin enig verzoek gedaan. 8.2.4.3. Het oordeel van het hof Het hof stelt voorop dat de zelfstandige opsporingsbevoegdheid van de officier van justitie voortduurt gedurende de gehele loop van het strafproces. Dit betekent dat het de officier van justitie vrij staat eventueel getuigen door de politie te doen horen vooruitlopend op het verhoor door de rechter-commissaris. Dat geldt zowel voor getuigen à charge als voor getuigen à décharge en evenzeer voor verhoren als voor oriënterende gesprekken. Voor zover al ongeschreven regels van behoorlijke procesvoering meebrengen dat het openbaar ministerie zich ingeval van getuigen, waarvan door rechter of rechter-commissaris reeds is bepaald dat zij zullen worden gehoord, terughoudender zou moeten opstellen, met name ten aanzien van getuigen à décharge, merkt het hof op dat – wat daarvan onder de onderhavige omstandigheden ook zij – van enige significante schending van verdedigingsbelangen geen sprake is, nu het verhoor door de politie van de getuige (à décharge) [getuige 5] tevoren is aangekondigd en in het latere verhoor de verdediging in de gelegenheid is geweest zelf vragen aan de getuige te stellen en de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te toetsen. Dat geldt evenzeer voor de verhoren van de getuigen (à charge) [getuige 6] en [getuige 7]. Een inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is naar het oordeel van het hof dan ook niet komen vast te staan, zodat het verweer wordt verworpen. 8.2.5. Discriminatoire vervolging 8.2.5.1. Het standpunt van de verdediging Naar het hof begrijpt stelt de verdediging zich, evenals in eerste aanleg, op het standpunt dat, verkort en zakelijk weergegeven, er sprake is geweest van een discriminatoire vervolging. Daartoe is aangevoerd dat de wijze waarop het openbaar ministerie het onderzoek naar het gewapend conflict in Sri Lanka heeft aangepakt vanaf het allereerste begin getuigt van een betreurenswaardig eenzijdige oriëntatie op de Tamils, een etnische groep. Niet valt in te zien waarom het onderzoek niet ook de internationale misdrijven gepleegd door het Sri Lankaanse regime omvat. Het hele strafrechtelijke onderzoek – en de uiteindelijke vervolgingsbeslissingen – wordt derhalve gekenmerkt door een arbitrair onderscheid op basis van etniciteit, aldus de verdediging. De vervolgingsbeslissing is willekeurig, in strijd met het evenredigheidsbeginsel en voorts is het recht op een eerlijk proces geschonden. Dit dient volgens de verdediging te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. 8.2.5.2. Het oordeel van het hof Nog daargelaten dat vervolging van een vreemde mogendheid afstuit op volkenrechtelijke immuniteit, is het hof eveneens met de rechtbank van oordeel dat heeft te gelden dat het, gelet op het in Nederland geldende opportuniteitsbeginsel, de officier van justitie is die, na een opsporingsonderzoek, de belangenafweging maakt of en zo ja wie waarvoor vervolgd dient te worden. De wijze waarop – in geval van een vervolging – deze belangenafweging heeft plaatsgevonden staat in zijn algemeenheid en slechts in hier niet aannemelijk geworden uitzonderingsgevallen ter beoordeling van de rechter. De verdediging heeft weliswaar gesteld dat het openbaar ministerie bij de beslissing om de verdachten te vervolgen heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur, het evenredigheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces, maar heeft deze stelling, zoals op haar weg had gelegen, niet nader en op rechtens relevante wijze met (voldoende concrete) feiten of omstandigheden onderbouwd. Het hof heeft ook overigens voor de aan het openbaar ministerie verweten handelwijze in het procesdossier of anderszins geen aanwijzingen gevonden. Het verweer wordt mitsdien verworpen. 9Algemene overwegingen Het hof ziet in de bijzondere en in vele opzichten unieke aard van de zaak aanleiding om, alvorens de ten laste gelegde feiten afzonderlijk te bespreken, (telkens) eerst – (deels) in algemene zin – in te gaan op de achtergrond van de zaak, de bewijswaardering en het relevante juridische kader. Het hof sluit bij die bespreking, zo nodig, (deels) aan bij de desbetreffende overwegingen van de rechtbank, met name in die gevallen waarbij de feiten en omstandigheden afkomstig zijn uit openbare bronnen en deskundigen-verklaringen en van algemene bekendheid worden geacht en/of, voor zover nodig, ter openbare terechtzitting zijn besproken en niet door het openbaar ministerie of de verdediging zijn bestreden. 9.1. Achtergrond van de zaak De in de tenlastelegging genoemde feiten en omstandigheden vertonen een nauwe samenhang met het gewelddadig conflict dat zich gedurende ruim 25 jaar op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) heeft afgespeeld. Over dit conflict overweegt het hof als volgt, waarbij het hof in het bijzonder acht heeft geslagen op het – voor de zaken tegen de verdachte en diens medeverdachten – opgemaakte rapport van de deskundigen dr. A.J. Keenan en prof. dr. ir. Frerks, die daarover ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig verantwoording hebben afgelegd. Op 5 mei 1976 werd door [betrokkene 1] de Liberation Tigers of Tamil Eelam, algemeen bekend als de LTTE of de Tamil Tigers opgericht. De LTTE komt voort uit de Tamil New Tigers (TNT), één van de opstandige militante groeperingen die zich op Sri Lanka inzetten voor een autonome staat voor de Tamil bevolking. [betrokkene 1], eerder één van de leiders van de TNT, was vanaf het begin tot aan zijn dood in 2009 de leider van de LTTE. De LTTE werd opgericht als gevolg van een onder de Tamil minderheid op Sri Lanka in de jaren 1960/1970 groeiend gevoel dat zij werd achtergesteld ten opzichte van de Singalese meerderheid op Sri Lanka. De doelstelling van de LTTE was gedeeltelijke dan wel gehele zelfstandigheid van de Tamilbevolking door middel van een eigen onafhankelijke en autonome staat van Tamil Eelam in het noorden en oosten van het eiland te bereiken. Er kwamen ook andere groeperingen met een (soortgelijk) doel, maar uiteindelijk bleef de LTTE als enige dominante groepering over. De LTTE voerde een gewelddadige separatistische en nationalistische campagne, inclusief dodelijke aanslagen, om een onafhankelijke staat te stichten. De LTTE kwam hiermee in conflict met de regering van Sri Lanka (hierna te noemen: GoSL). Het conflict escaleerde en groeide uit tot de Sri Lankaanse burgeroorlog, die liep van 1983 tot 2009, toen de LTTE werd verslagen door het Sri Lankaanse leger. In begin jaren ‘80 is de LTTE formeel toegetreden tot een gemeenschappelijk militante front, de Eelam Nationaal Bevrijdingsfront (ENLF), een unie tussen LTTE, de Tamil Eelam Bevrijdingsorganisatie (TELO), de Eelam Revolutionaire Organisatie van Studenten (EROS), Bevrijdingsorganisatie de People's van Tamil Eelam (PLOTE) en de Eelam People's Revolutionary Liberation Front (EPRLF). De twee belangrijkste divisies van de LTTE waren de militaire vleugel en de politieke vleugel. De militaire vleugel bestond uit minimaal elf afzonderlijke divisies waaronder de conventionele strijdkrachten, de gevechtsbrigade Charles Anthony, een marinevleugel genaamd de Sea Tigers, en een luchtvleugel genaamd Air Tijgers. De strijdkrachten van de LTTE droegen uniformen en kenden een commandostructuur met militaire rangen. De politieke vleugel was een systematische en krachtige vleugel, die functioneerde als een aparte staat in de door de LTTE beheerste gebieden. In 1989 heeft de LTTE een politieke partij opgericht met de naam People's Front of Liberation Tigers (PFLT). De LTTE had daarnaast de beschikking over een groot internationaal netwerk. Het wereldwijde netwerk van de LTTE hield zich bezig met o.a. propaganda, fondsenwerving, (illegale) wapenaankopen en scheepvaart. Vanaf 1990 verwierf de LTTE een door haar beheerst gebied in het noordelijke en oostelijke gedeelte van Sri Lanka. In de gebieden waar de LTTE het voor het zeggen had, fungeerde het voor de bevolking daar als een soort overheid. Naast de hiervoor vermelde verschillende eigen strijdkrachten (landstrijdkrachten, zeestrijdkrachten en beperkte luchtstrijdkrachten) beschikte de LTTE over een eigen politie en een eigen rechtspraak, terwijl zij toelieten dat de Sri Lankaanse staatsdiensten werden voortgezet, zowel op het gebied van de algemene overheid als bij het verlenen van maatschappelijke diensten. De overheidsdiensten fungeerden echter in nauwe samenwerking met, zo niet onder volledige controle van, de LTTE. Verder had de LTTE een eigen belastingstelsel. Mede door dit belastingstelsel was de LTTE in staat de gewapende strijd tegen het Singalese leger te blijven financieren. Daarnaast ontving de LTTE inkomsten uit het buitenland van derden en partnerorganisaties. De LTTE werd in 1998 door de GoSL verboden. Nadat al eerder India
