GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.144.313 Zaak/rolnummers rechtbank : 1247908 RL EXPL 13-5864 en 1256292 RL EXPL 13-8066 Arrest d.d. 28 april 2015 inzake 1. [appellant 1], wonende te [woonplaats], 2) [appellant 2], wonende te [woonplaats], gemeente […], appellanten, hierna te noemen: [appellant 1]. respectievelijk [appellant 2]., en gezamenlijk [appellant c.s] advocaat: mr. M. Heikens te Amsterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. G.J.H. Houtzagers te Den Haag. Het geding Bij exploot van 6 maart 2014 is [appellant c.s] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 9 december 2013 dat de rechtbank Den Haag, team kanton, (hierna: de kantonrechter) in de gevoegde zaken (zaak 1247908 tussen [appellant 1]. en de Staat en zaak 1256292 tussen [appellant 2]. en de Staat) heeft gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Hofs negenentwintig grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Staat heeft deze grieven bij memorie van antwoord bestreden. Hierna hebben partijen schriftelijk gepleit. [appellant c.s] heeft bij die gelegenheid nog twee producties overgelegd. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. Afgezien van grieven 1 tot en met 8, waarop hieronder wordt teruggekomen, zijn partijen niet opgekomen tegen de feitenvaststelling van de kantonrechter. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. In de zaak tegen [appellant 1]., eerste aanleg 1.1. Op 23 december 2003 heeft V.N.I. Enschede B.V. (VNI), Xenon Computers VOF, [appellant 1], [appellant 2] en Xenon BV gedagvaard om te verschijnen voor de kantonrechter te Enschede (rechtbank Almelo). Het betrof een huurgeschil, waarbij VNI − zakelijk weergegeven − betaling van (achterstallige) huurpenningen en meerwerknota’s, ontruiming van het gehuurde en ontbinding van de huurovereenkomst vorderde. Kernvraag was steeds wie er op het moment van het uitblijven van de betalingen als huurder moest worden aangemerkt. VNI had de overeenkomst aanvankelijk gesloten met Xenon Computers VOF, van wie [appellant 2]. en [appellant 1]. vennoten waren. Deze VOF stelde zich in het geschil op het standpunt dat de huurovereenkomst ten tijde van het uitblijven van de betalingen reeds was overgegaan op Xenon Webstore BV. 1.2. In de bodemzaak (met kenmerk 158791 / CV EXPL 04/190) is op de eerst dienende dag (20 januari 2004) en vervolgens bij brieven van 13 februari 2004 en 11 maart 2004 door de gemachtigde van [appellant c.s] uitstel gevraagd. De uitstelverzoeken hielden verband met een inmiddels door VNI aangespannen kort geding omtrent hetzelfde geschil. Op 13 april 2004 is door [appellant 1], [appellant 2], Xenon Computers VOF en Xenon Webstore BV een conclusie van antwoord genomen in de procedure tegen VNI. 1.3. De zaak is vervolgens op de rol geplaatst voor conclusie van repliek aan de zijde van VNI. De gemachtigde van VNI heeft in verband met het spoedappel in het onder 1.2. genoemde kort geding drie maal uitstel verzocht voor het nemen van conclusie van repliek. De gemachtigde van [appellant c.s] heeft met de laatste twee uitstelverzoeken ingestemd. 1.4. Op 19 augustus 2004 − de zaak stond toen voor repliek aan de zijde van VNI op 31 augustus 2004 − heeft de gemachtigde van VNI een brief gezonden aan de kantonrechter, waarin hij meedeelt dat het gerechtshof Arnhem arrest heeft gewezen in eerdergenoemd kort geding en dat partijen in onderhandeling zijn om de zaak in der minne te regelen. De gemachtigde van VNI heeft verzocht om een nader uitstel tot 12 oktober 2004 en heeft meegedeeld dat de gemachtigde van [appellant c.s] met het uitstelverzoek heeft ingestemd. 1.5. Op 15 september 2004 is Xenon Webstore BV gefailleerd, waarna de procedure in relatie tot deze partij van rechtswege is geschorst. 1.6. In november 2004 heeft de gemachtigde van VNI de kantonrechter meegedeeld dat het faillissement van [appellant 1] en [appellant 2] is aangevraagd en verzocht om uitstel voor het nemen van een conclusie van repliek in afwachting van de beslissing op de faillissementsverzoeken. [appellant c.s] heeft zich verzet tegen het uitstelverzoek. Bij brief van 25 november 2004 heeft de kantonrechter het door VNI verzochte uitstel verleend. 