← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2015:1752

Rolnummer: 22-003388-13 Parketnummer: 10-996526-07 Datum uitspraak: 30 juni 2015 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2013 in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren op [geboortedag] 1955 te Vught, blijkens de BRP nu zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, maar wonende in [land] en verblijvende in Amsterdam op het adres [verblijfadres]. 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 3 en 10 april, 23, 24 en 25 september en 17 oktober 2014, 3, 10, 17, 19, 24, 26 en 31 maart, 14, 16, 21 en 28 april, 12, 19, 21 en 28 mei en 16 juni 2015. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. 2Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest en uitleveringsdetentie. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 3Omvang van het hoger beroep Naar het oordeel van het hof heeft het onder feit 4 ten laste gelegde te gelden als een impliciet cumulatieve tenlastelegging, waarin cumulatief – en derhalve gevoegd – twee strafbare feiten zijn opgenomen. In eerste aanleg is de verdachte van één van die twee feiten, te weten valsheid in geschrift ten aanzien van – kort gezegd – overeenkomst D-310, vrijgesproken. Het hof verstaat het namens de verdachte ingestelde hoger beroep gelet op het voorgaande aldus, dat dit ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is gericht tegen die in eerste aanleg gegeven (partiële) vrijspraak van het onder feit 4 ten laste gelegde. Uit de appelschriftuur van het Openbaar Ministerie d.d. 16 augustus 2013 blijkt dat het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep zich evenmin richt tegen de in eerste aanleg gegeven (partiële) vrijspraak van het onder feit 4 ten laste gelegde. Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2015 heeft het Openbaar Ministerie bij requisitoir bevestigd dat het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep zich daartoe niet uitstrekt. Aldus is in hoger beroep het onder feit 4 ten laste gelegde nog aan de orde voor zover dit betrekking heeft op valsheid in geschrift ten aanzien van – kort gezegd – overeenkomst D-3041. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen. 4Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot 31 augustus 2004, te Rotterdam, althans in Nederland, en/of te Antwerpen, althans in België, en/of te Zürich, althans in Zwitserland, en/of te Curaçao, althans op de Nederlandse Antillen, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [medeverdachte 1], (tot 1 januari 2004) ambtenaar van de [gemeente] en/of (vanaf 1 januari 2004) werknemer en/of directeur in dienst van de rechtspersoon [vennootschap 2], één of meer gift(

  1. en)en/of belofte(
  2. n)heeft gedaan en/of diensten heeft verleend en/of aangeboden (al dan niet door middel van de/een door hem, verdachte bestuurde vennootschap(pen) [vennootschap 10] en/of [vennootschap 11] en/of (een) (andere) vennootschap(pen) van het [concern]), welke gift(
  3. en)en/of belofte(
  4. n)en/of dienst(
  5. en)aan die [medeverdachte 1] heeft/hebben bestaan uit (onder meer): a.
  6. a)het gebruik van een aan verdachte en/of [vennootschap 10] toebehorend appartement en/of de daar aanwezige inrichting en inventaris, gelegen aan de [appartement] (België), zulks om niet, althans tegen een (aanmerkelijk) lagere vergoeding dan in overeenstemming was met de waarde en/of staat van dat appartement en/of de daar aanwezige inrichting en inventaris, in elk geval tegen een niet-zakelijke vergoeding, en/of
  7. b)één of meer geldbedrag(en), door of namens verdachte en/of [vennootschap 11], overgeboekt naar een bankrekening van die [medeverdachte 1] in Zwitserland (met (klant)nummer [nummer]), te weten: EUR 45.359,55 of daaromtrent, althans een geldbedrag, op of omstreeks 16 maart 2001 (34898 D-5516) en/of EUR 667.000 of daaromtrent, althans een geldbedrag, op of omstreeks 25 januari 2002 (34898 D-5074, p 2-3 en 34898 D-5522) en/of EUR 500.000 of daaromtrent, althans een geldbedrag, op of omstreeks 13 november 2002 (34898 D-5076, p 2-3 en 34898 D-5514, p 4), althans het vruchtgebruik en/of het rendement (ten bedrage van in totaal EUR 58.782,27 of daaromtrent) van één of meer door of namens verdachte en/of [vennootschap 11] naar een bankrekening van die [medeverdachte 1] in Zwitserland (met (klant)nummer [nummer]) overgeboekte geldbedragen, zulks (telkens): met het oogmerk om die [medeverdachte 1] te bewegen om in zijn bediening, in strijd met zijn plicht dan wel zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, iets te doen en/of na te laten, en/of ten gevolge van en/of naar aanleiding van hetgeen door die [medeverdachte 1] in zijn bediening, in strijd met zijn plicht dan wel zonder daartoe in strijd met zijn plicht te handelen, is gedaan en/of nagelaten, te weten (onder meer): (
  8. i)het laten ontstaan en/of onderhouden van een zodanige relatie tussen enerzijds het [vennootschap 1] en/of het [vennootschap 2] en/of de [gemeente] en/of hem, [medeverdachte 1], en anderzijds verdachte en/of een of meer door verdachte bestuurde en/of aan verdachte gelieerde vennootschap(pen) (in het bijzonder [vennootschap 10] en/of [vennootschap 19] en/of [vennootschap 11], en/of/althans een of meer (andere) vennootschappen van het [concern]), dat die [medeverdachte 1], tegenover verdachte en/of een of meer van die door verdachte bestuurde vennootschap(pen) niet meer zo vrij en/of onbeïnvloed en/of onafhankelijk en/of objectief was/kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot verdachte en/of een of meer van die door verdachte bestuurde en/of aan verdachte gelieerde vennootschap(pen) als in het geval dat die [medeverdachte 1], die gift(
  9. en)en/of belofte(
  10. n)en/of dienst(
  11. en)niet had aangenomen, en/of (
  12. ii)het in het kader van diens werkzaamheden als hoofd van het [vennootschap 1] en/of als directeur van het [vennootschap 2] in relatie tot hem, verdachte en/of een of meer van door verdachte bestuurde en/of aan verdachte gelieerde vennootschap(pen) (in het bijzonder [vennootschap 10] en/of [vennootschap 19] en/of [vennootschap 11], en/of/althans een of meer (andere) vennootschappen van het [concern]) anders handelen dan die [medeverdachte 1] op objectieve gronden had behoren te doen, en/of (iii) het (aldus) geven van een voorkeursbehandeling aan hem, verdachte, en/of een of meer door verdachte bestuurde en/of aan verdachte gelieerde vennootschap(pen) (in het bijzonder [vennootschap 10] en/of [vennootschap 19] en/of [vennootschap 11] en/of/althans een of meer andere vennootschappen van het [concern]), en/of (
  13. iv)het verstrekken van een lening ter hoogte van USD 5 miljoen aan verdachte en/of [vennootschap 11] en/of [vennootschap 20] en/of [vennootschap 21] en/of [vennootschap 22]en/of [vennootschap 23] op of omstreeks 16 februari 1999 door die [medeverdachte 1] namens het [vennootschap 1], en/of (
  14. v)het niet, althans niet voldoende en/of naar behoren, toezien op en/of (al dan niet door het nemen van passende incassomaatregelen) afdwingen van de naleving door:  verdachte en/of [vennootschap 11] en/of [vennootschap 20] en/of [vennootschap 21] en/of [vennootschap 22]en/of [vennootschap 23] van de voorwaarden van de op of omstreeks 16 februari 1999 door die [medeverdachte 1] namens het [vennootschap 1] verstrekte lening van USD 5 miljoen, waaronder tijdige betalingen van de rente en tijdige aflossing van de lening, en/of  verdachte en/of [vennootschap 11] en/of [vennootschap 13] en/of [vennootschap 14] en/of [vennootschap 15] en/of [vennootschap 7] van de voorwaarden verbonden aan de verhuur door het [vennootschap 1] van (een gedeelte van) het zogenoemde Heijplaat-terrein of Baris-terrein te Rotterdam, waaronder tijdige betaling van de huurtermijnen, en/of (
  15. vi)het (doen) opmaken en/of ondertekenen, althans aangaan, van twee, althans een raamovereenkomst(en), gedateerd 28 december 2002, tussen [vennootschap 11] enerzijds en het [vennootschap 1] anderzijds (D-014 / 34898 D-3 en 34898 D-1234), waarin het [vennootschap 1] zich, ter compensatie van in die overeenkomst(
  16. en)omschreven nadeel aan de zijde van [vennootschap 11], jegens schuldeisers van (groepsmaatschappijen van) [vennootschap 11] garant stelt voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen (tot maximaal EUR 20 miljoen respectievelijk minimaal EUR 100 miljoen, althans (een) aanzienlijk(
