GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.136.553 Zaaknummer rechtbank : 1407411 CV EXPL 12-5737 arrest van 13 januari 2015 inzake [appellante], wonende te Heenvliet, gemeente Bernisse, appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam, tegen Adfis, gevestigd te Stellendam, geïntimeerde, hierna te noemen: Adfis, advocaat: mr. J.P.R.C. de Jonge te Rotterdam. De verdere loop van het geding Voor het verloop van het geding tot 26 november 2013, verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dat tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op 8 januari 2014 plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellante] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Adfis de grieven bestreden. Ten slotte hebben partijen opnieuw de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak om het volgende: 2.1 [appellante] is met ingang van 14 december 1995 in dienst getreden van Adfis in de functie van administratief medewerkster. Haar salaris bedroeg laatstelijk € 1.815,-- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en een dertiende maand. 2.2 Op 8 maart 2011 hebben [appellante] en de heer [bestuurder], bestuurder van Adfis (verder:[bestuurder]) met elkaar gesproken. Tijdens dat gesprek is aan de orde gekomen dat sprake was van een teruglopende omzet van Adfis als gevolg van de recessie en het vertrek van een grote klant. In het verlengde daarvan is ook over een (mogelijke) beëindiging van het dienstverband gesproken. 2.3 Naar aanleiding van dit gesprek schreef [appellante] bij brief van 11 maart 2011 aan[bestuurder]: "(…) Gezien mijn goede inzet en functioneren gedurende mijn 15-jarige dienstverband kan ik uw besluit absoluut niet begrijpen en komt het bij mij totaal onverwacht. Ik kan dan ook zeker niet akkoord gaan met het aangezegde ontslag. Omdat ik nog nooit in een soortgelijke situatie ben geraakt, wil ik mij hierover laten informeren zodra ik terug ben van mijn (…) vakantie (…) Op 22 maart a.s. zal ik mijn werkzaamheden weer hervatten. (…)" 2.4 Bij brief van 24 maart 2013 heeft de advocaat van [appellante] aan Adfis een toelichting gevraagd op de bedrijfseconomische omstandigheden die Adfis aan het ontslag ten grondslag zou hebben gelegd en een aantal condities geschetst waaronder beëindiging van de arbeidsrelatie voor [appellante] acceptabel zou zijn. 2.5 Op of omstreeks 29 maart 2011 heeft[bestuurder], op verzoek van [appellante], opnieuw met [appellante] gesproken in het bijzijn van mevrouw [collega], een collega van [appellante] (verder: [collega]). Naar aanleiding van dit gesprek heeft [appellante] zich per 30 maart 2011 met spanningsklachten ziek gemeld. 2.6 Bij brief van 30 maart 2011 schreef[bestuurder] aan de advocaat van [appellante]: "Ik heb uw brief d.d. 24 maart 2011 met stijgende verbazing gelezen. (…) Ik kan u mededelen dat er geen sprake is van een ontslagaanzegging noch van een ontslagaanvraag noch van een gestarte gerechtelijke procedure in die richting." 2.7 Bij brief van 31 maart 2011 schreef de advocaat van [appellante] aan[bestuurder]: "(…) Mocht u blijven bij uw uitlatingen jegens [appellante] dat u niet langer haar ontslag wenst, lijkt het mij van belang dat er aandacht wordt besteed aan het verbeteren van de arbeidsverhouding. Duidelijk moge zijn dat het eerder aan [appellante] aangekondigde ontslag en de ontwikkelingen daarna haar niet in de koude kleren zijn gaan zitten. En dus de arbeidsverhouding beïnvloeden. Duidelijk moge eveneens zijn dat zulks aan u moet worden toegerekend. (…) Terugkomende op het verbeteren van de arbeidsverhouding tussen [appellante] en u -en er dan van uitgaande dat u niet haar ontslag wenst- mag ik u wel vragen mij te laten weten of u open staat voor mediation. (…)" 2.8 De door Adfis ingeschakelde bedrijfsarts heeft op 12 april 2011 geoordeeld dat er met ingang van 18 april 2011 voor [appellante] geen medische beperkingen gelden voor het verrichten van arbeid. Zij adviseerde [appellante] om nog dezelfde week een afspraak met[bestuurder] te maken om te bespreken hoe uit de ontstane impasse te komen. 