(1992), de Verenigde Staten van Noord-Amerika
(1997), en Groot-Brittannië
(2000)de LTTE op de lijst van verboden terroristische organisaties hadden geplaatst, volgden in 2006 de Europese Unie en Canada. De oorlog leidde uiteindelijk tot een overwinning van de GoSL op de LTTE in mei 2009 en, naast talloze slachtoffers onder militairen en burgers, tot volledige uitroeiing van de militaire en politieke top van de LTTE, onder wie haar voorman [betrokkene 1]. 9.2. Algemene bewijsoverwegingen Het hof stelt voorop dat degene die strafrechtelijk wordt vervolgd, door de vervolgende en rechtsprekende instanties voor onschuldig wordt gehouden, totdat – buiten redelijke twijfel – in rechte zijn schuld is komen vast te staan. Met andere woorden: voor het vaststellen van de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het aan hem ten laste gelegde en de consequenties van die aansprakelijkheid, zal wettig en overtuigend dienen komen vast te staan dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde heeft gepleegd, dat het aldus bewezen verklaarde strafbaar is en de verdachte deswege strafbaar. Bij de beoordeling van het procesdossier in deze zaak en het daaruit voortvloeiend bewijs, is van belang dat volgens bestendige jurisprudentie de selectie en waardering van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend de in art. 339 Sv genoemde bewijsmiddelen. Voorts zijn de bewijsminimumregels van de artt. 341, 342, 344 en 344a Sv van toepassing. Het mogelijke bewijs in deze zaak berust, naast de eventuele eigen waarneming(
- en)van het hof ter terechtzitting, in hoofdzaak op (op ambtseed opgemaakte) verklaringen van de (mede)verdachte(
- n)en van getuigen, verklaringen van deskundigen, schriftelijke bescheiden en/of feiten of omstandigheden van algemene bekendheid zoals daarvan (tevens) blijkt uit door het hof geraadpleegde algemeen toegankelijke (openbare) bronnen. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de voor het bewijs geselecteerde getuigen worden primair de verklaringen voor het bewijs gebruikt die deze getuigen in deze strafzaak tegenover een (onafhankelijke) rechter hebben afgelegd. In dat geval zijn het onderzoek en de verhoren expliciet gericht op de schuld en onschuld van de verdachte(n), waarbij zowel het openbaar ministerie als de verdediging in beginsel in de gelegenheid zijn geweest de desbetreffende getuige te ondervragen en de betrouwbaarheid van zijn verklaring(
- en)te toetsen. Dit laatste geldt niet voor de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd bij een opsporingsambtenaar. Mitsdien zal het hof voor de bewijsbeslissing primair als uitgangspunt nemen de verklaringen die door de getuige tegenover de (onafhankelijke) rechter heeft afgelegd. Dit betekent evenwel niet dat het hof geen acht zal slaan op de verklaringen die de desbetreffende getuige(
- n)bij een opsporingsambtenaar heeft/ hebben afgelegd. Immers, ook voor deze verklaringen geldt dat zij gericht waren op de mogelijke rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Bovendien komen ingevolge art. 344 Sv, als wettige bewijsmiddelen mede in aanmerking ambtsedige processen-verbaal, behelzende de mededeling door personen die tot het opmaken daarvan bevoegd zijn van door hen zelf waargenomen feiten of omstandigheden, zoals een tegenover hen afgelegde verklaring van een derde. Binnen de door de wet en het EVRM getrokken grenzen mag de rechter van dergelijk bewijsmateriaal in het algemeen zonder meer voor zijn bewijsvoering bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. Bij de waardering van de in deze zaak afgelegde verklaringen en daarmee de beoordeling van hun bruikbaarheid voor het bewijs sluit het hof aan bij de eerder door dit hof gehanteerde criteria, zoals, verkort en zakelijk weergegeven, de toetsing van die verklaringen aan objectieve informatie of gegevens; de consistentie van de opeenvolgende verklaringen van de desbetreffende getuige(n); de overeenstemming van die verklaring(
- en)met hetgeen een of meerdere andere getuige(
- n)hebben verklaard en, tenslotte, de plausibiliteit van de inhoud van die verklaring(en). Het hof zal de door de verdachte of getuige afgelegde verklaring(
- en)steeds bezien in onderling en samenhang met andere verklaringen en/of overig voor het bewijs gebruikte stukken van overtuiging. Het hof benadrukt daarbij het belang van de beoordeling van de geloofwaardigheid van een getuige en diens verklaring in het licht van het proces als geheel. Bij de beoordeling van de feiten moet niet in de eerste plaats worden gekeken naar de afzonderlijke en geïsoleerde getuigenverklaring; het is de accumulatie van al het bewijsmateriaal in de zaak die moet worden afgewogen. De verklaring van een getuige, op zich zelf beschouwd, kan op het eerste gezicht van slechte kwaliteit zijn, maar kan (overtuigende) kracht halen uit ander bewijsmateriaal in de zaak. Het hof zal er bij de waardering van de getuigenverklaringen tenslotte rekening mee houden dat de ten laste gelegde gebeurtenissen, indien bewezen, geruime tijd geleden plaats hebben gevonden in een – niet westers – land dat in politiek, cultureel en sociaal opzicht weinig overeenkomsten vertoonde en vertoont met de Nederlandse samenleving en dat bovendien intern verscheurd was door ingrijpende met name politieke en etnische geschillen en (daarmee in dit geval gepaard gaande) gewapende conflicten, hetgeen een bijzondere wissel trekt op het onderzoek, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van het opsporen van de nog beschikbare getuigen en het aanvullende bewijsmateriaal. Bovendien konden getuigen in sommige gevallen moeilijk worden getraceerd en slechts door tussenkomst van de GoSl worden gehoord. Niet altijd is duidelijk of de desbetreffende getuigen in vrijheid hebben kunnen verklaren, hetgeen maakt dat de desbetreffende verklaringen, indien en voor zoverre zij bijdragen tot het bewijs, met enige behoedzaamheid dienen te worden gebruikt en alleen voor zover ze worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Een deel van het bewijsmateriaal in deze zaak is afkomstig uit Sri Lanka. Meer in het bijzonder betreft dit documenten, zoals (kopieën van pagina’s uit) dagboeken van [alias betrokkene 2] en overige documenten, persoonsformulieren en lijsten met aanvallen van [betrokkene 4]. Het hof merkt op dat dit bewijsmateriaal, voor zover het voor het bewijs wordt gebruikt, met enige behoedzaamheid moet worden bekeken, niet alleen omdat Sri Lanka partij is bij het conflict met de LTTE waardoor het belang kan hebben bij veroordeling van de verdachte(n), maar ook omdat er tussen Nederland en Sri Lanka geen sprake is van een bilaterale rechtshulprelatie waardoor aan het vertrouwensbeginsel in beginsel wat minder gewicht toekomt en het er tenslotte door gezaghebbende bronnen regelmatig is gerapporteerd over mensenrechtenschendingen door