  17. e)bedrag(en)), en/of (vii) het (onbevoegd) (doen of laten) opmaken en/of afgeven en/of verlengen van één of meer (schriftelijke) garantie(
  18. s)door en/of namens het [vennootschap 1] en/of door en/of namens [vennootschap 2] aan een of meer schuldeiser(
  19. s)van [vennootschap 11] en/of aan schuldeisers van een of meer aan [vennootschap 3] dan wel aan verdachte gelieerde onderneming(en), in de periode van 20 september 2002 tot en met 9 juni 2004 (34898 D-1101, 34898 D-1106, 34898 D-1204, 34898 D-1205, 34898 D-1313, 34898 D-1317, 34898 D-1318, 34898 D-1319, 34898 D-1403, 34898 D-1409, 34898 D-1413, 34898 D-1426, 34898 D- 1515 2/2, 34898 D-1604, 34898 D-1701, 34898 D-1716, 34898 D-1750, 3489& D-1751, 34898 D-1760-, 34898 D-1801, 34898 D-1850, 34898 D-1900, 34898 D-3002), en/of (viii) het sluiten van een 'Option Agreement' namens [vennootschap 25]met [vennootschap 26] d.d. 27 mei 2004 (D-5118, blz.3-7) en/of het ondertekenen van een ‘Payment Instruction' d.d. 27 mei 2004 (D-5118, blz.8) ter overboeking van een bedrag van EUR 20 miljoen naar [vennootschap 19], en/of (
  20. ix)het (telkens) niet, althans niet volledig en naar behoren informeren van het College van Burgemeester en Wethouders van de [gemeente] en/of de (externe en/of interne) accountant en/of de administratie en/of de juridische afdeling van de [gemeente] en/of de Raad van Bestuur en/of de Raad van Commissarissen van het [vennootschap 2] en/of de administratie en/of de juridische afdeling van het [vennootschap 2], over het feit dat voornoemde overeenkomst(
  21. en)en/of garantie(
  22. s)zou(den) worden opgemaakt en/of afgegeven en/of aangegaan en/of was/waren opgemaakt en/of afgegeven en/of aangegaan; 2. A. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2002 tot en met 2 september 2004 te Schiedam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of in Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (raam)overeenkomst, met als datum 28 december 2002 en als opschrift `Overeenkomst’ (D-014, 34898 D-3), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, immers heeft/hebben verdachte en of zijn mededader(
  23. s)opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid in die (raam)overeenkomst opgenomen: - onder 2.1 de tekst: `Als compensatie voor het nadeel dat [vennootschap 3] lijdt nu zij geen uitvoering kan geven aan haar voornemen de hiervoor bedoelde technologie aan Taiwan te leveren zal [vennootschap 1] zich op verzoek van [vennootschap 3] jegens schuldeisers van [vennootschap 3] en/of schuldeisers van de groepsmaatschappijen van [vennootschap 3] garant stellen voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een minimum bedrag van EUR 100.000.000’ en/of - onder punt 2.2 de tekst: `[vennootschap 3] kan een verzoek als bedoeld in artikel 2.1. doen tot twee jaar na de datum van deze overeenkomst. De verplichtingen waarvoor [vennootschap 1] zich garant stelt zullen geen langere looptijd hebben dan tot drie jaar nadien.’, en/of - onder punt 1.3 de tekst: `Indien [vennootschap 3] of enige huidige of toekomstige groepsmaatschappij het bepaalde in dit artikel overtreedt verbeurt zij een onmiddellijk opeisbare boete aan [vennootschap 1] van EUR 100.000.000.’, en/of - als datum waarop die (raam)overeenkomst is ondertekend en/of gesloten: 28 december 2002, en/of - dat geschrift voorzien van zijn/hun handtekening(
  24. en)ter bevestiging van (de Juistheid van) de inhoud van dat geschrift; en/of B. hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks de periode van 01 december 2002 tot en met 27 februari 2003, te Schiedam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of in Frankrijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een (raam)overeenkomst, met als datum 28 december 2002 en als opschrift `Overeenkomst’ (D-1234), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, immers heeft/hebben verdachte en of zijn mededader(
  25. s)opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid in die (raam)overeenkomst opgenomen: - onder 2.1 de tekst: `Als compensatie voor het nadeel dat [vennootschap 3] lijdt nu zij geen uitvoering kan geven aan haar voornemen de hiervoor bedoelde technologie aan Taiwan te leveren zal [vennootschap 1] zich op verzoek van [vennootschap 3] jegens schuldeisers van [vennootschap 3] en/of schuldeisers van de groepsmaatschappijen van [vennootschap 3] garant stellen voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen tot een maximum bedrag van EUR 20.000.000’ en/of - onder punt 2.2 de tekst: `[vennootschap 3] kan een verzoek als bedoeld in artikel 2.1. doen tot één jaar na de datum van deze overeenkomst. De verplichtingen waarvoor [vennootschap 1] zich garant stelt zullen geen langere looptijd hebben dan tot drie jaar nadien.’, en/of - onder punt 1.3 de tekst: `Indien [vennootschap 3] of enige huidige of toekomstige groepsmaatschappij het bepaalde in dit artikel overtreedt verbeurt zij een onmiddellijk opeisbare boete aan [vennootschap 1] van EUR 10.000.000.’, en/of - als datum waarop die (raam)overeenkomst is ondertekend en/of gesloten: 28 december 2002, en/of - dat geschrift voorzien van zijn/hun handtekening(
  26. en)ter bevestiging van (de Juistheid van) de inhoud van dat geschrift; 3. [vennootschap 7] (verder te noemen ‘[vennootschap 7]'), bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam d.d. 11 augustus 2004 in staat van faillissement verklaard, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 april 2004 tot en met 30 augustus 2004, te Geldrop en/of Schiedam en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, een/of meer last(
  27. en)heeft verdicht en/of een of meer bate(
  28. n)niet heeft verantwoord en/of een of meer goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of een of meer goed(eren) om niet en/of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd en/of ter gelegenheid van haar faillissement of op een tijdstip waarop zij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen een of meer van haar schuldeiser(
  29. s)op enige wijze heeft bevoordeeld, hebbende [vennootschap 7] en/of haar mededader(
  30. s)-onder meer-: A: (onverplicht en/of onverschuldigd) op 9 juni 2004: * EUR 6,8 miljoen overgeboekt en/of doen en/of laten overboeken op bankrekeningnummer 65.67.18.021 t.n.v. [vennootschap 15] (D-313 en D-700 1/2), en/of * EUR 11 miljoen overgeboekt en/of doen en/of laten overboeken op bankrekeningnummer 1217.17.372 t.n.v. [vennootschap 27] (D-313 en D-650), en/of B: een door een hypotheek gedekte vordering op [vennootschap 11] van (ongeveer) EUR 17 miljoen euro (exclusief rente) en/of de van [vennootschap 11] (via [vennootschap 10]) ontvangen aflossing op die vordering (geheel of ten dele) vervangen en/of doen en/of laten vervangen door: - voorraden, te weten zogenoemde [voorraad 1] (D- 3041) en/of zogenoemde [voorraad 2] (D-3042), welke voorraden: * voor [vennootschap 7] incourant en/of branchevreemd waren en/of niet of nauwelijks op korte termijn waren om te zetten in liquiditeiten, en/of * in werkelijkheid een waarde vertegenwoordigden van in totaal (ten hoogste) EUR 3 miljoen, althans een (aanzienlijk) lagere waarde vertegenwoordigden dan het aankoopbedrag van die voorraden, en/of - (een recht op levering van) aandelen in [vennootschap 16] , althans een aanbetaling voor die aandelen, welk(
  31. e)(recht op levering van) aandelen: * niet of nauwelijks op korte termijn waren om te zetten in liquiditeiten en/of * in werkelijkheid een waarde vertegenwoordigde(
  32. n)van nihil, althans een (aanzienlijk) lagere waarde dan EUR 11 miljoen vertegenwoordigde(n), en/of C: door middel van een of meer geantedateerde overeenkomst(
  33. en)(D-310 en/of D-3041) opgemaakt na datum faillissement van [vennootschap 7], het doen voorkomen alsof de titel van een betaling van EUR 11 miljoen de dato 9 juni 2004 een (aan)betaling was voor assets [vennootschap 16] ([voorraad 1]) en deze titel aldus aan de curator in het faillissement van [vennootschap 7] gepresenteerd, terwijl genoemde betaling in werkelijkheid een (aan)betaling betrof voor (een recht op levering van) aandelen in [vennootschap 15], hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot dat feit/die feiten en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en); en/of hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 april 2004 tot en met 30 augustus 2004, te Geldrop en/of Schiedam en/of (elders) in Nederland, telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3], bestuurder van de rechtspersoon [vennootschap 7] (verder te noemen ‘[vennootschap 7]'), welke rechtspersoon bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam d.d. 11 augustus 2004 in staat van faillissement verklaard, en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [vennootschap 7] een/of meer last(