1.7. Bij brief van 19 januari 2005 heeft de gemachtigde van VNI de kantonrechter − zakelijk weergegeven – meegedeeld dat [appellant 2] een verzoek tot toelating tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) heeft ingediend en dat de behandeling van dit verzoek circa zes maanden in beslag kan nemen. Hij heeft voorts meegedeeld dat het faillissementsverzoek jegens [appellant 1] is afgewezen, maar dat daartegen beroep is ingesteld. In verband met één en ander heeft de gemachtigde van VNI de kantonrechter verzocht de zaak drie maanden aan te houden. De kantonrechter heeft het uitstel verleend en de zaak aangehouden tot de rolzitting van 3 mei 2005. 1.8. Op 21 februari 2005 is het verzoek tot faillietverklaring van [appellant 1]. ook in hoger beroep afgewezen. 1.9. [appellant 2] is met ingang van 1 maart 2005 toegelaten tot de WSNP. De procedure VNI-[appellant 2] is met ingang van die datum van rechtswege geschorst op grond van het bepaalde in de artikelen 29 en 313 Faillissementswet (Fw). 1.10. Bij brief van 21 april 2005 heeft de gemachtigde van VNI de kantonrechter met verwijzing naar zijn eerdere brief van 19 januari 2005 (zie onder 1.7.) verzocht in te stemmen met een nader uitstel van vier weken. De opgegeven reden is dat de bewindvoerder van [appellant 2] (hierna: de bewindvoerder) nog niet in de gelegenheid was geweest om inhoudelijk op de zaak te reageren. Het uitstelverzoek is mee-ondertekend door de bewindvoerder. De kantonrechter heeft uitstel verleend tot de rolzitting van 31 mei 2005. 1.11. Bij brief van 4 juli 2005 heeft VNI een schikkingsvoorstel gedaan aan [appellant 1] en hem daarbij aangezegd voort te zullen procederen indien het schikkingsvoorstel niet door hem wordt aanvaard. 1.12. In de faxbrief (van de griffier) van de kantonrechter van 7 juli 2005, gericht aan mevrouw […] (de moeder van [appellant 1] en echtgenote van [appellant 2]), ter attentie van [appellant 1], wordt, onder meer, het volgende meegedeeld: “(…) Volledigheidshalve deel ik U mede dat door de griffier is verzuimd Uw zoon (…) op de hoogte te stellen van het feit dat de procedure, op grond van het feit dat Uw man (…) is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, is geschorst tot 31 december 2005. (…)” 1.13. Bij brief van 13 juli 2005 aan de kantonrechter, heeft [appellant 1] – zakelijk weergegeven − meegedeeld dat hij sinds februari 2005 geen bericht meer heeft ontvangen van de kantonrechter in zijn zaak en dat hij in verwarring is over de stand van zaken. In deze brief heeft hij ook melding gemaakt van de afwijzing op 21 februari 2005 door het hof van het tegen hem gerichte faillissementsverzoek. 1.14. Op 8 augustus 2005 schrijft de griffier van de kantonrechter het volgende aan [appellant 2] en [appellant 1]: “(…) Voor de goede orde deel ik u mede dat de procedure onder zaaknummer 158791 vooralsnog geschorst blijft. (…)” 1.15. Bij brief van 13 augustus 2005 heeft [appellant 1] dezelfde onderwerpen als genoemd in zijn brief van 13 juli 2005 onder de aandacht van de kantonrechter gebracht. De kantonrechter heeft op 17 augustus 2005 schriftelijk meegedeeld dat de brief zal worden doorgeleid aan VNI en dat VNI de gelegenheid krijgt zich uit te laten. 1.16. Bij brief van 18 augustus 2005 (met referentie “zaaknummer 158791 // procedure V.N.I. Enschede/[appellant c.s]”) heeft de gemachtigde van VNI aan de kantonrechter meegedeeld dat de procedure tegen [appellant 2] van rechtswege is geschorst in verband met de jegens hem uitgesproken schuldsanering en dat de bewindvoerder zich nog over de vordering heeft uit te laten. De gemachtigde van VNI heeft voorts het volgende meegedeeld: “Indien met de bewindvoerder over de hoogte van de vordering overeenstemming kan worden bereikt, zal de procedure niet verder worden voortgezet. Zodra deze informatie bekend is, zal ik u hieromtrent inlichten.” 