de overheid van Sri Lanka, hetgeen potentieel van invloed zou kunnen zijn voor de beoordeling van het verkregen bewijs. Deze laatste omstandigheden worden overigens ook door het openbaar ministerie onderkend. Deze bijzondere omstandigheden hebben eveneens een bijzondere wissel getrokken op het onderzoek in deze strafzaak. Indien en voor nodig zal het hof hierop elders in het arrest nog nader ingaan. Het hof zal voor het bewijs ook gebruik maken van de door de verdachte en diens medeverdachten zelf afgelegde verklaringen, in onderling verband gezien. Met name zal het hof aan het bewijs doen meewerken de door de verdachte [verdachte 2] in hoger beroep afgelegde verklaringen als verdachte én als getuige in de zaken tegen de medeverdachten. Het hof acht die verklaringen betrouwbaar, mede gelet op het ondersteunende andere bewijs dat ligt besloten in de ook door de rechtbank vermelde bewijsmiddelen, die het hof, voor zover zij hieronder worden overgenomen, betrouwbaar, redengevend en overtuigend acht. Het hof tekent daarbij nog aan dat de verdachte [verdachte 2] bij zijn verhoor als getuige ter terechtzitting in hoger beroep onder ede heeft aangegeven dat hij als verdachte in hoger beroep ter zitting naar waarheid heeft verklaard en er geen bezwaar tegen heeft dat die verklaring (eventueel) wordt aangehaald in de zaken tegen zijn medeverdachten. Desgevraagd hebben de raadslieden van de verdachten [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1], alsmede de advocaat-generaal, medegedeeld dat zij geen bezwaar hebben tegen het gebruik van de op 1 april 2014 ter terechtzitting als verdachte afgelegde verklaring van [verdachte 2], als getuigenverklaring in de zaken tegen de verdachten [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1]. Met name voor zover de [verdachte 4], [verdachte 5], [verdachte 3] en [verdachte 1] hebben betoogd dat zij met de LTTE niets van doen hadden, maar uitsluitend (deelnemings)handelingen hebben verricht in het kader van de Nederlandse sub-organisaties zal het hof daaraan voorbijgaan, nu uit de in dit opzicht geloofwaardige, hierna nader te bespreken, verklaringen van de verdachte [verdachte 2] niet anders kan worden afgeleid dan dat die sub-organisaties eenvoudigweg deel uitmaakten van de LTTE; de Nederlandse afdeling van de LTTE ressorteerde rechtstreeks onder de LTTE op Sri Lanka. In dat opzicht wordt de verklaring van [verdachte 2] bovendien ondersteund door een aantal andere, hierna te bespreken bewijsmiddelen. 10Juridisch kader feiten 1 en 2 10.1. Volkenrechtelijke rechtsbronnen Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de ten laste gelegde beschuldigingen onder feit 1.A. en 1.B. en de daaraan ten grondslag liggende delictsomschrijvingen primair te rade wordt gegaan bij de rechtsbronnen, waarbij (voor de uitleg ervan) de vraag centraal staat wat de omstandigheden zijn waardoor de rechtsregel of rechtsnorm gelding heeft. Deze rechtsbronnen, meer concreet verdragen, wetten of geschreven rechtsregels, jurisprudentie, ongeschreven rechtsregels (gewoonterecht) en rechtsleer of doctrine, werken direct op de rechtsvorming in. Onder feit 1.B. zijn specifieke feiten tenlastegelegd als onderdeel van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in respectievelijk art. 6 (oorlogsmisdrijven) en art. 4 (misdrijven tegen de menselijkheid) van (kort gezegd) de Wet internationale misdrijven (hierna: WIM). Tegen de achtergrond van het complementariteitsbeginsel beoogt de WIM (in elk geval) te voorzien in strafbaarstelling van alle kernmisdrijven uit het Statuut van het Strafhof (hierna ook te noemen: ICC), opgenomen in de artt. 5-8 van het Statuut en nader omschreven in de ‘Elements of Crimes’. In de WIM is zo nauw mogelijk aangesloten bij de internationale delictsomschrijvingen in het Statuut. Blijkens de wetsgeschiedenis kan op deze wijze beter worden aangesloten bij het internationaal karakter van deze misdrijven en hun worteling in levende internationale instrumenten, waardoor ook beter kan worden bewerkstelligd dat de Nederlandse rechter zich bij de interpretatie van de delictsomschrijving oriënteert op het internationale recht. Het Statuut van het Strafhof en de interpretatie van daarvan in de uitspraken van het Strafhof spelen daarbij een aanzienlijke rol. Datzelfde geldt voor de Statuten en de rechtspraak van de ad hoc tribunalen – het Joegoslavië tribunaal (hierna ook te noemen: ICTY), het Rwandatribunaal (hierna ook te noemen: ICTR), het Speciale Hof voor Sierra Leone (hierna ook te noemen: SCLC), het Oost-Timortribunaal, het Libanontribunaal en het Cambodjatribunaal – , te meer nu de nationale rechter wordt aangespoord zich voor wat betreft het toepasselijke juridisch kader in belangrijke mate te laten leiden door de rechtspraak van de tribunalen. Voor de uitleg en (verdere) ontwikkeling van het internationale humanitair oorlogsrecht vormen voorts de rapporten en commentaren van het Internationaal Rode Kruis (hierna ook te noemen: ICRC) o.a. op de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en de Aanvullend Protocollen I en II van 8 juni 1977 bij die Verdragen (hierna respectievelijk: AP I en AP II) een belangrijke rechtsbron. In de Verdragen van Genève is de kern van het thans geldende humanitaire oorlogsrecht geformuleerd. De Verdragen verwijzen voor de strafrechtelijke repressie van de expliciet aangeduide grave breaches op de Verdragsbepalingen naar de nationale strafrechtelijke systemen. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat volkenrechtelijk conforme interpretatie kan dienen om
- a)te voorzien in een leemte die de wetgever heeft gelaten of
- b)aan een bedoeling van de wetgever gevolg te geven die uit de wetsgeschiedenis kan blijken maar niet expliciet in de wet is vastgelegd. Daarbij past ter kanttekening dat volkenrechtelijke interpretatie niet kan dienen om het oordeel van de rechter in plaats te stellen van die van de wetgever. De volkenrechtelijke interpretatie vindt zijn grenzen in de tekst van de wet en de bedoeling van de wetgever. Het hof merkt tenslotte op dat, indien en voor zover nodig, alleen geschreven en een ieder verbindende regels van internationaal recht worden betrokken bij de interpretatie van de Nederlandse wet. Het direct afleiden van een concreet strafrechtelijk verwijt uit internationaal gewoonterecht is naar Nederlands recht niet mogelijk. Art. 94 van de Grondwet (hierna: GW) staat wel toe strafbepalingen te toetsen aan ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. 10.2. Terrorisme Aan de verdachte zijn in feit 1.A. diverse (onderliggende) strafbare feiten tenlastegelegd, als onderdeel van terroristische misdrijven. Dienaangaande overweegt het hof allereerst als volgt. 