  34. en)heeft verdicht en/of een of meer bate(
  35. n)niet heeft verantwoord en/of een of meer goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of een of meer goed(eren) om niet en/of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd en/of ter gelegenheid van haar faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen een of meer van haar schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld, hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
  36. s)-onder meer-: A: (onverplicht en/of onverschuldigd) op 9 juni 2004: * EUR 6,8 miljoen overgeboekt en/of doen en/of laten overboeken op bankrekeningnummer 65.67.18.021 t.n.v. [vennootschap 15] (D-313 en D-700 1/2), en/of * EUR 11 miljoen overgeboekt en/of doen en/of laten overboeken op bankrekeningnummer 1217.17.372 t.n.v. [vennootschap 27] (D-313 en D-650), en/of B: een door een hypotheek gedekte vordering op [vennootschap 11] van (ongeveer) EUR 17 miljoen euro (exclusief rente) en/of de van [vennootschap 11] (via [vennootschap 10]) ontvangen aflossing op die vordering (geheel of ten dele) vervangen en/of doen en/of laten vervangen door: - voorraden, te weten zogenoemde [voorraad 1] (D- 3041) en/of zogenoemde [voorraad 2] (D-3042), welke voorraden: * voor [vennootschap 7] incourant en/of branchevreemd waren en/of niet of nauwelijks op korte termijn waren om te zetten in liquiditeiten, en/of * in werkelijkheid een waarde vertegenwoordigden van in totaal (ten hoogste) EUR 3 miljoen, althans een (aanzienlijk) lagere waarde vertegenwoordigden dan het aankoopbedrag van die voorraden, en/of - (een recht op levering van) aandelen in [vennootschap 16] , althans een aanbetaling voor die aandelen, welk(
  37. e)(recht op levering van) aandelen: * niet of nauwelijks op korte termijn waren om te zetten in liquiditeiten en/of * in werkelijkheid een waarde vertegenwoordigde(
  38. n)van nihil, althans een (aanzienlijk) lagere waarde dan EUR 11 miljoen vertegenwoordigde(n), en/of C: door middel van een of meer geantedateerde overeenkomst(
  39. en)(D-310 en/of D-3041) opgemaakt na datum faillissement van [vennootschap 7], het doen voorkomen alsof de titel van een betaling van EUR 11 miljoen de dato 9 juni 2004 een (aan)betaling was voor assets [vennootschap 16] ([voorraad 1]) en deze titel aldus aan de curator in het faillissement van [vennootschap 7] gepresenteerd, terwijl genoemde betaling in werkelijkheid een (aan)betaling betrof voor (een recht op levering van) aandelen in [vennootschap 16]; 4. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2004 tot en met 3 september 2004, althans in het jaar 2004, te Schiedam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, een overeenkomst ter zake de verkoop van zogenoemde 'Assets [vennootschap 16]' met als datum 9 juni 2004 en als opschrift 'Overeenkomst van Verkoop' (D-3041), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of doen en/of laten vervalsen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid in die overeenkomst opgenomen en/of doen en/of laten opnemen: - ( (D-3041) als datum waarop die overeenkomst is ondertekend en/of gesloten: 9 juni 2004, en/of - ( (D-3041) dat [vennootschap 27] (verder te nemen '[vennootschap 27]') de zogenoemde Assets [vennootschap 16] verkoopt aan [vennootschap 7], en/of - ( (D-3041) die overeenkomst voorzien van een handtekening ter bevestiging van (de juistheid van) de inhoud van dat die overeenkomst; 5. hij op of omstreeks 25 augustus 2005 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tijdens zijn verhoor als getuige ex artikel 66 van de Faillissementswet door de rechter-commissaris in het/de faillissement(
  40. en)van de besloten vennootschap(pen) met beperkte aansprakelijkheid [vennootschap 7] (verder te noemen '[vennootschap 7]'), statutair gevestigd te Geldrop en/of [vennootschap 7a], statutair gevestigd te Geldrop en/of [vennootschap 28], statutair gevestigd te Geldrop en/of [vennootschap 7b], statutair gevestigd te Geldrop, zijnde een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en/of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk de navolgende, geheel of ten dele, valse verklaring(
  41. en)- zakelijk weergegeven - onder ede heeft afgelegd: A) "Het ging er dus om de balans van [vennootschap 7] er zo goed mogelijk uit te laten zien. Hoe konden wij dat nou doen? We kochten de activa van de curator van [vennootschap 15]. De prijzen zijn allemaal welbekend. Dan ga ik even het verhaal doen wat zou er gebeuren als wij dat rechtstreeks met [vennootschap 7] hadden gedaan. Dan koop je activa voor twee miljoen, stel, en die zet je voor 2 miljoen in de balans dan komt er dus ook twee miljoen vermogen tegenover. Wat wij gedaan hebben is die activa gekocht met [vennootschap 27] op liquidatiewaarde en ingebracht op going concern waarde van 11 miljoen." (D-201, p. 41 en 42), en/of B) "Wat hebben we dus gedaan, er is 19 miljoen geleend door de [vennootschap 19]. [vennootschap 19] heeft die ter beschikking gesteld van [vennootschap 10]. [Vennootschap 10] heeft in opdracht van [vennootschap 11] die gelden overgebracht naar [vennootschap 7], onder de uitdrukkelijke, stringente voorwaarde, dat die gelden maar op een manier besteed konden worden. 11 Miljoen voor de koop van de assets en 6,8 miljoen voor de koop van de voorraad, niet anders." (D-201, p. 42), en/of C) op de opmerking of vraag van [curator 1], inhoudende: "Volgens u kon [vennootschap 7] die deal met de curator niet nakomen om de simpele reden, ze hadden het geld niet.": "Correct.", en/of op de opmerking of vraag van [curator 1], inhoudende: "Maar hebt u dan als conditie bij de vervroegde aflossing, met een andere pet op, gezegd: [vennootschap 7], wij lossen vervroegd af, want dit hoor ik u zeggen, er waren keiharde aflossingscondities maar je moet dan wel 7,5 miljoen meer gaan betalen voor dezelfde spullen?": "Niet 7,5 miljoen meer. Jij gaat dit betalen. 11 Miljoen voor die waardes en jij gaat 6,8 miljoen betalen voor die voorraad. 17 Miljoen ga jij betalen. Kom, dat is keihard afgesproken en kies maar: wil je of wil je niet? Ik vind het prima jongens voor mij hoeft het niet."(D-201, p. 51), en/of D) "En hoe hebben wij dat dus vormgegeven? 7 juni

(2004)geven wij dat memo'tje uit, 8-9 juni
(2004)draaien we die transacties, komen die gelden beschikbaar, wordt dat geld rondgepompt, komen die activa allemaal keurig bij [vennootschap 7] terecht zodat er een prima balans ligt, zodat [vennootschap 7] door kan draaien met het [voertuigen voorraad 1]project." (D-201, p. 56); 6. hij, als bestuurder van de rechtspersoon [vennootschap 19] (verder te noemen '[vennootschap 19]') die bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam d.d. 7 december 2004 in staat van faillissement is verklaard, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 september 2003 tot en met 10 oktober 2005, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand september 2003 tot en met de maand oktober 2005 te Rotterdam en/of Schiedam en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met en/of één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van [vennootschap 19], een/of meer last(
  1. en)heeft verdicht en/of een of meer bate(
  2. n)niet heeft verantwoord en/of een of meer goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of een of meer goed(eren) om niet en/of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd en/of ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen een of meer van de schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld, hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s): (I) ten laste van [vennootschap 19] een of meer aan [vennootschap 19] toekomend(
  3. e)geldbedrag(en), al dan niet uit hoofde van een of meer (onverplicht aangegane) overeenkomst(en), verstrekt, althans doen en/of laten verstrekken (telkens door middel van girale overboeking en/of verrekening in rekening-courant en/of in contanten), te weten: a.