1.17. Bij brief van 21 november 2005 heeft de kantonrechter de gemachtigde van VNI meegedeeld dat de procedure op de rol zal worden geplaatst van 31 december 2005 en verzocht om een uitlating over “een eventueel opgeheven faillissement aan de zijde van uw wederpartij, c.q. uw zijde (…) of in deze zaak moet worden voortgeprocedeerd of dat de zaak kan worden geroyeerd.” 1.18. Bij brief van 22 december 2005 heeft de gemachtigde van VNI − zakelijk weergegeven − verzocht om de zaak tegen [appellant 1] en Xenon Computers VOF op de continuatierol te plaatsen voor het nemen van een conclusie van repliek. De kantonrechter heeft op 23 december 2005 een kopie van deze brief naar [appellant 1] gezonden, met daarbij de mededeling dat VNI op 31 januari 2006 een conclusie van repliek mag nemen. 1.19. Bij brief van 6 januari 2006 heeft de president van de rechtbank Almelo gereageerd op een klacht van [appellant c.s] met betrekking tot het handelen van de griffie van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede. In deze brief schrijft de president, voor zover in deze procedure relevant, het volgende: “(…) Wel wil ik u nog wijzen op artikel 29 jo 313 Fw waarin is bepaald dat procedures die strekken tot betaling van een geldsom te betalen uit de faillissements- of schuldsaneringsboedel van rechtswege worden geschorst. Dit geldt natuurlijk niet voor R.T.B. Hofs op wie de wsnp niet van toepassing is verklaard. (…)” 1.20. Op 31 januari 2006 heeft VNI een conclusie van repliek genomen. Op 28 maart 2006 is van de zijde van [appellant 1] een conclusie van dupliek genomen, waarna VNI op 9 mei 2006 een akte uitlating producties heeft genomen. 1.21. Bij tussenvonnis van 5 september 2006 heeft de kantonrechter VNI niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering jegens Xenon Computers VOF. De kantonrechter heeft aan [appellant 1] een bewijsopdracht gegeven. 1.22. Op 3 oktober 2006 heeft [appellant 1] een akte genomen met het verzoek om getuigen te mogen horen. Het getuigenverhoor heeft op 13 november 2006 plaatsgevonden, de contra-enquête op 15 december 2006. 1.23. De kantonrechter heeft op 24 april 2007 eindvonnis gewezen. De kantonrechter heeft – zakelijk weergegeven – geoordeeld dat de huurovereenkomst tussen VNI en Xenon Computers VOF is overgegaan op Xenon Webstore en heeft de vordering jegens [appellant 1] afgewezen. In de zaak tegen [appellant 1], hoger beroep en cassatie 1.24. Op 14 mei 2007 heeft VNI hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 24 april 2007 bij het gerechtshof Arnhem (hierna: het hof). In juli 2007 heeft VNI een memorie van grieven ingediend. Op 4 september 2007 heeft [appellant 1] een memorie van antwoord genomen. Op 16 oktober 2007 is door VNI gefourneerd. Op 10 juni 2008 heeft het hof een tussenarrest gewezen. In dit tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat [appellant 1] niet is geslaagd in het hem door de kantonrechter opgedragen bewijs (o.a. dat de huurovereenkomst tussen Xenon Computers VOF en VNI is overgegaan op Xenon Webstore BV), en heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op 10 november 2008 plaatsgevonden. Op 16 december 2008 heeft [appellant 1] een memorie na comparitie genomen. Op 10 februari 2009 heeft VNI een antwoordmemorie genomen. Op 24 februari 2009 is door VNI gefourneerd. Uit het dossier blijkt niet of ook door [appellant 1] is gefourneerd. 1.25. Op 8 december 2009 heeft het hof opnieuw een tussenarrest gewezen in de procedure tussen VNI en [appellant 1]. Laatstgenoemde heeft vervolgens op 9 maart 2010 een antwoordakte genomen die door het hof geweigerd is. De door [appellant 1] op 16 maart 2010 genomen akte is wel geaccepteerd. Op 10 augustus 2010 heeft het hof opnieuw een tussenarrest gewezen, waarna VNI op 7 september 2010 een akte heeft genomen. De door [appellant 1] op 5 oktober 2010 respectievelijk 2 november 2010 genomen akten zijn door het hof geweigerd. Op 14 december 2010 heeft VNI gefourneerd. 