10.2.1. Terrorisme: algemeen Naar aanleiding van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (hierna: Kaderbesluit), dat de EU-lidstaten onder meer verplicht rechtsmacht voor terroristische handelingen te vestigen en de strafwetgeving ter bestrijding van terrorisme aan te passen, heeft Nederland daaraan uitvoering gegeven door de invoering van de Wet terroristische misdrijven. De onder feit 1 ten laste gelegde deelneming aan een (internationale) terroristische organisatie (art. 140a Sr) ziet op de in het Kaderbesluit bedoelde regelgeving. Tezamen en in onderling verband met de artt. 140 (criminele organisatie), 83 (terroristisch misdrijf) en 83a (terroristisch oogmerk) Sr vormt dit de basis om verdachten voor terroristische misdrijven te kunnen vervolgen en bestraffen. Het hof merkt op dat een (eenduidige) definitie van het begrip ‘terrorisme’ of van ‘terroristisch misdrijf’ in het Wetboek van Strafrecht niet met zoveel woorden is terug te vinden. Het hof zal voor de invulling daarvan, alsmede van de o.a. in de tenlastelegging onder 1.B. verweten deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, al dan niet gepleegd tijdens een (niet) internationaal gewapend conflict, indien en voor zover nodig, aansluiting zoeken bij de invulling van die begrippen in het internationale recht. Meer in het bijzonder overweegt het hof dat blijkens de geraadpleegde openbare bronnen de internationale gemeenschap als gevolg van verschillende factoren, waaronder groeiende onderlinge afhankelijkheid, geworsteld heeft met de kwestie van het terrorisme als een bedreiging van de ordelijke en vreedzame co-existentie tussen subjecten van internationaal recht. De term ‘terrorisme’ met zijn suggestieve karakter heeft in de loop der tijd verschillende connotaties gekregen en is toegepast op verschillende situaties van geweld. In de internationale gemeenschap is lange tijd gedebatteerd over het bestraffen van ‘terrorisme’ (als synoniem voor het begrip ‘terreur’) en in dat verband is getracht om consensus te bereiken over een definitie van dit misdrijf. Het hof heeft daarbij geconstateerd dat het belangrijkste twistpunt in het bereiken van een alomvattende consensus over een algemene en universele definitie van het begrip ‘terrorisme’ lange tijd gelegen was in het vaak aangehaalde aforisme volgens welk 'wat voor de één een terrorist is, voor de ander een vrijheidsstrijder is’. Dit wordt in het juridische en politieke domein vertaald in de behoefte van veel landen dat het begrip terrorisme niet mag bestaan uit gewelddaden in de (beweerdelijk gelegitimeerde) strijd voor zelfbeschikking. Met name zogeheten ‘derdewereldlanden’ hielden lang vast aan hun standpunt dat van het begrip ‘terrorisme’ uitgezonderd moest worden gewelddaden gepleegd door nationale bevrijdingslegers of, meer in het algemeen, ‘vrijheidsstrijders’, dat wil zeggen individuen en groepen die strijden voor hun recht op zelfbeschikking. Het hof heeft geconstateerd dat ondanks de in de internationale gemeenschap gevoerde discussie over het bereiken van overeenstemming over de hiervoor bedoelde uitzondering, zoals die met name vanuit de zogeheten ‘derdewereldlanden’ is gevoerd, in de loop der jaren in de internationale gemeenschap toch een algemene opvatting heeft post gevat dat terroristische daden in beginsel ontoelaatbaar zijn en derhalve bestraffing verdienen. Dit heeft sedert de Tweede Wereldoorlog en met name in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw geleid tot verschillende Verdragen die gericht zijn op het expliciet verbieden van specifieke gedragingen van terroristische aard, overigens zonder toevoeging van een algemene definitie of kwalificatie van het begrip ‘terrorisme’. Ofschoon in de Verdragen van Genève die, zoals hiervoor werd overwogen, de kern van het geldende humanitaire oorlogsrecht bevatten evenmin een algemene (eenduidige) definitie is terug te vinden van het begrip “terrorisme”, bevat art. 33 van het Vierde Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd wel een algemeen verbod van terroristische daden. Art. 33 bepaalt dat “(…) alle maatregelen van vreesaanjaging of terrorisme (toevoeging hof: in relatie tot de beschermde personen als bedoeld in art 4) verboden zijn”. Dit verbod wordt ingegeven door de noodzaak om gemeenschappelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de strijdende partijen hun toevlucht zouden nemen tot intimiderende maatregelen om de bevolking te terroriseren. Het verbod heeft eveneens betrekking op gewelddadigheden begaan door burgers die vechten naast een van de strijdende partijen, of door burgers of georganiseerde gewapende groepen die strijden tegen een bezettende mogendheid. Voorts bepaalt art. 4 lid 2 onderdeel d AP II, dat ziet op niet-internationale gewapende conflicten, dat daden van terrorisme, “te allen tijde en op iedere plaats ook” verboden zijn. Bovendien zijn in beide Aanvullend Protocollen daden van geweld of bedreigingen met geweld waarvan het primaire oogmerk is om terreur te verspreiden onder de burgerbevolking verboden in respectievelijk de art. 51 lid 2 AP I en art. 13 lid 2 AP II. Beide bepalingen luiden – nagenoeg in gelijke bewoordingen – als volgt (in de Nederlandse vertaling): “2. Noch de burgerbevolking als zodanig, noch de afzonderlijke burgers mogen het doelwit van een aanval vormen. Daden van geweld of bedreiging van geweld, waarvan het belangrijkste oogmerk is de burgerbevolking angst aan te jagen, zijn verboden.” Ofschoon hieruit volgt dat krachtens internationaal humanitair recht terroristische daden verboden en strafbaar zijn zolang die daden zijn gericht tegen burgers, mag hieruit niet worden afgeleid dat terroristische handelingen wel zijn toegestaan indien gericht tegen strijdende partijen bij een gewapend conflict. Het feit dat in de diverse Verdragen daden van terrorisme worden verboden zonder te preciseren dat dergelijke handelingen moeten worden gericht tegen burgers, impliceert dat terroristische daden die gericht zijn tegen burgerdoelen ook verboden en dus strafbaar zijn. Ook terreurdaden tegen strijders zijn niet geoorloofd, niet zozeer als oorlogsmisdaden, maar als terroristische misdrijven, meer in het bijzonder indien er sprake was van een specifiek oogmerk om terreur te verspreiden onder de vijandelijke strijders. Het was pas in de jaren ’90 van de vorige eeuw dat een duidelijke kentering kan worden geconstateerd, in die zin dat naast een verbod van bepaalde daden van terrorisme, hieraan ook een definitie werd toegevoegd. Het streven naar overeenstemming over een uniforme definiëring van ‘terrorisme’ kwam duidelijk tot uiting in de Verklaring van de Veiligheidsraad van 9 december 1994 inzake maatregelen tegen de uitbanning van internationaal terrorisme. Zoals kan worden afgeleid uit art. 3 van deze verklaring zijn (niet geoorloofde of gerechtvaardigde) terroristische handelingen, handelingen die het oogmerk hebben om een staat van terreur uit te lokken onder de bevolking, een groep personen of bepaalde personen voor politieke doeleinden: "[3] Criminal acts intended or calculated to provoke a state of terror in the general public, a group of persons for political purposes are in any circumstance unjustifiable, whatever the considerations of a political, philosophical, ideological, racial, ethnic, religious or any other nature that may be invoke to justify them.” Voorts bevat het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme uit 1999 in art. 2 lid 1 onderdeel b een meer specifieke soort “all-inclusive” definiëring van een terroristische handeling als zijnde een gedraging of handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling. Art. 2 lid 1 onderdeel a verwijst vervolgens naar de verboden en in de bijlage opgenomen gedragingen zoals omschreven in o.a. de hiervoor genoemde Verdragen met daarin individuele categorieën van specifieke (terroristische) daden (zoals kaping, gijzeling, bomaanslag etc.). Desondanks is de (poging tot) definiëring van terrorisme of terroristische handeling/daad in het Verdrag minder bevredigend omdat zij niet alleen (terug)verwijst naar de door andere Verdragen bestreken activiteiten en daarmee accepteert het feitelijk een ongelijke tenuitvoerlegging tussen de lidstaten, maar de inspanningen vallen voorts buiten wat andere organisaties, zoals de Europese Unie, in dezelfde periode hebben kunnen bereiken (vide art. 1 Kaderbesluit en de verwijzing daarin naar art. 1 lid 3 van het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 27 december 2001). Bovendien laat art. 2 lid 1 de heropening van de kwestie van 'vrijheidsstrijders' tegenover terroristen open. In lijn met het voornoemde verdrag uit 1999 heeft de Veiligheidsraad op 28 september 2001 een resolutie aangenomen waarin (nogmaals) wordt uitgesproken dat iedere daad van internationaal terrorisme een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid inhoudt, en waarin de lidstaten worden verplicht, in willekeurige