  4. a)aan [vennootschap 10] een of meer geldbedrag(
  5. en)tot een totaal van euro 37 miljoen (D-3003 en D-3004), althans een of meer geldbedrag(
  6. en)en/of
  7. b)aan en/of ten behoeve van de vennootschap(pen): * [vennootschap 32] en/of * [vennootschap 15] en/of * [vennootschap 33] en/of * [vennootschap 27] en/of * [vennootschap 34] en/of * [vennootschap 11], in elk geval aan een of meer vennootschap(pen) binnen het [concern] en/of aan een of meer (andere) aan hem, verdachte, gelieerde rechtsperso(o)n(
  8. en)en/of aan een of meer (andere) (rechts)perso(o)n(
  9. en)een of meer geldbedrag(
  10. en)tot een totaal van euro 24.598.410,15 (D-001, p. 124-137), althans een of meer geldbedrag(en), en/of (II) een of meer vorderingen van [vennootschap 19] (tot een totaal bedrag van 24.598.410,15) op: * [vennootschap 32] ten bedrage van euro 4.293.513,87 (D-001, p. 124-125) en/of * [vennootschap 15] ten bedrage van euro 7.517.152,42 (D-001, p. 126-128 en D-3000, p. 90-91) en/of euro 11.538.127 (D-001, p. 128-129 en D-3000, p. 88-89) en/of * [vennootschap 33] ten bedrage van euro 750.000 (D-001, p. 130-131 en D-3001, p. 70-71) en/of * [vennootschap 27] ten bedrage van euro 59.685,53 (D-001, p. 132-133 en D-3000, p. 120-121) en/of * [vennootschap 27] Rozenburg BV ten bedrage van euro 164.338,97 (D-001, p. 134-135 en D-3000, p. 133-134) en/of * [vennootschap 11] ten bedrage van euro 275.592,36 (D-001, p. 136-137 en D-3001, p. 8-9), door middel van zeven, althans een of meer, akte(
  11. n)van cessie (D-001, p. 124-137), overgedragen en/of doen en/of laten overdragen aan [vennootschap 41] voor een (symbolisch) bedrag van 1 per akte en/of die overgedragen vordering(
  12. en)in de administratie van [vennootschap 19] afgeboekt en/of doen en/of laten afboeken ten laste van de Algemene Reserve; 7. hij, als bestuurder van de rechtspersoon [vennootschap 10] (verder te noemen '[vennootschap 10]') die bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam d.d. 16 november 2004 in staat van faillissement is verklaard, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 10 oktober 2005, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand januari 2003 tot en met de maand oktober 2005, te Maastricht en/of Eindhoven en/of Schiedam en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met en/of één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van [vennootschap 10], een/of meer last(
  13. en)heeft verdicht en/of een of meer bate(
  14. n)niet heeft verantwoord en/of een of meer goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken en/of een of meer goed(eren) om niet en/of klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd en/of ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen een of meer van de schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld, hebbende hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s): (I) ten laste van [vennootschap 10] een of meer aan [vennootschap 10] toebehorend(
  15. e)geldbedrag(en), al dan niet uit hoofde van een of meer (onverplicht aangegane) overeenkomst(en), verstrekt en/of doen en/of laten verstrekken (telkens door middel van girale overboeking en/of verrekening in rekening-courant en/of in contanten), te weten: a.
  16. a)aan en/of ten behoeve van de vennootschap(pen) * [vennootschap 11] en/of * [vennootschap 7] en/of * [vennootschap 27] en/of * [vennootschap 20] en/of * [vennootschap 35] en/of * [vennootschap 36] en/of * [vennootschap 3] Finance I BV en/of * [vennootschap 3] Finance II BV, in elk geval aan een of meer vennootschappen binnen het [concern] en/of aan (andere) aan hem, verdachte gelieerde rechtsperso(o)n(en), en/of
  17. b)aan * hem, verdachte persoonlijk en/of * [mevrouw 2] en/of * [medeverdachte 4] en/of aan een of meer (andere) perso(o)n(en), een of meer geldbedragen tot een totaal van EUR 43.500.360,17, althans een of meer geldbedrag(en), en/of (II) een of meer vorderingen van [vennootschap 10] (tot een totaal bedrag van euro 42.764.769,24) op: * [vennootschap 11] ten bedrage van EUR 25.091.870,32 (D-002, p. 111-112 en D-3001, p. 10-11), en/of * [vennootschap 20] ten bedrage van EUR 596,13 (D-002, p. 115-116 en D-3001, p. 80-81), en/of * [vennootschap 23] ten bedrage van EUR 387.685,87 (D-002, p. 117-118 en D-3001, p. 100-101), en/of * [vennootschap 37] ten bedrage van EUR 598.932 28 (D-002, p. 119-120 en D-3001, p. 1008-109), en/of * [vennootschap 38] ten bedrage van EUR 1.393,90 (D-002, p. 125-126 en D-3001, p. 88-89), en/of * [vennootschap 39] ten bedrage van EUR 1.365.188,09 (D-002, p. 127-128 en D-3001, p. 78-79), en/of * [vennootschap 40] ten bedrage van EUR 109.000 (D-002, p. 129-130 en D-3001, p. 102-103), en/of * [vennootschap 35] ten bedrage van EUR 500.000 (D-002, p. 131-132 en D-3001, p. 60-61), en/of * [vennootschap 18] ten bedrage van EUR 129.103,15 (D-002, p. 135-136 en D-3001, p. 60-61), en/of * hem, verdachte, ten bedrage van EUR 100.000 (D-002, p. 108-109 en D-3001, p. 84-85) en EUR 14.455.999,50 (D-002, p. 139-140 en D-3001, p. 82-83), door middel van twaalf, althans een of meer, akte(
  18. n)van cessie overgedragen en/of doen en/of laten overdragen aan [vennootschap 41] voor een (symbolisch) bedrag van EUR 1 per akte van cessie en/of die vordering(
  19. en)in de administratie van [vennootschap 10] afgeboekt en/of doen en/of laten afboeken ten laste van de Algemene Reserve; en/of (III) de vordering van [vennootschap 10] op hem, verdachte, van EUR 735.590,93 (D-448, p. 12) , althans van enig geldbedrag, op zijn, verdachtes, rekening-courant schuld afgeboekt en/of doen en/of laten afboeken, althans (om niet) kwijt gescholden en/of doen en/of laten kwijtschelden; 8. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 maart 2007 tot en met 23 oktober 2007 te Middelharnis en/of Rotterdam en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, en/of in Zwitserland, in het bezit is geweest van een reisdocument, te weten: een (diplomatiek) paspoort van de République Fédérale Islamique des Comores [nummer paspoort] (D-281A), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals of vervalst was, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat het paspoort niet door en/of namens de bevoegde autoriteiten van de République Fédérale Islamique des Comores en/of de Union des Comores aan hem was afgegeven, althans bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de in het paspoort vermelde expiratiedatum, te weten 22 februari 2008, niet overeenkomt met de gegevens op het origineel door en/of namens de bevoegde autoriteiten van de République Fédérale Islamique des Comores en/of de Union des Comores afgegeven paspoort, en/of niet door en/of namens de bevoegde autoriteiten van de République Fédérale Islamique des Comores en/of de Union des Comores was aangebracht. 5Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 6Formele verweren ter zake van feit 1 6.1 Verjaring Standpunt verdediging De verdediging heeft betoogd dat de onder feit 1 ten laste gelegde omkoping voor wat betreft de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2002 verjaard is, omdat artikel 177a (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zelfs na stuiting een maximale verjaringstermijn kent van twaalf jaar en als gevolg daarvan de feiten in genoemde periode in ieder geval vóór 1 januari 2015 zijn verjaard. Het Openbaar Ministerie is mitsdien in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Standpunt Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gerepliceerd dat het feit niet is verjaard. Voor het misdrijf als strafbaar gesteld in artikel 177 (oud) geldt een verjaringstermijn van twaalf jaar. De vervolging is binnen de twaalf jaren na het begin van het feit(encomplex) aangevangen. Beoordeling De vraag die ter beantwoording voorligt, is of het ten laste gelegde misdrijf als bedoeld in artikel 177 Sr voor wat betreft de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2002 is verjaard. Het hof laat het verweer – dat betrekking heeft op de verjaring van het ten laste gelegde misdrijf van artikel 177a (oud) Sr – hier onbesproken, reeds omdat het aan beoordeling hiervan niet toekomt. Het ten laste gelegde is - voor zover hier van belang - strafbaar gesteld in artikel 177 (oud) Sr. Dit misdrijf werd tot 1 februari 2001 bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Na 1 februari 2001 kende dit misdrijf een maximale gevangenisstraf van vier jaren. Art. 70 Sr luidt – voor zover hier van belang - als volgt: "1. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring: (...) 