2.9 Bij brief van 13 april 2011 schreef[bestuurder] aan de advocaat van [appellante]: "(…) Uw betrokkenheid doet deze kwestie naar mijn inzicht geen goed. Ik heb altijd een goed en helder contact gehad met [appellante] en heb met haar altijd in goed overleg kunnen praten. (…) Uw uitvoerige briefwisseling werkt echter conflicterend in plaats van oplossend. (…) Wij hebben aangegeven dat wij graag willen dat [appellante] haar werk hervat. Zojuist hebben wij begrepen dat zij ingaande 18 april 2011 daartoe weer in staat wordt geacht. Ze is welkom. (…)" 2.10 Toen [appellante] op 18 april 2011 het werk niet hervatte, maar een second opinion aanvroeg, heeft Adfis de loonbetaling gestaakt. 2.11 Bij brief van 21 april 2011 schreef[bestuurder] aan de advocaat van [appellante]: "(…) Het punt is dat ik als werkgever met [appellante] een open gesprek ben ingegaan over haar toekomst hier op kantoor. In goed overleg heb ik met haar besproken dat de werkzaamheden – en dat heeft zij ook kunnen bemerken – nogal gaan teruglopen. Ik heb mijn zorg uitgesproken over hoe dit in de toekomst zich zal gaan ontwikkelen. Ik heb daarbij aangegeven dat als zij daarmee in zou stemmen er mogelijkheden zijn om – wederom in goed overleg – over een einde dienstverband te praten. Geen ontslagaanzegging. Integendeel. Die mededeling is gedaan; dat gesprek is gevoerd. Teneinde helderheid te verschaffen; haar te informeren wat er speelt. (…) Er is geen conflict. En wat mij betreft komt er geen conflict. [appellante] is gewoon welkom. Mediation is ook niet nodig, Dat kost allemaal veel geld en wij kunnen gewoon met elkaar praten. (…)" 2.11 Op 9 mei 2011 heeft de verzekeringsarts van het UWV geconcludeerd dat [appellante] per 18 april 2011 medisch geschikt was te achten voor haar eigen werk en dat er geen sprake was van ziekte of gebrek. Volgens de verzekeringsarts was sprake van een geschil tussen partijen, dat moest worden opgelost alvorens [appellante] weer kon functioneren in haar werk. De verzekeringsarts heeft partijen geadviseerd een mediationtraject te starten. 2.12 Adfis heeft naar aanleiding van het oordeel van de verzekeringsarts ingestemd met mediation. 2.13 Op 1 juni 2011 heeft de eerste en enige mediationsessie plaatsgevonden. De advocaat van [appellante] schreef bij e-mail van 1 juni 2011 aan de mediator: "(…) Ik heb inmiddels begrepen dat uit de sessie van vandaag naar voren is gekomen dat er moet worden gesproken over beeindiging van de arbeidsovereenkomst en in het bijzonder over de voorwaarden waaronder die beeindiging vorm krijgt. (…) Ik sluit niet uit dat vervolgens in rechtstreeks overleg tussen de wederzijdse raadslieden de mogelijkheden van een regeling worden verkend afgezet tegen een onverhoopt aan de rechter te vragen oordeel. Ook uit kostenoverwegingen (…) lijkt mij daar (…) geen rol voor mediation weggelegd." 2.14 De advocaat van Adfis schreef daarop bij e-mail van dezelfde datum aan de advocaat van [appellante]: "In onderstaande email meldt u dat uit de mediaionsessie naar voren is gekomen dat moet worden gesproken over een einde dienstverband en de voorwaarden waaronder. Dat zou de uitkomst van vandaag zijn, maar dat is onjuist. Cliente heeft andermaal aangegeven dat mevrouw [appellante] welkom is om de bedongen werkzaamheden te hervatten. Mevrouw [appellante] heeft daarop echter onverbloemd aangegeven dat zij dat niet wil. (…) Voor de laatste maal wordt mevrouw [appellante] in de gelegenheid gesteld zich ten kantore van cliente te melden en wel op vrijdag a.s. (3 juni 2011). Doet zij dat niet dan gaat cliënte uit van een opzegging van het dienstverband door haar.(…)" [appellante] heeft zich op 3 juni 2011 niet op kantoor gemeld. De mediation is per 6 juni 2011 beëindigd. 2.15 Op 27 juni 2011 is [appellante] in dienst getreden van een andere werkgever. 2.16 Bij inleidende dagvaarding van 6 december 2012 vorderde [appellante]: i.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.