volgorde, het voorkomen en bestrijden, bevriezen en het criminaliseren van terrorismefinanciering (dat wil zeggen, de bepalingen van het hiervoor aangehaalde Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme uit 1999) te implementeren voor zover die nog niet van kracht zijn. Voorts dienen de lidstaten zich te onthouden van steun aan terroristen, terroristische handelingen en het gebruik van hun grondgebied voor de terroristische activiteiten en mogen zij geen veilige haven bieden voor terroristen. Bovendien zijn staten verplicht om de financiering, planning, voorbereiding, plegen, en de ondersteuning van terrorisme in hun wetgeving strafbaar te stellen, daders van dergelijke handelingen voor de rechter te brengen en om andere staten te helpen bij strafrechtelijke onderzoeken en procedures die verband houden met terrorisme. In 2004 heeft de VN-veiligheidsraad voorts een nieuwe resolutie aangenomen, waarin lidstaten worden opgeroepen om terrorisme te bestrijden en wordt herhaald dat, gelet op eerdere resoluties die betrekking hadden op de bedreiging van de internationale vrede en veiligheid veroorzaakt door terrorisme, terroristische handelingen nooit en onder geen enkele omstandigheid zijn te rechtvaardigen (‘are under no circumstances justifiable’). Meer in het bijzonder betreft het strafbare handelingen, waaronder die tegen burgers, gepleegd met het oogmerk (‘intent’) de dood of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken of gijzelaars te nemen, met het doel om een staat van terreur te provoceren/veroorzaken, de bevolking te intimideren of tot het dwingen van de regering of een internationale organisatie om bepaalde handelingen te verrichten of zich te onthouden van die handelingen, welke misdrijven vormen die vallen binnen de werkingssfeer van en zoals gedefinieerd in de internationale verdragen en protocollen inzake terrorisme. Het hof concludeert dat in zoverre duidelijk is dat er in de internationale gemeenschap een algemene opinio juris is ontstaan dat gewelddadige ‘terroristische’ handelingen ontoelaatbaar zijn en dat ter bestrijding daarvan landen, zo nodig, hun nationale wetgeving moeten aanpassen, hetgeen zoals hiervoor werd overwogen in Nederland tot de invoering van de Wet terroristische misdrijven heeft geleid. Het hof is op basis van de bestudeerde bronnen voorts tot de conclusie gekomen dat er in de internationale gemeenschap een acceptabele en voldoende aanvaardbare definitie van de misdaad van (internationaal) terrorisme bestaat. In dit verband wijst het hof op de belangrijke en richtinggevende uitspraak in de zaak Galić, waarin het ICTY voor het eerst een verdachte van terrorisme begaan tijdens een gewapend conflict heeft veroordeeld. De Trial Chamber kwam in dit verband tot het oordeel dat 'acts or threats of violence the primary purpose of which is to spread terror' kunnen worden aangemerkt als oorlogsmidaden onder internationaal gewoonterecht. Dit werd bevestigd door de Appeals Chamber die, gelet op de opinio juris, eveneens tot het oordeel kwam dat een terroristische daad (in ieder geval sedert 1992) in het internationaal recht valt aan te merken als een oorlogsmisdaad. De zaak Galić is in de internationale rechtspraak en literatuur mede bepalend geweest voor de verdere definiëring van terroristische handelingen. Daden van terreur (i.c. begaan tijdens een gewapend conflict, waarop het hof hierna zal ingaan) bevatten een aantal vereisten om als zodanig te worden aangemerkt: De daden van geweld moeten gericht zijn tegen de burgerbevolking of individuele burgers die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen en die de dood en/of ernstig letsel aan lichaam of gezondheid van de burgerbevolking veroorzaken; De dader maakt opzettelijk de burgerbevolking of individuele burgers die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen het voorwerp van die gewelddaden, en Het onderhavige strafbare feit (strafbare feiten onder nationale rechtsstelsels zoals bijvoorbeeld mishandeling, moord, ontvoering, gijzeling, afpersing, bombardementen, martelingen, brandstichtingen etc.) is gepleegd met het primaire doel van het verspreiden van terreur (dat wil zeggen: angst en intimidatie) onder de burgerbevolking. Afhankelijk van de categorie van misdaden tot welke de terroristische daad behoort (bijvoorbeeld oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en misdaden van internationaal terrorisme) kan het slachtoffer beschermd worden door internationale wetgeving, bijvoorbeeld de Geneefse Verdragen uit 1949 en de bijbehorende Aanvullende Protocollen. Zo zijn terroristische daden verboden als oorlogsmisdrijven, waarover hierna meer, indien gepleegd tegen burgers of burgerdoelen. Indien de terroristische daden vallen onder de categorie van misdaden tegen de menselijkheid, waarover hierna, zijn ze gewoonlijk verboden indien gericht tegen burgers en, tenslotte, wanneer terreurdaden kunnen worden aangemerkt als internationale misdrijven van terrorisme, zijn ze verboden ongeacht hun doel. 10.2.2. Tussenconclusie ten aanzien van het begrip terrorisme Op basis van het vorenstaande concludeert het hof dat over de inhoud van de term ‘terrorisme’ voor vormen van (politieke) geweldshandelingen jegens burgers en de overheid in de internationale gemeenschap geen volledige overeenstemming bestaat. Het hof constateert voorts dat in alle hiervoor aangehaalde definities van het concept terrorisme of terroristische (mis)daad het element (dreigen met) geweld is opgenomen en dat in (nagenoeg) alle definities een politiek element (motief of doel) wordt genoemd, met als alternatief voor laatstgenoemd doel economische, sociale, religieuze, of ideologische doeleinden. Voorts wordt in nagenoeg alle definities benadrukt dat het veroorzaken van angst in een wijdere kring dan alleen die van de slachtoffers van een aanslag of het beïnvloeden van het algemene publiek een ander wezenlijk element van terrorisme inhouden. Gelet erop dat deze elementen steeds terug keren, is het hof van oordeel dat zij daarmee de wezenskenmerken van het fenomeen ‘terrorisme’ weergeven. In een enkel geval worden eisen gesteld aan de hoedanigheid van slachtoffers (burgers, niet militairen) of is vereist dat sprake is van het dwingen of intimideren van een persoon (of groep), een regering, een organisatie of een samenleving. 10.2.3. Terrorisme in Europa Voor antwoord op de vraag wanneer in de onderhavige zaak in juridische zin van een terroristisch misdrijf sprake is, zal het hof thans meer in het bijzonder ingaan op de hiervoor van belang zijnde Europese regelgeving die het gevolg is van internationale inspanningen om terrorisme te beteugelen en meer concreet heeft geleid tot het in deze strafzaak van belang zijnde eerdergenoemde Kaderbesluit terrorismebestrijding. Ook op Europees niveau zijn er inspanningen geweest om te komen tot een algemeen verbod op terrorisme, zoals o.a. blijkt uit het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme uit 1977, ofschoon ook in dit Verdrag (nog) geen bevredigende algemene definitie van het begrip ‘terrorisme’ terug te vinden is. In dit Verdrag wordt, kort gezegd, bepaald dat strafbare feiten van terroristische aard niet kunnen worden beschouwd als een politiek delict of als een met een politiek delict samenhangend feit of als een feit ingegeven door politieke motieven. In de verklaring van La Gomera van de Raad van de Europese Unie van 14 oktober 1995 wordt terrorisme veroordeeld als een gevaar voor de democratie, de vrije uitoefening van de mensenrechten en de economische en sociale ontwikkeling van de Europese Unie. Dit sluit aan bij de eerder aangehaalde Verdragsteksten van de Verenigde Naties. De aanslagen van 11 september 2001 in New York, Washington (DC) en Pennsylvania hebben ertoe geleid dat in internationaal en nationaal verband onder andere is nagegaan of het strafrecht voldoende was toegesneden op de bestrijding van terrorisme. In het verband van de Europese Unie is het Kaderbesluit vastgesteld. Het Kaderbesluit strekt ertoe, kort en zakelijk weergegeven, de omschrijving van terroristische misdrijven in alle lidstaten op elkaar af te stemmen door de vaststelling van een specifieke en gemeenschappelijke definitie. Blijkens de preambule bij het Kaderbesluit wordt terrorisme beschouwd als een ernstige schending van de universele waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit, eerbiediging van de mensenrechten en van de fundamentele vrijheden. Naast het Kaderbesluit inzake terrorisme is, in ieder geval, ook het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme van belang. Hierin worden lidstaten aangespoord tot inspanningen om terrorisme (en de gevolgen daarvan) te voorkomen door het strafbaar stellen van gedrag dat kan leiden tot terroristische misdrijven, zoals het werven en trainen voor terrorisme, door het versterken van de samenwerking op het gebied van preventie en door de ontwikkeling van een nationaal en internationaal preventiebeleid. 