1.26. Op 19 april 2011 heeft het hof eindarrest gewezen. Het oordeel van het hof komt er − zakelijk weergegeven − op neer dat tussen Xenon Computers VOF en VNI een huurovereenkomst heeft bestaan die op 14 maart 2007 is geëindigd en dat [appellant 1] als vennoot van de VOF aansprakelijk is voor betaling van meerwerk en huurpenningen, vermeerderd met een contractuele boete, rente en kosten. 1.27. Tegen dit eindarrest van het hof heeft [appellant 1] op 19 juli 2011 cassatie ingesteld. Op 14 juni 2013 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen met toepassing van artikel 81 Wet op de rechterlijke organisatie. In de zaak tegen [appellant 2], eerste aanleg 1.28. Voor het geding tot aan 1 maart 2005 verwijst het hof naar de overwegingen 1.1. tot en met 1.7 en 1.9. Zoals uit overweging 1.7 blijkt heeft de kantonrechter bewilligd in het verzoek van VNI van 19 januari 2005 en aan haar in zowel de zaak tegen [appellant 2] als in de zaak tegen [appellant 1] uitstel verleend voor het nemen van de conclusie van repliek tot 3 mei 2005. Voorts blijkt uit overweging 1.9 dat [appellant 2] met ingang van 1 maart 2005 is toegelaten tot de WSNP en dat de procedure VNI-[appellant 2] met ingang van die datum van rechtswege is geschorst op grond van het bepaalde in de artikelen 29 en 313 Faillissementswet (Fw). De schuldsaneringsregeling is beëindigd op 23 juli 2007. 1.29. Op 24 september 2008 heeft VNI bij exploit, uitgebracht aan [appellant 2], verklaard dat de procedure wordt hervat. Op 2 december 2008 heeft VNI een conclusie van repliek genomen, waarbij zij haar eis heeft gewijzigd. Op 3 februari 2009 heeft [appellant 2] een conclusie van dupliek genomen. Op 3 maart 2009 heeft VNI een akte genomen. 1.30. Bij brief van 3 maart 2009 heeft de kantonrechter partijen meegedeeld dat in beginsel vonnis zal worden gewezen op 31 maart 2009. Hierna is de zaak nog twee keer aangehouden voor het wijzen van vonnis, te weten tot 28 april 2009 respectievelijk 19 mei 2009. Op laatstgenoemde datum heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. In dit tussenvonnis heeft de kantonrechter – zakelijk weergegeven − geoordeeld dat de huurovereenkomst tussen VNI en Xenon Computers VOF niet is overgegaan op Xenon Webstore BV en dat de bewindvoerder de huurovereenkomst bij brief van 16 juni 2005 heeft opgezegd. 1.31. [appellant 2] heeft de kantonrechter in de procedure tegen VNI gewraakt. De kantonrechter heeft op 26 juni 2009 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. 1.32. VNI is in de gelegenheid gesteld om zich uiterlijk op de rolzitting van 23 juni 2009 uit te laten naar aanleiding van het tussenvonnis, hetgeen VNI ook heeft gedaan. [appellant 2] heeft op 18 augustus 2009 een akte genomen. De kantonrechter heeft [appellant 2] vervolgens op diezelfde datum bericht dat in beginsel op 15 september 2009 vonnis zal worden gewezen. 1.33. In de brief van 15 september 2009 van de griffier aan [appellant 2] is het volgende vermeld: “(…) Hierbij deel ik u mede, dat uw wederpartij op bovenvermelde zittingsdatum een aanhouding heeft verkregen voor het indienen van een schriftelijke reactie, zijnde de beslissing van het Hof, tot de zitting van 5 januari 2010. (…)” 1.34. Bij brief van 18 september 2009 is, onder meer, aan [appellant 2] meegedeeld dat de zaak is aangehouden tot 17 november 2009 voor het wijzen van vonnis. In de brief is voorts het volgende vermeld: “Het op 15 september 2009 aan u verzonden schrijven dient u als niet verzonden te beschouwen” 1.35. Op 28 september 2009 heeft [appellant 2] een klacht ingediend bij de rechtbank Almelo. De behandelend kantonrechter heeft op 12 oktober 2009, op verzoek van de president van de rechtbank Almelo een reactie gegeven op de klacht. 1.36. Op 17 november 2009 heeft de kantonrechter een tweede tussenvonnis gewezen. In dit vonnis heeft de kantonrechter (onder meer) geoordeeld dat de opzegging van de huurovereenkomst door de bewindvoerder heeft geleid tot beëindiging van de huurovereenkomst in relatie tot [appellant 2] vanaf 16 september 2005. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis voorts een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft, na een verzoek van [appellant 2] tot uitstel van enkele weken, plaatsgevonden op 1 april 2010. 