GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 4 februari 2015 Zaaknummer : 200.154.108/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-6729 Zaaknummer rechtbank : C/09/449731 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. H.H.R. Bruggeman te Lisse, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J. Fleumer te Lansingerland. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 14 augustus 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 mei 2014 van de rechtbank Den Haag. De vrouw heeft op 10 november 2014 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 26 september 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage; - op 24 december 2014 een V-formulier van 23 december 2014 met bijlage; De zaak is op 8 januari 2015 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. Ter zitting heeft de vrouw haar salarisspecificatie van november 2014 overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang en in zoverre met wijziging van de onderling getroffen regeling van 24 november 2009 (verder ook: het echtscheidingsconvenant) en de beschikking van 23 december 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw: met ingang van 1 april 2012 tot 1 september 2012 bepaald op € 2.523,- per maand; van 1 september 2012 tot 1 januari 2013 bepaald op € 2.094,- per maand; vanaf 1 (september; het hof begrijpt met partijen:) januari 2013 bepaald op € 2.064,- per maand, vanaf de datum van de bestreden beschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: Partijen zijn gehuwd geweest tot 19 januari 2010. Zij hebben op 24 november 2009 een echtscheidingsconvenant opgesteld waarin zij – onder meer – zijn overeengekomen dat de man per 1 oktober 2009 een bedrag van € 2.500,- bruto per maand aan partneralimentatie zal betalen. Bij beschikking van 23 december 2009 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, onder meer, voormeld echtscheidingsconvenant (in fotokopie) aangehecht en zijn de daarin tussen de man en de vrouw getroffen regelingen opgenomen. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook: de partneralimentatie. 2. De man verzoekt het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te vernietigen de bestreden beschikking; te bepalen – met wijziging van het echtscheidingsconvenant van 24 november 2009 en de beschikking van 23 december 2009 – de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw: o met ingang van 1 april 2012 tot 1 september 2012 op € 2.253,06 per maand; o met ingang van 1 september 2012 tot 1 januari 2013 op € 1.824,06 per maand; o met ingang van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 op € 1.740,- per maand; o met ingang van 1 januari 2014 op een bedrag zoals het hof vermeent te behoren, na gebruikmaking van de loonstroken over 2014 van de vrouw; te bepalen dat de vrouw ieder jaar in de maand januari haar jaaropgave van het voorafgaande jaar aan de man dient te overleggen. Kosten rechtens. 3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde beroep tegen de bestreden beschikking, dan wel de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te houden. 4. De man voert het volgende aan. Het in het echtscheidingsconvenant vermelde bedrag aan inkomsten aan de zijde van de vrouw is een bruto bedrag en niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, een netto bedrag. Dit ligt niet voor de hand en is niet passend, aldus de man. Voor de berekening maakt dit veel verschil. Voorts betoogt de man dat per 1 januari 2013 niet de gebruikelijke wijze van herberekening van de partneralimentatie is gevolgd door de rechtbank. De man betoogt dat indien de partneralimentatie op enig moment wordt herzien vanwege extra inkomsten van de vrouw bij een volgende bepaling van de partneralimentatie van dit nieuwe – lagere - bedrag dient te worden uitgegaan. Verder stelt de man zich op het standpunt dat ten onrechte geen gegevens van de vrouw zijn overgelegd over het jaar 2014. 5. De vrouw verweert zich daartegen als volgt. Tijdens de echtscheidingsprocedure heeft de bemiddelaar een draagkrachtberekening opgesteld en is de behoefte van de vrouw berekend - op basis van 60% van het inkomen van de man – op € 3.226,20 per maand. De man had maar draagkracht voor een bedrag van € 2.562,-, zodat er een bijdrage van € 2.500,- is vastgesteld. De vrouw kon daarbij een bedrag van € 500,- per maand bijverdienen. Volgens de vrouw is dit (bedoeld als) een netto bedrag, Zij acht dit redelijk gezien de verhouding € 500,- netto tot de behoefte minus de draagkracht. In het echtscheidingsconvenant is expliciet het woord “bruto” opgenomen als bijdrage in haar levensonderhoud, waardoor de vrouw meent dat het bedrag van € 500,- (niet als bruto maar) als netto inkomsten moet worden aangemerkt. Voorts kan de vrouw zich niet vinden in de berekenmethode van de man. De basis blijft ook in het door de man genoemde geval € 2.500,- bruto per maand. Wel meent de vrouw dat het bedrag aan bijverdiensten van € 500,- nog geïndexeerd had moeten worden. Met betrekking tot het verzoek tot het overleggen van de inkomensgegevens per 1 januari 2014 stelt de vrouw zich op het standpunt dat dit verzoek niet in eerste aanleg is ingediend. Voorts ontbreekt volgens haar iedere juridische grondslag om te bepalen dat zij ieder jaar in de maand januari haar jaaropgave over het voorafgaande jaar aan de man dient over te leggen. Als zij haar financiële stukken moet laten zien, dan moet de man dit ook, aldus de vrouw. 6. Ter beoordeling ligt aan het hof vooreerst de vraag voor hoe artikel 1.4. van het echtscheidingsconvenant moet worden uitgelegd. Daarin zijn partijen overeengekomen: “Partijen spreken af dat de vrouw zich alle moeite zal getroosten om een baan te vinden. Indien zij deze baan vindt, is het haar toegestaan € 500,- aan inkomsten te genieten zonder dat dit leidt tot aanpassing van het bedrag aan partneralimentatie.” 7. In dat verband stelt het hof voorop dat bij de uitleg van deze overeenkomst niet kan worden volstaan met een taalkundige benadering, maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (HR 13 maart 1981, LJN AG4158, NJ 1981, 635 (Haviltex)). 8. Het hof overweegt tegen die achtergrond als volgt. In voormeld artikel 1 van het echtscheidingsconvenant hebben partijen uitdrukkelijk een bruto alimentatie opgenomen. In de overige bepalingen, waaronder genoemd artikel 1.4 dat rept van toegestane verdiensten van € 500,-, ontbreekt de toevoeging “bruto”. De rechtbank leidt daaruit af dat partijen netto hebben bedoeld. Het hof is op dat punt een ander oordeel toegedaan. Niet in geschil is dat de bepaling is opgenomen als stimulans voor de vrouw om in haar eigen inkomen te (gaan) voorzien. De advocaat van de man is betrokken geweest bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant en heeft uitvoerig betoogd dat partijen de bedoeling hebben gehad om ook in het kader van artikel 1.4 uit te gaan van een bruto bedrag. Die uitleg komt het hof aannemelijk voor, aangezien het voor de hand had gelegen om in geval sprake zou zijn geweest van een netto bedrag van € 500,-, dit vervolgens gebruteerd in het echtscheidingsconvenant te vermelden. Het is anders immers ondoenlijk steeds een bruto-netto berekening op de verdiensten los te laten teneinde te berekenen of, en zo ja, met hoeveel de (bruto) alimentatie van de man verminderd wordt met het bedrag dan de vrouw meer verdient dan bedoeld in artikel 1.4. 9. De vrouw verwijst in dit kader nog naar de draagkrachtberekening van 2009, overgelegd als productie 4 bij het verweerschrift zoals ingediend bij de rechtbank. Zij stelt dat de bemiddelaar die berekening destijds heeft opgesteld en op basis daarvan de behoefte van de vrouw heeft berekend op 60% van het inkomen van de man. De man heeft dit ter zitting gemotiveerd weersproken, stellende dat in die berekening enkel de draagkracht van de man is berekend en dat niets zegt over de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.