10.2.3.1. Het Kaderbesluit terrorismebestrijding Ingevolge art. 1 Kaderbesluit worden strafbare gedragingen aangemerkt als ‘terroristische misdrijven’ wanneer de dader deze feiten pleegt met het oogmerk om: de bevolking ernstig vrees aan te jagen, of de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, dan wel de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Het betreft hier een subjectief element. Het andere, objectieve, element van terrorisme als bedoeld in art. 1 Kaderbesluit heeft betrekking op de in art. 1 onderdelen a tot en met i genoemde (ernstige) criminele gedragingen, zoals het plegen van een (dodelijke) aanslag op het leven, het toebrengen lichamelijk letsel, ontvoering of gijzeling, afpersing, vernieling, kaping etc. Art. 2 lid 2 Kaderbesluit bepaalt voorts, voor zover hier relevant, als volgt: “Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om de hierna volgende opzettelijke gedragingen strafbaar te stellen:
- a)het leiden van een terroristische groep;
- b)het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep, waaronder het verstrekken van gegevens of middelen aan de groep of het in enigerlei vorm financieren van de activiteiten van de groep, wetende dat deze deelneming bijdraagt aan de criminele activiteiten van de groep.” Art. 2 verplicht ertoe straf te stellen op het leiden van en het deelnemen aan een terroristische groepering. Van deelneming is slechts sprake indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk tot het plegen van deze misdrijven, waarbij de betrokkene wetenschap moet hebben van dat oogmerk. In het Kaderbesluit wordt een terroristische groep omschreven als een sinds enige tijd bestaande gestructureerde vereniging van tenminste twee personen, die in overleg optreden, en worden het leiden van een terroristische groep en de deelname aan activiteiten van een dergelijke groep beschouwd als strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten (art. 2 lid 1). Het gaat daarbij om deelneming in feitelijke zin aan een gestructureerd samenwerkingsverband. De organisatie behoeft niet een louter misdadig hoofddoelstelling te hebben, zij kan ook – mede – een legaal doel hebben. 10.2.3.2. Preambule overweging 11 van het Kaderbesluit Blijkens overweging 11 van de preambule, is het Kaderbesluit niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch is het van toepassing op de handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voor zover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht. Uit de omschrijving valt zonder meer op te maken dat de Raad van de Europese Unie er niet voor heeft gekozen een ‘gewapend conflict’ te definiëren, maar heeft (willen) volstaan met een verwijzing naar het gehele internationaal humanitair recht. Ook in de op basis van het Kaderbesluit tot stand gekomen wetgeving – meer in het bijzonder de meergenoemde artt. 83, 83a en 140a Sr – wordt het begrip ‘gewapend conflict’ niet genoemd. Het hof zal, mede aan de hand van de standpunten van partijen, onderzoeken in hoeverre van de uitzonderingssituatie als bedoeld in overweging 11 van de preambule bij het Kaderbesluit sprake is. Daartoe zal het begrip ‘gewapend conflict’ en de aard daarvan zoals gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht worden besproken. Voor de invulling hiervan heeft het hof – mede – aansluiting gezocht bij het toepasselijke recht, meer in het bijzonder de wetten en gebruiken van de oorlog, zoals ook (mede) aangehaald in zijn eerdere uitspraak hierover in de zaak Mpambara en daarin genoemde literatuur en uitspraken van de internationale ad hoc tribunalen. Het hof merkt voorts op dat in het ten laste gelegde onder feit 1.B. onder sub b. impliciet wordt verwezen naar het delictsbestanddeel ‘oorlogsmisdrijven in een niet-internationaal gewapend conflict’. Ook in dit kader is het relevant om het begrip ‘gewapend conflict’ en de aard daarvan te bespreken. 10.2.3.3. Terrorismelijst Het hof stelt voorts vast dat op 27 december 2001 door de Raad van de Europese Unie een Verordening is vastgesteld inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (hierna: de Verordening). Deze verordening betreft het nemen van maatregelen om te verbieden dat tegoeden en andere financiële of economische middelen aan bepaalde personen en entiteiten ter beschikking worden gesteld en om te verbieden dat financiële of andere verwante diensten aan deze personen worden verleend (overweging 4 van de Verordening). In art. 2 van de Verordening is de lijst opgenomen van personen van personen en entiteiten jegens welke dergelijke maatregelen worden genomen. Artikel 2 lid 3 van de Verordening luidt – voor zover hier relevant – als volgt (in de Nederlandse vertaling): “De Raad stelt de lijst vast van personen, groepen en entiteiten waarop deze verordening van toepassing is, en evalueert en wijzigt deze eenparigheid van stemmen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 1, leden 4, 5 en 6 van het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB. Deze lijst behelst: (…); Rechtspersonen, groepen of entiteiten die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken; Rechtspersonen, groepen of entiteiten die eigendom zijn van en gecontroleerd worden door een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten
- i)en ii); Natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten die optreden namens of in opdracht van een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten
- i)en ii).” 10.3. Terrorismewetgeving in Nederland: de Wet terroristische misdrijven Voor Nederland geeft de Wet terroristische misdrijven uitvoering aan het Kaderbesluit. Nederland heeft art. 3 Kaderbesluit uitgevoerd door specifieke bepalingen (gekwalificeerde diefstal, afpersing en valselijk opmaken documenten) vast te stellen die feiten met betrekking tot terroristische misdrijven strafbaar stellen. Dit heeft onder andere geleid tot de invoering van art. 83 (terroristisch misdrijf), art. 83a (terroristisch oogmerk) en art. 140a (deelneming aan een terroristische organisatie) Sr. De regering heeft hiermee een zo effectief mogelijke bestraffing en bestrijding van terrorisme mogelijk willen maken. De kern van de Wet terroristische misdrijven wordt gevormd door de artt. 83 en 83a Sr. Art. 83 Sr bepaalt en benoemt welke misdrijven als terroristische misdrijven moeten worden beschouwd, te weten elk van de misdrijven die (limitatief) in art. 83 Sr zijn opgenomen, waarbij kenmerkend voor die misdrijven is het in art. 83a Sr, overeenkomstig art. 1 Kaderbesluit, omschreven oogmerk, zijnde: “het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land vrees aan te jagen danwel een overheid of internationale organisatie