1.37. De kantonrechter heeft op 13 april 2010 eindvonnis gewezen. [appellant 2] is in dit vonnis – zakelijk weergegeven − veroordeeld tot betaling van achterstallige huurpenningen vermeerderd met rente, een boete en kosten. In de zaak tegen [appellant 2], hoger beroep 1.38. Op 21 juni 2010 heeft [appellant 2] VNI in hoger beroep gedagvaard. Op 3 november 2010 heeft hij een memorie van grieven ingediend, waarbij hij een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de kantonrechter heeft ingesteld. Op 16 november 2010 heeft VNI geantwoord in het incident, waarna op 30 november 2010 is gefourneerd. Op 1 maart 2011 heeft het hof arrest gewezen, waarbij de incidentele vordering is afgewezen. 1.39. Op 14 juni 2011 heeft het hof de zaak verwezen naar een roldatum gelegen op een termijn van 53 weken. 1.40. Op 19 juli 2011 heeft VNI geantwoord in het principale appel en van grieven gediend in door haar ingesteld incidenteel appel. 1.41. Op 7 december 2011 heeft [appellant 2] een klacht ingediend tegen de rolraadsheer van het hof. Bij brief van 27 december 2011 heeft de president van het hof geoordeeld dat niet klachtwaardig is gehandeld. 1.42. [appellant 2] heeft in 2011 en 2012 uitvoerig gecorrespondeerd met het bestuur en de president van het hof en met de procureur-generaal van de hoge raad over de volgens hem onjuiste toepassing van het rolreglement door het hof. 1.43. [appellant 2] heeft niet geantwoord in het incidentele appel en heeft geen instructies gegeven in de procedure. 1.44. Het hof heeft op 2 oktober 2012 arrest gewezen. Het hof heeft in dit arrest – zakelijk weergegeven – geoordeeld dat tussen Xenon Computers VOF en Xenon Webstore BV wél een geldige overneming van de huurovereenkomst met VNI heeft plaatsgevonden, waaraan VNI stilzwijgend medewerking had verleend en heeft de vordering van VNI jegens [appellant 2] alsnog afgewezen 2. [appellant c.s] stelt zich op het standpunt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld nu bovengenoemde procedures, mede als gevolg van onrechtmatige rechtspraak, niet binnen een redelijke termijn hebben geleid tot een definitieve en onherroepelijke afdoening. [appellant 1] vordert op grond daarvan een schadevergoeding van €15.000,- plus een bonus van € 2.000,-. [appellant 2] maakt aanspraak op een schadevergoeding van € 13.500,- en eveneens een bonus van € 2.000,-. 3. Bij het bestreden vonnis van 9 december 2013 heeft de kantonrechter beide vorderingen afgewezen. 4. [appellant c.s] heeft tegen het vonnis 29 grieven aangevoerd. Grieven 1 tot en met 8 betreffen de feitenvaststelling. Grief 1 (in het bestreden vonnis is ten onrechte vermeld dat door [appellant c.s] wordt geprocedeerd tegen “de Staat der Nederlanden (Minister van Financiën)”; dit moet zijn: “Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie)”) is strikt genomen juist. Hierboven is het juiste ministerie vermeld. Bij een verdere bespreking van deze grief bestaat geen belang. In grief 4 heeft het hof aanleiding gezien de feitenvaststelling volledigheidshalve aan te vullen (zie hierboven onder 1.25: aldaar is vermeld dat [appellant 1] op 16 maart 2010 een akte heeft genomen die wel is geaccepteerd), hetgeen overigens geen consequenties voor het dictum heeft. Bij een nadere bespreking van grieven 1 tot en met 7 heeft [appellant c.s] geen belang, nu het door [appellant c.s] in dat verband aangevoerde niet relevant is voor de hierna te nemen beslissing. Op grief 8 wordt hieronder (r.o. 27) teruggekomen. Inleidende opmerkingen 5. Bij de beoordeling van dit appel staat het volgende voorop. 6. