GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.119.853/01Zaak-/rolnummer rechtbank : 400908/HA ZA 11-2260 Arrest d.d. 9 juni 2015 inzake 1. [appellante sub 1], wonende te Amsterdam, 2. [appellant sub 2], wonende te Amsterdam, appellanten in het principaal appel, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen: [appellante sub 1] en [appellant sub 2], en gezamenlijk [appellanten], advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te Noordwijk, geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs. Het geding Voor de procedure tot 29 juli 2014 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij [appellanten] werden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Vervolgens heeft op 3 december 2014 bewijslevering plaatsgevonden, waarbij vijf getuigen zijn gehoord, te weten [appellante sub 1], [grootmoeder], [appellant sub 2], [geïntimeerde] en [getuige B]. Van deze verhoren is proces-verbaal opgemaakt. Hierna hebben [appellanten] een conclusie na enquête tevens contra-enquête genomen en [geïntimeerde] een antwoord memorie na enquête. Vervolgens is opnieuw arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep Bewijswaardering In genoemd tussenarrest van 29 juli 2014 zijn [appellanten] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling van [geïntimeerde] dat zij zowel voorafgaand aan het verlijden van de leveringsakte als nadien het verblijvensbeding met [vader] heeft besproken en dat hij daarmee heeft ingestemd. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] dit tegenwijs niet geleverd. Hiertoe wordt als volgt overwogen. De drie zijdens [appellanten] voorgebrachte getuigen, te weten de kinderen [appellante sub 1] (hierna: [appellante sub 1]) en [appellant sub 2] (hierna: [appellant sub 2]), alsmede hun grootmoeder [grootmoeder] (hierna: [grootmoeder]) hebben over het bewijsthema voornamelijk slechts in algemene termen verklaard. Zowel [appellante sub 1] als [appellant sub 2] hebben verklaard dat hun vader ([vader]) altijd omtrent de nalatenschap zei ‘dat alles voor ons’ (zijn kinderen) was en ‘dat er voor ons gezorgd was’, maar hieruit blijkt niet voldoende duidelijk wat volgens [vader] tot die nalatenschap behoorde. De omstandigheid dat [vader] noch met zijn kinderen noch met zijn moeder ([grootmoeder]) over het verblijvensbeding heeft gesproken, leidt niet tot de conclusie dat hij er geen weet van had en er niet mee instemde. In dit verband wijst het hof er nog op dat de verklaring van [appellant sub 2] dat zijn vader expliciet met hem had besproken dat zijn bezittingen, waaronder het appartement in Noordwijk, na zijn overlijden naar zijn kinderen zouden gaan, zich zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet verdraagt met het feit dat in ieder geval de helft van de waarde van het appartement aan [geïntimeerde] toekomt. In zoverre dient er ten minste twijfel te zijn aan de juistheid van de verklaring van [appellant sub 2] op dit punt en is niet uit te sluiten dat hier veeleer sprake is van een gevolgtrekking van [appellant sub 2] dan van een expliciete uitspraak van [vader]. Voor zover [grootmoeder] heeft verklaard dat [vader] heeft verteld dat hij wilde dat na zijn dood alles wat hij in zijn werk had opgebouwd, naar zijn kinderen zou gaan, hoeft ook dit niet noodzakelijkerwijs te betekenen, dat hij hiermee bedoelde dat ook de hem toekomende helft van de waarde van het appartement in Noordwijk naar de kinderen zou gaan, een appartement dat hij niet voor niets mede op naam van [geïntimeerde] had gezet. Hier komt nog bij dat [vader] volgens de verklaring van [grootmoeder] niet met haar (zijn moeder) heeft besproken wat er met het appartement zou gebeuren als hij dood zou gaan, dat hij niet aan de dood dacht en nog jong was. Onder deze omstandigheden komt de verklaring van [grootmoeder] dat [vader] heeft gezegd dat al zijn bezittingen, “inclusief de helft van zijn appartement in Noordwijk”, naar de kinderen zou gaan, niet een dusdanige betekenis toe dat hiermee het in het tussenarrest vermelde bewijsvermoeden is ontzenuwd.Hier komt bij dat de twee getuigen in contra-enquête, te weten [geïntimeerde] en haar zus Leoni (Helena) [geïntimeerde], in hoofdlijnen hetzelfde hebben verklaard als in eerste aanleg, welke verklaringen er op neer komen dat het verblijvensbeding met [vader] is besproken en dat hij ermee instemde. Hun verklaringen behoeven, afgezien van hetgeen hierna nog is weergegeven, verder geen bespreking. Daarnaast zijn onder meer nog de volgende aspecten van belang.- [appellante sub 1] heeft verklaard dat zij de e-mail van 7 juni 2004 (zie tussenarrest onder 2) na zijn overlijden niet in de mailbox van haar vader heeft aangetroffen. Niet alleen hebben [appellanten] geweigerd om de inhoud van de totale mailbox ter verificatie aan [geïntimeerde] ter beschikking te stellen, maar bovendien staat in deze procedure vast dat deze e-mail door [geïntimeerde] cc is verstuurd naar het zakelijke e-mailadres van [vader] (rechtsoverweging 2 tussenarrest), terwijl [geïntimeerde] als getuige (op dit punt onweersproken) heeft verklaard dat zowel de notaris als de makelaar de e-mail hebben kunnen uitprinten. - [geïntimeerde] heeft vlak na het overlijden van [vader] zelf gezegd en bevestigd dat het appartementsrecht in Noordwijk verdeeld moest worden tussen haar, [appellante sub 1] en [appellant sub 2]. Als verklaring hiervoor heeft [geïntimeerde] gegeven dat zij dit heeft gezegd in een situatie, kort gezegd, waarin allerlei ellende over haar heen kwam en dat zij het verblijvensbeding op dat moment glad vergeten was. Niet alleen acht het hof dit laatste niet ondenkbaar, maar bovendien wijst dit eerder op goede trouw dan kwade trouw van [geïntimeerde]. Immers als de kwestie van het verblijvensbeding achter de rug van [vader] door haar zou zijn geregeld, dan is het niet aannemelijk dat zij dit zou zijn vergeten.- De verklaringen van de fiscalist en prof. Van Mourik brengen het hof niet tot een ander oordeel. Het memo van de fiscalist is in dit opzicht te vaag om daaraan conclusies te verbinden, terwijl het advies van prof. Van Mourik een wetenschappelijke verhandeling betreft die niet afdoet aan de concrete waardering door het hof van dit dossier.Hetgeen verder naar voren is gebracht is te speculatief om het hof tot een ander oordeel te brengen. De slotsom van het voorgaande is dat [appellanten] het bewijsvermoeden dat [vader] van het verblijvensbeding op de hoogte was en er mee instemde, niet hebben ontzenuwd. Dit betekent dat het verblijvingsbeding in rechte geldt en dat na het overlijden van [vader] het appartement in Noordwijk aan [geïntimeerde] is toegevallen. De grieven I, II en III falen. Dit geldt ook voor de grieven IV en V, die geen zelfstandige betekenis hebben.Beoordeling van de vermeerderde eis [appellanten] hebben in het principaal appel hun eis als volgt vermeerderd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.