te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, danwel de politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”. Art. 83a Sr geeft een omschrijving van terroristisch oogmerk, ook in relatie tot een aantal andere in de wet genoemde strafbare gedragingen en fungeert als zodanig als strafverzwarende omstandigheid. Er is in beginsel slechts sprake van een terroristisch misdrijf indien het misdrijf is gepleegd met een terroristisch oogmerk. Art. 83b Sr bevat voorts een definitiebepaling waarin de strafverzwarende omstandigheid van een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf is opgenomen. De omschrijving van terroristisch oogmerk van art. 83a Sr, zoals dat tevens is ontleend aan het Kaderbesluit, (deels) ontleend aan art. 2 lid 1 onder b van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, alsmede, op onderdelen, het ontwerp van een alomvattend VN-Verdrag tegen terrorisme. De terminologie terroristisch oogmerk wordt gebruikt bij een aantal reeds langer bestaande misdrijven en fungeert daar als strafverzwarende omstandigheid. Zie de artt. 282b, 282c, 288a, 304a, 304b, 415a en 415b Sr. Art. 2 lid 1 onder b van het Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme luidt als volgt: “1. Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon met enig middel, rechtstreeks of onrechtstreeks, wederrechtelijk en opzettelijk fondsen verstrekt of vergaart met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden ter uitvoering van: (…) b. enige andere gedraging/handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling.” Blijkens de wetsgeschiedenis is, in tegenstelling tot het Verdrag, in de redactie van art. 83a Sr gekozen voor de term ‘vrees aanjagen’, om hiermee tot uitdrukking te brengen dat niet is vereist dat het aanjagen van vrees moet hebben geleid tot het daadwerkelijk geïntimideerd zijn van de bevolking. Voorts sluit de intentie van het ‘dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden’ aan bij de omschrijving van ‘dwang’ als bedoeld in art. 284 Sr. Het hof merkt op dat, ofschoon art. 83 Sr anders zou kunnen worden gelezen (“onder terroristisch misdrijf wordt verstaan”) dit artikel geen definitie van het begrip terroristisch misdrijf geeft. Zoals hiervoor werd overwogen bevat art. 83 Sr ‘slechts’ een limitatieve opsomming van terroristische misdrijven. Tot deze misdrijven behoort een aantal gevallen van samenspanning tot en voorbereiding van bepaalde terroristische misdrijven. Onder de in art. 83 onder 3° Sr genoemde terroristische misdrijven valt ook het deelnemen aan en/of het leiden van een organisatie die het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Dit betreft een verwijzing naar art. 140a Sr (terroristische organisatie). Wel is zoveel duidelijk dat beide strafbepalingen, die zowel een objectief element (de strafbare gedragingen als bedoeld in art. 83 Sr) als een subjectief element (het oogmerk in art. 83a Sr) bevatten, tezamen en in onderling verband gelezen dienen te worden. De aldus als terroristische misdrijven aan te merken strafbare gedragingen, waaronder ook de deelneming aan een terroristische organisatie (art. 140a Sr) en de bedreiging met een terroristisch misdrijf (art. 285 lid 3 Sr), vormen in Nederland de basis voor vervolging (en bestraffing) van misdrijven van terreur. 10.4. Gewapend conflict Zowel voor overweging 11 van de preambule van het Kaderbesluit, als voor het onder feit 1.B. onderdeel b. van de tenlastelegging voorkomende oorlogsmisdrijf van de rekrutering van kindsoldaten, als ook voor het door de verdediging gevoerde verweer dat de LTTE een recht had om oorlog te voeren, is het nodig om niet alleen vast te stellen dat er op Sri Lanka sprake was van een gewapend conflict, maar ook wat de aard van dit conflict was, te weten nationaal (intern) dan wel internationaal. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Het hof stelt voorop dat het bestaan van een situatie van gewapend conflict een vereiste is voor de toepasbaarheid en inwerkingtreding van het internationaal humanitair recht. Het internationaal humanitair recht bestaat uit een reeks van verdragen en bepalingen die er, kort gezegd, primair op gericht zijn om personen die niet of niet meer deelnemen aan een gewapend conflict te beschermen. Daarnaast moet het middelen en methodes van oorlogsvoering beperken en aan regels onderwerpen, met als grondslag het idee dat er (ook) tijdens een gewapend conflict geen staat van wetteloosheid is. Blijkens o.a. de wetsgeschiedenis van de WIM is de term humanitair (oorlogs)recht synoniem aan de term 'recht inzake gewapende conflicten'. Hiermee wordt bedoeld het gehele gamma aan verdragen, regelingen, gewoonterecht en overige normen van internationaal recht waarmee waarborgen worden gecreëerd voor de bescherming van de slachtoffers van gewapende conflicten. Consequentie hiervan is dat de nationale rechter, ook in het onderhavige geval, met het oog op een wenselijke (en misschien zelfs verplichte) volkenrechtconforme uitleg, dikwijls zal moeten terugkeren naar de internationaalrechtelijke bron en aldus, zo nodig, geacht wordt het internationaal gevormde recht toe te passen. Hierbij past de kanttekening dat het direct afleiden van een concreet strafrechtelijk verwijt uit het internationaal gewoonterecht naar Nederlands recht niet mogelijk is. De Verdragen van Genève uit 1949, noch de beide Aanvullende Protocollen bij die verdragen voorzien in een definitie van wat een gewapend conflict vormt. Dit verdragsstelsel, althans het overgrote deel van de bepalingen van die verdragen, inclusief het gemeenschappelijk art. 3 bij de Geneefse Verdragen, geldt anderzijds als de juridisch relevante neerslag van het internationale gewoonterecht (customary law) tijdens een gewapend conflict, onafhankelijk van het feit of de betrokken partijen de desbetreffende verdragen daadwerkelijk hebben aangenomen.Het ICRC commentaar suggereert in dit verband dat “any difference between two States and leading to the intervention of members of the armed forces is an armed conflict”. Zoals het hof eerder in zijn arrest in de zaak Mpambara heeft overwogen is er ingevolge de vaste jurisprudentie van de internationale ad hoc tribunalen sprake van een ‘gewapend conflict’ wanneer er toevlucht wordt genomen tot gewapend geweld tussen staten of wanneer er sprake is van langdurig gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen binnen een staat. In deze uitleg wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds internationaal gewapende conflicten (gewapend geweld tussen twee of meer staten) en anderzijds de niet-internationaal (intern) gewapende conflicten (gewapend geweld tussen strijdkrachten van een staat en dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen binnen de staat). Of van een gewapend conflict in een concrete strafzaak sprake is, is een feitelijke vaststelling. Voor zover het de toepassing van de wetten en gebruiken van de oorlog betreft, strekt de temporele en de geografische reikwijdte van zowel de internationale als de niet-internationaal gewapende conflicten zich verder uit dan de exacte tijd en plaats van de vijandelijkheden. Zo is voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een gewapend conflict, niet doorslaggevend dat wordt vastgesteld dat er een gewapend conflict is ‘op iedere vierkante centimeter van het gebied’ waar zich de militaire activiteiten afspelen. In de zaak Kunarac heeft de Appeal Chamber van het ICTY het aldus overwogen: “The state of armed conflict is not limited to the areas of actual military combat but exists across the entire territory under the control of the warring parties.” Met andere woorden: zodra er is vastgesteld dat de verweten gewelddadige gedragingen hebben plaatsgevonden binnen het grondgebied waarover één van de strijdende partijen bij het conflict controle heeft (gehad), zullen de wetten