2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld; 3° in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld." Art. 71 Sr luidt – voor zover hier van belang - als volgt: "De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (...)." Art. 72 Sr luidt – voor zover hier van belang – als volgt: "1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde. 2.Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel (...) ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn." Volgens vaste jurisprudentie (HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6346) geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (vgl. HR 29 januari 2010, LJN BK1998, NJ 2010, 231 en HR 16 februari 2010, LJN BK6357, NJ 2010, 232). Bij de inwerkingtreding op 1 februari 2001 van het gewijzigde artikel 177 Sr, was het ten laste gelegde feit niet verjaard. Het gewijzigde hogere strafmaximum vormt daarom het uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of het feit is verjaard. Op grond van art. 70, eerste lid onder 3°, Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in dit geval na twaalf jaren. Deze verjaringstermijn is aangevangen en vervolgens in ieder geval gestuit door verschillende daden van vervolging. De ingevolge art. 72, tweede lid, Sr na een stuiting aangevangen nieuwe verjaringstermijn is ongeacht welke daad van vervolging als vertrekpunt wordt gekozen, niet verstreken. Het ten laste gelegde feit is daarom niet verjaard. Het verweer wordt verworpen. 6.2 Kwalificatie De verdediging heeft betoogd dat het de verdachte ten laste gelegde misdrijf als bedoeld in artikel 177a (oud) Sr voor wat betreft de periode voor 1 februari 2001 niet kan worden gekwalificeerd, omdat voordien geen strafbaarstelling bestond. Het hof laat dit verweer onbesproken, omdat het niet toekomt aan een bewezenverklaring van het ten laste gelegde misdrijf als bedoeld in artikel 177a Sr. 7Vrijspraken 7.1 Feit 2: valsheid in geschrift Tenlastelegging Ter zake van het onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt de verdachte kort samengevat verweten dat hij twee zogenaamde ‘raamovereenkomsten’, al dan niet in vereniging, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid heeft opgemaakt of heeft doen of laten opmaken. Rechtsopvatting Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr staat het volgende voorop. Onder een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, wordt verstaan een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend, de zogenaamde bewijsbestemming van het ten laste gelegde geschrift. Daarnaast dient het geschrift valselijk te zijn opgemaakt of vervalst en dient de verdachte hierop opzet, in voorwaardelijke zin hierbij inbegrepen, te hebben gehad. Voorts dient de verdachte het oogmerk te hebben gehad om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Volgens vaste jurisprudentie ziet het in artikel 225, eerste lid, Sr bedoelde oogmerk slechts op het gebruik van het valse of vervalste geschrift en niet op het vervalsen of valselijk opmaken zelf. Voor bewezenverklaring van dat oogmerk is beslissend of de verdachte de bedoeling had het desbetreffende geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. Dat oogmerk kan dus bestaan ongeacht de vorm van het opzet die ten aanzien van het valselijk opmaken of vervalsen wordt aangenomen (vgl. HR 29 augustus 2006 ECLI:NL:HR:2006:AX:6423 en HR 12 mei 1998, NJ 1998,694). Standpunt Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich bij requisitoir op het standpunt gesteld dat de verdachte zich aan het onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde tezamen met de medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt. Hiertoe is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:  Voor de garanties is een onjuiste grondslag opgenomen;  Beide elkaar uitsluitende overeenkomsten dateren van 28 december 2002;  Op grond van het bestaan van andere (digitale) versies van dezelfde overeenkomst, in combinatie met aanwijzingen op grond van de bestandseigenschappen van de digitale versies van de € 100 miljoen overeenkomst, moet worden geconcludeerd dat deze versie van aanzienlijk latere datum dan 28 december 2002 dateert;  Beide verdachten hebben de overeenkomsten ondertekend ter bevestiging van de juistheid van de inhoud ervan. Dit alles maakt dat beide, of in ieder geval één van beide overeenkomsten vals zijn (is). Beide verdachten wisten dat en hadden de vereiste opzet daartoe. Met hun handtekeningen onder de tekst van beide overeenkomsten bekrachtigden zij de juistheid van de inhoud daarvan. Zij hadden het oogmerk die overeenkomst(
  20. en)als echt te (doen) gebruiken. Bij repliek heeft het Openbaar Ministerie ter zake van de onder 2.2 en 1.3 ten laste gelegde tekst naar voren gebracht dat de overeenkomsten op deze punten vals zijn ten opzichte van elkaar. Standpunt verdediging Door de verdediging is – zakelijk weergegeven en samengevat - bepleit dat de inhoud van de raamovereenkomst en de deelovereenkomst juist is, er geen enkel bewijs is voor het tegendeel, dat deze juistheid wordt bevestigd door de documenten zelf, de verklaring van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1], de historische context, de daarop te herleiden motieven, de verklaringen van derden en objectieve stukken in het dossier. Tot slot bepleit de verdediging dat de ten laste gelegde overeenkomsten niet zijn geantedateerd. Beoordeling De in de tenlastelegging genoemde overeenkomsten behelzen in essentie dat het [vennootschap 1] (verder: [vennootschap 1]) zich jegens schuldeisers van de [vennootschap 3]-groep garant zal stellen voor verplichtingen uit hoofde van geldleningen. Het [vennootschap 1] doet dit: “als compensatie voor het nadeel dat de [vennootschap 3]-groep lijdt nu zij geen uitvoering kan geven aan het voornemen technologie [op het gebied van de constructie van onderzeeboten] aan Taiwan te leveren”. In de onder feit 1. sub A. genoemde overeenkomst is vermeld dat het [vennootschap 1] zich garant stelt tot een minimumbedrag van 100 miljoen euro, terwijl de onder feit 1, sub B. genoemde overeenkomst spreekt van een maximumbedrag van 20 miljoen euro. Verder verschilt de inhoud van de overeenkomsten ten aanzien van het bedrag van het boetebeding (punt 1.3) en de termijn waarbinnen door [vennootschap 3] om garantstelling kan worden verzocht (punt 2.2). Als datum waarop beide overeenkomsten zijn opgemaakt wordt daarin 28 december 2002 genoemd. De overeenkomsten zijn voor het [vennootschap 1] ondertekend door de medeverdachte en voor [vennootschap 11] door de verdachte. Antedateren De onderzochte digitale bestandseigenschappen vormen - met name gelet op de inhoud van de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) hierover - een aanwijzing voor de juistheid van het standpunt van het Openbaar Ministerie dat de € 100-miljoenovereenkomst is geantedateerd. Zij leveren echter op zichzelf daarvoor niet voldoende bewijs op. Verder geldt dat in dit geval aan een bewezenverklaring in ieder geval het volgende in de weg staat:  Niet duidelijk is geworden hoe de aangetroffen uitgeprinte en ondertekende raamovereenkomst waarop de tenlastelegging onder A. ziet, zich verhoudt tot de verschillende digitale bestanden die zijn onderzocht door het NFI;  getuige [medeverdachte 4] heeft verklaard dat zij begin 2003 reeds wist van een raamovereenkomst; een bedrag heeft ze daarbij niet genoemd; zij weet niet van het bestaan van een € 20-miljoenovereenkomst en verklaart dat het enige bedrag dat in haar hoofd zit € 100 miljoen is;  [directeur bank 4], destijds algemeen directeur van [bank 4] en betrokken bij de lening aan [vennootschap 17] van € 23 miljoen op 3 maart 2003, heeft verklaard dat hem in 2003 al bekend was dat de [concern] tot een bedrag van € 100 miljoen kon trekken onder een raamovereenkomst met het [vennootschap 1]. Eén en ander in aanmerking nemend, wordt het antedateren van de € 100 miljoen overeenkomst niet bewezen geacht. Punt 2.1. van de overeenkomsten Aangezien op grond van het onderzoek ter terechtzitting als vaststaand kan worden aangenomen dat [vennootschap 3] eind 2002 door van buiten komende oorzaken geen (verdere) uitvoering heeft kunnen geven aan de ontwikkeling en/of het verder uitvoeren van haar bedrijfsactiviteiten op het gebied van de productie en levering van onderzeeboten aan Taiwan, acht het hof niet onaannemelijk dat [vennootschap 3] als gevolg daarvan nadeel heeft geleden en ook reeds leed op 28 december 2002, de datum van de raamovereenkomsten. Dit nadeel