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 6 EVRM is uitgangspunt dat het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen redelijke termijn leidt tot spanning en frustratie, hetgeen een grond vormt voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade (zie o.a. EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00, ECLI:NL:XX:2006:AX7382 (Riccardi Pizzati tegen Italië). Dit is ook voor het nationale recht de maatstaf (zie o.a. HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8360 en HR 28 maart 2014 ECLI:NL:HR:2014:736). Ook in civiele zaken kan sprake zijn van overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van geschillen over overschrijding van de redelijke termijn, kan de jurisprudentie van het EHRM over artikel 6 EVRM tot richtsnoer dienen. Dit betekent dat gekeken moet worden naar de omstandigheden van het concrete geval, waaronder de aard, de ingewikkeldheid en het belang van de zaak en het (procedeer)gedrag van partijen. Er moet worden gelet op de totale duur van berechting, maar ook onaanvaardbaar lange perioden van tussentijdse inactiviteit kunnen overschrijding van de redelijke termijn meebrengen. Hierbij is van belang dat procedures voor de Nederlandse burgerlijke rechter zodanig uiteenlopen in aard, ingewikkeldheid en procesvoering, dat de zaakgerichte benadering van het EHRM niet kan worden geconcretiseerd in algemene richttermijnen voor een redelijke duur van de procedures. Van een partij die een beroep doet op overschrijding van de redelijke termijn mag worden verwacht dat zij voldoende inzicht heeft in de aard, de ingewikkeldheid en het procesverloop van de desbetreffende zaak om haar eis naar behoren te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Er is dan ook geen aanleiding voor een afwijking van de in het algemeen geldende regels van stelplicht en bewijslast (vgl opnieuw voormeld arrest van de HR van 28 maart 2014). Anders dan [appellant c.s] kennelijk meent, rusten stelplicht en bewijslast omtrent de vermeende overschrijding dus niet op de Staat maar op [appellant c.s] In zoverre faalt grief 15. 7. [appellant c.s] stelt dat in de hierboven onder 1. vermelde procedures diverse onjuiste procedurele en inhoudelijke rechterlijke beslissingen zijn genomen die zijn te kwalificeren als onrechtmatige rechtspraak. Het hof leidt uit de stellingen van [appellant c.s] (o.a. bij MvG onder 9, in de toelichting op grief 12 en bij pleitnota in appel op p. 2 bovenaan en p. 11 bovenaan) af dat de vordering tot schadevergoeding van [appellant c.s] uitsluitend ziet op schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn en niet tevens op de als gevolg van die (vermeend) onrechtmatige rechtspraak afzonderlijk geleden schade. Volgens [appellant c.s] zijn, zo begrijpt het hof, echter door die onjuiste beslissingen onnodige vertragingen ontstaan, die recht geven op schadevergoeding wegens substantiële overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld onder 6. Op de diverse gestelde onjuiste beslissingen wordt waar nodig hieronder teruggekomen. Hierbij staat voorop dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke uitspraak op geen andere manier kan worden aangetast dan door het instellen van een in de wet geregeld rechtsmiddel. Achtergrond is dat de wetgever er bewust voor kiest om al dan niet rechtsmiddelen ter beschikking te stellen tegen een rechterlijke beslissing. Hiermee is onverenigbaar dat de in het ongelijk gestelde partij de desbetreffende rechterlijke beslissing door middel van een vordering op grond van onrechtmatige daad ter discussie stelt. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt indien bij de voorbereiding van de rechtelijke uitspraak zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken en tegen die uitspraak geen rechtsmiddel openstaat. De stelplicht en bewijslast op dit punt rusten op [appellant c.s], zodat grieven 15 en 21 in zoverre falen. Het hof hecht eraan nu reeds te benadrukken dat, anders dan [appellant c.s] kennelijk meent, het feit dat een rechterlijke beslissing anders uitvalt dan eerdere, ten aanzien van hetzelfde geschilpunt genomen beslissingen (vergelijk het voor [appellant 2] gunstige, hierboven onder 1.44. aangehaalde arrest van 2 oktober 2012), nog niet betekent dat al die eerdere andersluidende beslissingen in strijd waren met fundamentele rechtsbeginselen. Overschrijding van de redelijke termijn in de zaak tegen [appellant 1]? 8. Het hof begrijpt uit (de toelichting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.