en gebruiken van de oorlog in principe gelden (en daarmee het internationaal humanitair recht van toepassing zijn) voor het gehele grondgebied van de strijdende partijen, ongeacht of er op dat moment en op die plaats feitelijke gevechtshandelingen plaatsvonden. Deze wetten en gebruiken van oorlog blijven in dat geval van toepassing tot een algemene vredesregeling is bereikt, of in het geval van interne gewapende conflicten, tot een vreedzame oplossing is bereikt. Bij de feitelijke vaststelling voor het bestaan van een gewapend conflict is, naast de aard en de omvang van de vijandelijkheden alsmede de doelstelling en de grondslag daarvan, ook de mate van intensiteit van de vijandelijkheden een van belang zijnde factor. Beoordeling van de vraag of de vijandelijkheden van voldoende intensiteit zijn om te kunnen spreken van een gewapend conflict is niet afhankelijk van de subjectieve beoordeling en evaluatie van de partijen van het conflict, maar van het objectieve en feitelijke niveau van het geweld dat wordt gebruikt in de confrontatie tussen de strijdende partijen: “The ascertainment of the intensity of a non-international conflict does not depend on the subjective judgment of the parties in the conflict. […] If the application of international humanitarian law depended solely on the discretionary judgment of the parties to the conflict, in most cases there would be a tendency for the conflict to be minimized by the parties thereto.” Voorts moeten de bij het conflict betrokken partijen een minimale graad van organisatie en samenhang hebben die hen als zodanig in staat stellen om militaire operaties te plannen en uit te voeren en discipline op te leggen binnen hun gelederen. In het bijzonder moeten de troepen in alle gevallen onder verantwoordelijk bevel staan en in staat zijn om aan de minimale normen van het humanitair recht te voldoen: “An armed conflict is distinguished from internal disturbances by the level of intensity of the conflict and the degree of organization of the parties to the conflict”. 10.4.1. Het oordeel van het hof Het hof is met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat in de ten laste gelegde periode op het grondgebied van Sri Lanka sprake was van een gewapend conflict in vorenbedoelde zin, tussen enerzijds de strijdkrachten van de Sri Lankaanse regering en anderzijds de strijdkrachten van de LTTE. De vervolgvraag hoe dit conflict moet worden gekwalificeerd, met andere woorden: wat was de aard van het gewapend conflict, internationaal dan wel niet-internationaal (intern) en meer in het bijzonder de daaraan te verbinden gevolgen, houdt partijen evenwel verdeeld. 10.4.2. Aard van het gewapend conflict: internationaal of niet-internationaal 10.4.2.1. Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld, verkort en zakelijk weergegeven, dat er in de ten laste gelegde periode op Sri Lanka sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict. Het openbaar ministerie heeft er verder op gewezen dat art. 1 lid 4 AP I beperkt is tot gewapende conflicten tegen een verdragspartij. Nu Sri Lanka geen partij is bij AP I kan de LTTE daarop geen beroep doen. Voorts heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat de LTTE evenmin partij is in de zin van AP I, omdat het structureel het oorlogsrecht schond. Tenslotte heeft het openbaar ministerie betwist dat er in casu sprake is van een racistisch regime in als bedoeld in art. 1 lid 4 AP I. 10.4.2.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld, verkort en zakelijk weergegeven, dat er op Sri Lanka sprake was van een internationaal gewapend conflict. De verdediging heeft daartoe aangevoerd, kort gezegd, dat in de periode 1987-1990 (elders spreekt de verdediging in dit verband over de periode 1983-2002) in ieder geval twee Staten (met hun gewapende strijdkrachten) bij het gewapend conflict op Sri Lanka betrokken waren, te weten Sri Lanka en India. De Indian Peacekeeping Forces (IPKF), die in 1987 op Sri Lanka zijn ingezet om een ‘staakt het vuren’ te verkrijgen, zijn immers betrokken geraakt bij gevechten tegen de LTTE in het noorden van Sri Lanka en opereerden vanaf dat moment niet langer als vredesmacht. Dit leidt er volgens de verdediging toe dat India als Staat bij het gewapend conflict op Sri Lanka betrokken was en het conflict in de periode 1983-2002 en ook daarna, althans zo begrijpt het hof, een internationaal karakter droeg. De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat indien het hof van oordeel is dat er evenwel geen sprake is van een internationaal gewapend conflict, het internationaal humanitair recht desalniettemin in zijn volle omvang van toepassing is, gelet op het “mixed character” van het conflict dat in ieder geval uitstijgt boven een louter intern conflict. Dit leidt er volgens de verdediging toe dat het Nederlandse commune strafrecht niet of althans niet zonder meer van toepassing is. Door de verdediging is tenslotte betoogd, althans zo begrijpt het hof, dat het conflict op Sri Lanka moet worden aangemerkt als een de jure internationaal gewapend conflict in de zin van art. 1 lid 4 AP I, nu het conflict moet worden aangemerkt als een strijd om zelfbeschikking tegen een racistische Sri Lankaanse overheid. De verdediging beroept zich voorts op een door de LTTE aan de VN en het Rode Kruis verstuurde acceptatieverklaring als bedoeld in art. 96 lid 3 AP I. 10.4.2.3. Het oordeel van het hof Het hof stelt het volgende voorop. Zoals uit het voorgaande volgt maakt het internationaal humanitair recht een fundamenteel onderscheid tussen beschermingsregels voor enerzijds internationaal gewapende conflicten (gewapend geweld tussen twee of meer staten) en anderzijds niet-internationaal (intern) gewapende conflicten (gewapend geweld tussen strijdkrachten van een staat en dissidente strijdkrachten van een staat of andere georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen binnen een staat). De bepalingen van de Verdragen van Genève van 1949 zijn in hun volle omvang van toepassing op internationaal gewapende conflicten en, voor een beperkt onderdeel, op niet-internationale (interne of binnenlands gerichte) conflicten. Bovendien zijn zij van toepassing in geval van bezetting van een staat, zowel geheel als gedeeltelijk, zelfs wanneer deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet. De Geneefse Verdragen van 1949 bevatten tevens een gemeenschappelijk art. 3, betreffende de zogeheten ‘grave breaches’, dat niet-internationale gewapende conflicten betreft. Belangrijk onderdeel van dit artikel is dat het onder andere expliciet martelen, onmenselijke behandeling en oneerlijke processen verbiedt. Het kan gezien worden als een soort 'mini' verdrag, binnen de genoemde verdragen. In 1977 werden de vier Geneefse Verdragen aangevuld met twee Aanvullende Protocollen. Beiden protocollen versterkten de bescherming van slachtoffers van gewapende conflicten. AP I betreft een herbevestiging van de Geneefse Verdragen ten aanzien van internationale conflicten, maar geeft ook aanvullingen en ophelderingen om zo de ontwikkelingen die sinds 1949 plaats vonden te onderschrijven. Het AP II heeft betrekking op niet-internationale conflicten. Sri Lanka heeft zowel AP I als AP II niet heeft geratificeerd en is derhalve hierbij geen Verdragsluitende partij. 10.4.2.3.1. Internationaal gewapend conflict De vier Verdragen van Genève van 1949, die primair zien op de bescherming van slachtoffers van gewapende conflicten, stellen dat de toepasbaarheid van het internationaal humanitair recht afhankelijk is van de feitelijke situatie. Het gemeenschappelijk art. 2 van die Verdragen stelt in dit verband dat het internationaal humanitair recht toepasbaar is ingeval: “(…) een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend.” Dit artikel bakent internationaal gewapende conflicten af. Een int