kan eveneens gelegen zijn in andere dan in directe financiële schade. Derhalve is naar ’s hofs oordeel niet bewezen dat de in de raamovereenkomsten opgenomen grondslag voor de garantstelling door het [vennootschap 1] vals en dus in strijd met de waarheid is. De verdachte dient in zoverre te worden vrijgesproken. De punten 2.2 en 1.3 van de overeenkomsten Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien dat de tekst onder 2.2 en 1.3 van de overeenkomsten op zichzelf beschouwd in strijd met de waarheid en dus vals is. Ten opzichte van elkaar zijn de overeenkomsten, wat deze teksten betreft, evenmin in strijd met de waarheid. Door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] is in dat verband verklaard dat de € 100 miljoen raamovereenkomst de ‘moederovereenkomst’ is, waarbij de parameters zijn vastgesteld waarbinnen eventuele hieruit voortvloeiende deelovereenkomsten moesten vallen. De € 20 miljoen overeenkomst is een uitvloeisel en een gedeeltelijke uitwerking van de moederovereenkomst. De € 20 miljoen overeenkomst is ook getoond bij het aanvragen van een concrete lening ([bank 4]), aldus de medeverdachte [medeverdachte 1]. Dit laatste vindt bevestiging in de verklaring van de reeds genoemde getuige [directeur bank 4]. Ook overigens kunnen de hiervoor samengevatte verklaringen van de verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van het hof niet zonder meer als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Daarvan uitgaande, is het niet onbegrijpelijk dat de bepalingen in de overeenkomsten betreffende het boetebedrag en de termijn van inroepbaarheid van de garantstelling kwantitatief van elkaar verschillen, in die zin dat voor wat betreft de punten 2.2 en 1.3 in de € 100 miljoen overeenkomst grotere getallen zijn opgenomen dan in de € 20 miljoen overeenkomst. Ook in dit opzicht kan dus niet worden geconcludeerd dat de raamovereenkomsten vals zijn, noch dat zij anderszins in strijd zijn met de waarheid. Bij deze stand van zaken behoeft het standpunt van het Openbaar Ministerie over de ondertekening van de ten laste gelegde stukken geen bespreking. De conclusie moet zijn dat feit 2 niet wettig bewezen is. De verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken. 7.2 Feit 3: bedrieglijke bankbreuk [vennootschap 7] Tenlastelegging Aan de verdachte is onder feit 3 ten laste gelegd – kort gezegd - dat [vennootschap 7] ([vennootschap 7]) faillissementsfraude heeft gepleegd, waaraan de verdachte leiding zou hebben gegeven. De feiten zijn toegesneden op artikel 341 en artikel 343 Sr (‘bedrieglijke bankbreuk’ en ‘bedrieglijke bankbreuk bij rechtspersonen’). Rechtsopvatting De in genoemde artikelen 341 en 343 Sr en in de tenlastelegging onder 3 gebezigde bewoordingen “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers” brengen tot uitdrukking dat [vennootschap 7], c.q. de verdachte als medepleger, het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. In dat verband is voorwaardelijk opzet voldoende en voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de handeling van [vennootschap 7] de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan (vgl. HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691 en HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5446). Het vorenstaande impliceert dat ten tijde van de handeling een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan of dientengevolge zijn ontstaan. Het hof zal zich derhalve allereerst buigen over de vraag of er ten tijde of als gevolg van de overboekingen op 9 juni 2004 een aanmerkelijke kans bestond op faillissement van [vennootschap 7]. Standpunt Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie noemt het faillissement van [vennootschap 7] onontkoombaar, gelet op:  de faillissementen van [vennootschap 15] (verder [vennootschap 15]], [vennootschap 14], [vennootschap 48] en [vennootschap 49] (23 april 2004);  de opzegging van het krediet door [bank 10] (19 mei 2004) en de bevriezing van financiering door de [bank 1](15 april 2004);  de algemene betalingsproblemen van [vennootschap 7];  de problemen rond de productie van het [voertuig];  en de reële mogelijkheid dat [vennootschap 7] de [order] zou verliezen. Ten bewijze voert het Openbaar Ministerie met name aan dat crediteuren niet werden betaald, dat al vóór juni 2004 een aantal faillissementsaanvragen werd afgewend en dat de [concern] als geheel er financieel slecht voorstond. Verder waren er problemen tussen [vennootschap 7] en [Duits bedrijf] en begon [Duits bedrijf] een arbitrageprocedure. Dat onderzoek werd geëntameerd door de overheid (opgedragen aan [accountantskantoor 1]) en maakte ook dat de verdachte rekening moest houden en ook hield – blijkens diens eigen verklaring - met een aanstaand faillissement van [vennootschap 7]. Het Openbaar Ministerie voert voorts een aantal omstandigheden aan die in tijd gesitueerd zijn in juli en augustus 2004, voorafgaand aan het faillissement van 11 augustus 2004. Daaruit zou moeten blijken dat de verdachte daadwerkelijk heeft aangestuurd op een faillissement. Standpunt verdediging De verdachte heeft betwist dat op 9 juni 2004 een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond van [vennootschap 7] met een tekort daarin. De verdediging heeft aangevoerd, dat:  in mei en juni 2004 nog kredieten zijn aangetrokken;  [vennootschap 7] nog betalingen verrichtte;  door de [concern] gelden gefourneerd konden worden ten behoeve van [vennootschap 7], zoals ook eerder wel was geschied;  dat overigens de financiële situatie van [vennootschap 3] onvoldoende is onderzocht om te kunnen vaststellen dat de hele groep in financiële problemen verkeerde en dat dat ook niet het geval was;  blijkens de goedkeurende verklaring van [accountantskantoor 2] zonder continuïteitsvoorbehoud afgegeven voor de jaarrekening van 2003, er op 7 mei 2004 vertrouwen in [vennootschap 7] was bij de accountant van [vennootschap 7] en dat dit vertrouwen ook blijkt uit de brief van [accountantskantoor 2] van 4 juni 2004 aan de directie van [vennootschap 7];  uit de balans van 1 april 2004 niet bleek dat [vennootschap 7] een insolvabele onderneming was;  er vergevorderde onderhandelingen waren over de verkoop van (onderdelen van) [vennootschap 7] en dat er in die zin vertrouwen was in een toekomst voor (die onderdelen van) [vennootschap 7]. Beoordeling Op zichzelf zijn de door het Openbaar Ministerie opgesomde omstandigheden met betrekking tot de faillissementen van 23 april 2004 juist en was er voor [vennootschap 7] zeker reden tot zorg. Wel blijkt dat er in elk geval is getracht tot een effectieve doorstart te komen van [vennootschap 15] in het nieuwe bedrijf [vennootschap 16]. De genoemde financieringen (van [bank 10] en de [bank 1]) zijn ook inderdaad beëindigd dan wel bevroren. Daar staat tegenover dat wel nieuw krediet is aangetrokken met behulp van bankgaranties afgegeven door medeverdachte [medeverdachte 1]. De herkomst van dat krediet is voor wat betreft de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging niet relevant. Uit diverse omstandigheden blijkt voorts dat het betalingsgedrag van [vennootschap 7] ronduit onbetrouwbaar was. De indruk die het hof aan het procesdossier ontleent, is dat zo lang mogelijk werd gewacht met betalen; pas als werd gedreigd met juridische stappen, werden regelingen getroffen. Dat er eerder faillissementsaanvragen waren (zoals [medeverdachte 3] heeft verklaard) past binnen dit patroon. Terzijde merkt het hof op, dat verklaringen hierover afkomstig zijn van personen die naar eigen zeggen wel verrast waren dat het echt zover was gekomen op 11 augustus 2004. Men lijkt wél de ontbinding van [vennootschap 7] – door verkoop van onderdelen – voorzien te hebben, maar niet het faillissement. Naar het oordeel van het hof moet een onderscheid worden gemaakt tussen wanbetaling enerzijds en onmacht om te betalen anderzijds. Bij wanbetaling kan het ook gaan om onwil om te betalen. Uit de omstandigheid dat [vennootschap 7] op strategische wijze niet of laat betaalde, kan niet – in elk geval niet rechtstreeks - worden afgeleid dat niet betaald kón worden en dat dus een faillissement dreigde. De omstandigheid dat eerder faillissement werd aangevraagd maakt dit niet anders, mede omdat die dreiging eerder juist wel werd afgewend. Voorts blijkt uit het dossier dat binnen de [concern] op ondoorzichtige wijze werd geschoven met posten en betalingen. De overboekingen gepleegd op 9 juni 2004 waren er een voorbeeld van: er werd geld gefourneerd vanuit de groep en via [vennootschap 7] werd transactiewinst genomen binnen een andere vennootschap van de [concern], omdat dit fiscaal voordelig was; voor de managers en de controller van [vennootschap 7] was dit echter niet transparant. Uit de verklaringen blijkt overigens ook, dat door de [concern] in het verleden wel betalingen werden verricht ten behoeve van [vennootschap 7]. Dat de boekhouding en verantwoording van de lopende geldstromen ondoorzichtig was, is op zichzelf kwalijk. Anderzijds blijkt wel, dat binnen [vennootschap 7] er toch op werd vertrouwd dat bij (hoge) nood inderdaad geld uit de groep kwam, mede omdat dat een aantal keren daadwerkelijk was gebeurd. En ofschoon het faillissement van [vennootschap 7] moet worden beschouwd binnen het kader van díe vennootschap, is het in het licht van een gestelde faillissementsdreiging wel degelijk relevant of elders in het concern de mogelijkheid en de wil bestonden om [vennootschap 7] ‘overeind’ te houden. Gelet op de verhoudingen binnen het concern – waar de verdachte feitelijk aan de touwtjes trok - was met name relevant of de verdachte over die mogelijkheid beschikte en die wil had. Aannemelijk is, dat dit op 9 juni 2004 (nog) het geval was. De verdachte had kredieten aangetrokken die werden aangewend binnen het concern en was voornemens (onderdelen van) [vennootschap 7] te verkopen. Of dat reëel was kan hier onbesproken blijven. Hijzelf lijkt erin te hebben geloofd en had daarmee ook een goede reden om [vennootschap 7] niet te laten vallen. Dat maakt het aannemelijk dat de situatie in elk geval voor 9 juni 2004 zo was, dat vanuit de [concern] gerekend kon worden op financiële steun als dat echt nodig was. En ofschoon de administratie van de [concern], zoals hierboven gezegd, bepaald niet op orde was, kan wel worden vastgesteld dat het op dat moment, juist ook gelet op het kort daarvoor nog verstrekte krediet, ook mogelijk was om financieel bij te springen. Een volgend argument van het Openbaar Ministerie betreft het door de overheid voorgenomen onderzoek door [accountantskantoor 1] ([accountantskantoor 1]), waaruit al zou voortvloeien dat de kans op het wegvallen van de [order] iets was ‘om rekening mee te houden’. Het is ook juist, dat de verdachte daarmee rekening hééft gehouden. Naar zijn zeggen was juist dit voor hem reden om de financiën van [vennootschap 7] zodanig te herstructureren, dat het onderzoek van [accountantskantoor 1] wel positief moest uitpakken. Er is daartoe binnen [vennootschap 7] een aantal scenario’s opgesteld. Wat daar ook van zij, vast staat dat uit het door [accountantskantoor 1] opgestelde bericht van 25 juni 2004 niet blijkt dat [vennootschap 7] een onderneming is die dreigt failliet te gaan. Hetgeen het Openbaar Ministerie aanvoert over de berichten van [getuige 21], [getuige 22] en ook [getuige 23] acht het hof niet doorslaggevend. Opgemerkt is al, dat de financiering binnen de [concern] ondoorzichtig was voor eenieder en dat er een onbetrouwbare betalingsstrategie leek te bestaan. Dat maakt aannemelijk, dat betalingsverzoeken vanuit het management van [vennootschap 7] alleen zin hadden, als de urgentie daarvan werd onderstreept. Op basis van genoemde berichten kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de productie van de [voertuigen voorraad 1] op 9 juni 2004 stil lag en [vennootschap 7] op dat moment de aanmerkelijke kans liep te failleren. Voorts voert het Openbaar Ministerie nog aan de omstandigheid dat op 7 juni 2004 een arbitrageprocedure is ingezet door [Duits bedrijf]. Ook dit is ongetwijfeld reden tot zorg geweest. Het is aannemelijk dat men daarop met [Duits bedrijf] is gaan onderhandelen over de verkoop van [voertuigen voorraad 1] assets, van belang voor het nakomen van de contractuele verplichtingen van [Duits bedrijf]. Uit deze omstandigheid kan op zichzelf niet blijken dat – op 9 juni 2004 – een aanmerkelijke kans bestond op faillissement. Resteert de vraag of – op 9 juni 2004 - uit de boeken kon blijken dat een aanmerkelijke kans bestond dat [vennootschap 7] failliet zou gaan. Allereerst merkt het hof op, dat de verdediging terecht stelt dat de accountant van [vennootschap 7], [accountantskantoor 2], nog op 7 mei 2004 de laatste jaarrekening van [vennootschap 7] goedkeurde zonder continuïteitsvoorbehoud; gelet op de zelfstandige onderzoeksplicht van een accountant op dit punt heeft deze omstandigheid wel enige betekenis. Ook de genoemde brief van 4 juni 2004 van [accountantskantoor 2] is een aanwijzing dat de accountant op dat moment nog vertrouwen in [vennootschap 7] had. Voorts blijkt uit de balans van [vennootschap 7] van 1 april 2004 niet van een insolvabele onderneming en, als gezegd, hebben de onderzoekers van [accountantskantoor 1] ook niet geconcludeerd dat [vennootschap 7] failliet dreigde te gaan. Cijfermatig bezien was geen sprake van een dreigende faillissementssituatie. Hetgeen in dit verband nog is aangevoerd omtrent gebeurtenissen in juli en augustus 2004 laat het hof verder buiten beschouwing. Dat op 9 juni 2004 al zou zijn aangestuurd op een faillissement (zoals [curator 1] vermoedde) kan uit die feiten en omstandigheden, ook als zij zouden komen vast te staan, niet worden afgeleid. Nu het hof niet kan vaststellen dat op 9 juni 2004 sprake was van een aanmerkelijke kans op faillissement van [vennootschap 7] – een essentieel bestanddeel van de tenlastelegging – en evenmin kan concluderen, gelet op vorengenoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, dat die aanmerkelijke kans is ontstaan als gevolg van de ten laste gelegde handelingen - zal de verdachte op dit punt worden vrijgesproken. Vrijspraak ook van andere essentiële bestanddelen In de tenlastelegging is nog opgenomen de zinsnede dat [vennootschap 7]: “ter gelegenheid van haar faillissement of op een tijdstip waarop zij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen een of meer schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld”. Feitelijk is die situatie niet aan de orde, anders dan gerelateerd aan onderdeel C van de tenlastelegging (waarin is opgenomen de beschuldiging dat in een geantedateerde overeenkomst in strijd met de waarheid is opgenomen dat er [voertuigen voorraad 1] assets zijn gekocht). Zoals bij de bespreking van feit 4 zal blijken, ziet het hof voor het ‘omkatten’ geen bewijs en zal het daarvan vrijspreken. Op deze plaats volstaat de vaststelling dat ook van de hierboven cursief weergegeven, essentiële bestanddelen van feit 3 zal worden vrijgesproken. Dit alles brengt met zich mee dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken van hetgeen onder 3 is ten laste gelegd. 7.3 Feit 5: meineed Tenlastelegging De verdachte zou ten overstaan van de rechter-commissaris in het faillissement van [vennootschap 7] onder ede vals hebben verklaard. In de tenlastelegging, toegesneden op artikel 207 Sr, zijn vier tekstdelen van de verklaring van de verdachte opgenomen, waarin in diverse bewoordingen wordt gesproken over hetgeen op 9 juni 2004 getransigeerd is. Er wordt onder meer gesproken over de koop van assets en ‘activa’. Rechtsopvatting Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op de valsheid. De valse intentie moet door strijd met de werkelijkheid worden gedekt (vgl. HR 1 december 1964, NJ 1965/178). Standpunt Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie is van mening dat het feit bewezen kan worden. Standpunt verdediging De verdediging heeft betwist dat het om valse verklaringen zou gaan. Beoordeling Gelet op hetgeen hieronder bij de bespreking van feit 4 is overwogen, namelijk waarom het ‘omkatten’ van een aandelentransactie naar een verkoop van assets niet bewezen kan worden, behoeft het verder geen betoog dat het hof de verdachte van het onder 5 ten laste gelegde zal vrijspreken, nu niet bewezen kan worden dat in strijd met de werkelijkheid door de verdachte is verklaard. 7.4 De feiten 6 en 7: bedrieglijke bankbreuk [vennootschap 19] en [vennootschap 10] Tenlastelegging De tenlastelegging onder feit 6 en 7 houdt kort samengevat in dat de verdachte zich als bestuurder van de besloten vennootschappen [vennootschap 19] (verder: [vennootschap 19]) en [vennootschap 10] (verder: [vennootschap 10]) heeft schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die vennootschappen (I) ten laste van die vennootschappen geldbedragen over te dragen aan andere (rechts)personen, (II) vorderingen van die vennootschappen op anderen te cederen aan [vennootschap 41] voor een bedrag van 1 euro per akte van cessie en (III) een vordering van [vennootschap 10] op de verdachte af te boeken. Rechtsopvatting De bedrieglijke bankbreuk als vorenbedoeld is strafbaar gesteld in artikel 343 Sr. De in dit artikel gebezigde bewoordingen “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers” brengen tot uitdrukking dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. In dat verband is voorwaardelijk opzet voldoende en voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan (vgl. HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691 en HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5446). Dit impliceert dat ten tijde van de handeling een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan of dientengevolge zijn ontstaan. Standpunt Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft betoogd dat die aanmerkelijke kans op faillissement bestond en voerde daartoe – zakelijk weergegeven en samengevat – het volgende aan. [vennootschap 19] heeft in de periode van 13 juni 2003 tot en met 30 juni 2004 dankzij garanties van het [vennootschap 2] en haar rechtsvoorganger het [vennootschap 1] in totaal een bedrag van € 103,6 miljoen geleend, waarvan € 94,6 miljoen naar andere vennootschappen is gegaan; dit in strijd met de leningsovereenkomsten en zonder dat de geldverstrekkers hiervan wisten. Het geld werd doorgeleend zonder zekerheden of zakelijke voorwaarden, terwijl [vennootschap 19] bovenop de aflossing wel financieringskosten diende te betalen. [vennootschap 19] had evenwel geen inkomsten. Zodra tussen de verplichtingen aan crediteuren en die van debiteuren geen evenwicht bestaat, ontstaat onmiddellijk een aanmerkelijke kans op faillissement. Dit probleem kon slechts worden voorkomen door nieuwe financiering: een gat wordt gestopt met een groter gat. Dit gat openbaarde zich pas toen de geldkraan dicht ging en het kaartenhuis in elkaar zakte. Slechts tweemaal zijn wel schriftelijke afspraken gemaakt over rente en terugbetaling, maar daarbij was het moment van aflossing gelegen in 2009, terwijl [vennootschap 19] zelf veel eerder diende af te lossen. In het licht van het vorenstaande werd met de aanwending van de eerste lening van [bank 5] in juni 2003 de financiële positie van [vennootschap 19] zodanig precair, dat de kans op een faillissement en het tekort daarin aanmerkelijk was geworden. Ook [vennootschap 10] werd gebruikt om gelden aan te trekken. In de periode tussen 1 januari 2003 en 20 augustus 2004 is door [vennootschap 10] in totaal € 68,4 miljoen gestroomd. Door deze geldstromen van en naar veel verschillende [vennootschap 3]-ondernemingen, deed zich het risico voor dat als één van de ondernemingen van [vennootschap 3] zou omvallen, dit een domino-effect zou hebben op de andere vennootschappen. [Curator 3] omschreef de transacties binnen [vennootschap 10] als een schoolvoorbeeld van onbehoorlijk bestuur. Het Openbaar Ministerie onderschrijft dat en meent dat door deze manier van handelen een aanmerkelijke kans op het faillissement van [vennootschap 10] ontstond, met een tekort daarin. Was de situatie van beide vennootschappen al niet rooskleurig, de situatie na de onttrekkingen van 20 augustus 2004 was ronduit slecht. Een faillissement werd onafwendbaar, aldus het Openbaar Ministerie. Standpunt verdediging De verdediging heeft ten aanzien van beide vennootschappen het gemotiveerde verweer gevoerd dat ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen en als gevolg daarvan geen aanmerkelijke kans op faillissement bestond. Beoordeling tenlastelegging feiten 6 en 7 Ondernemen is risico nemen. Een niet onbekend adagium dat bij de beoordeling van de verwijten die de verdachte in de feiten 6 en 7 worden gemaakt een belangrijk uitgangspunt vormt. Vandaag, bijna elf jaar na de faillissementen van [vennootschap 19] en [vennootschap 10] is een procesdossier voorhanden dat qua omvang zijn weerga niet kent. Niet alleen door de FIOD, maar ook door de verdediging zelf is uitgebreid onderzoek gedaan naar wat zich elf jaar en langer geleden heeft voorgedaan. Dat heeft geresulteerd in een vrij volledig beeld van de gebeurtenissen van destijds. Meer dan elf jaar geleden nam de verdachte als ondernemer – voornoemd adagium indachtig - risico’s. Nu is bekend dat de vennootschappen [vennootschap 19] en [vennootschap 10] zijn gefailleerd, maar daarmee is op zich nog niet gegeven dat de kans op die faillissementen ten tijde of als gevolg van de verweten handelingen dus aanmerkelijk was. Voor een juiste beoordeling van de verwijten dient in het navolgende onder meer te worden bezien welke informatie destijds beschikbaar was, welke verwachtingen destijds gerechtvaardigd waren en welke risico’s destijds aanvaardbaar waren. Vast staat dat de verdachte van 25 april 2003 tot 21 augustus 2004 bestuurder was van [vennootschap 19]. In de periode van 8 juli 1986 tot 6 september 2004 was hij bestuurder van [vennootschap 10]. Deze beide vennootschappen traden (onder meer) op als financieringsmaatschappijen van het [concern], een en ander conform de statutaire doelomschrijving. Beoordeling tenlastelegging feiten 6 (I) en 7 (I) Verdachte heeft als bestuurder onder andere door middel van boekingen in rekening-courant geldbedragen verstrekt of laten verstrekken aan de vennootschappen als vermeld in de tenlastelegging onder 6 (I) en 7 (I). Anders dan de rechtbank in rechtsoverweging 14.4 heeft geoordeeld, bevat het procesdossier geen bewijs dat de verdachte namens [vennootschap 10] aan de in de tenlastelegging onder 7 (I)b genoemde natuurlijke personen het bedrag van in totaal € 43.500.360,17 heeft betaald of doen betalen. Het aantrekken van financiering en uitlenen van geldbedragen aan andere vennootschappen van de [concern] viel binnen de statutaire doelomschrijving van [vennootschap 19] en [vennootschap 10]. Dergelijke activiteiten brachten als zodanig niet een aanmerkelijke kans op faillissement met zich. Bij de beantwoording van de vraag of de kans op een faillissement ten tijde of als gevolg van de overdrachten zoals ten laste gelegd onder 6 (I) en 7 (I) aanmerkelijk was, dient de financiële conditie van de beide vennootschappen te worden beoordeeld. Daarbij komt betekenis toe aan het gegeven dat zij deel uitmaakten van een concern, waarbinnen zij als financieringsmaatschappijen een rol vervulden. Beoordeling als zelfstandige entiteiten zonder oog te hebben voor de context waarin de vennootschappen functioneerden, zou een miskenning van de realiteit zijn. Bezien in dat kader kan worden geconstateerd dat door [vennootschap 19] en [vennootschap 10] geldbedragen werden doorgeleend aan andere vennootschappen binnen het [vennootschap 3]-concern, doorgaans zonder dat daar zekerheden tegenover stonden en zakelijke voorwaarden waren overeengekomen. Het is evenwel niet gebleken dat [vennootschap 19] en [vennootschap 10] ten tijde van de telkens onder (I) ten laste gelegde overdrachten niet aan de op hen rustende afbetalingsverplichtingen voldeden. Evenmin is gebleken dat destijds de aanmerkelijke kans bestond dat zij dat in de toekomst niet zouden kunnen doen. Ten eerste waren de andere vennootschappen in het [concern] gehouden de hun verstrekte leningen terug te betalen en is niet gebleken dat die vennootschappen daartoe destijds niet in staat mochten worden geacht. Het is daarnaast ook niet aannemelijk geworden dat het verschil tussen wat de andere vennootschappen aan [vennootschap 19] en [vennootschap 10] dienden af te lossen en de door [vennootschap 19] en [vennootschap 10] daarboven aan financieringsinstellingen te betalen rente en kosten reeds een aanmerkelijke kans op een faillissement met zich bracht. Dat de beide vennootschappen destijds weinig tot geen inkomsten hadden, betekent nog niet dat voormelde kosten niet zouden kunnen worden voldaan. De vennootschappen bevatten immers goederen van waarde zoals het schip en het datacentrum [datacentrum], waarvan viel aan te nemen dat die op termijn tot inkomsten zouden kunnen leiden. Daar komt bij dat daar waar de inkomsten daartoe op de korte termijn ontoereikend mochten blijken, de mogelijkheid van herfinanciering bestond. Het hof acht overigens aannemelijk – en zal dat hieronder bij de beoordeling van hetgeen ten laste is gelegd onder de feiten 6 (II) en 7 (II) nader motiveren – dat aan voornoemde goederen een grotere waarde diende te worden toegekend, dan het Openbaar Ministerie tot uitgangspunt heeft genomen. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat ten tijde of als gevolg van de onder 6 (I) en 7(I) ten laste gelegde overdrachten geen sprake was van een aanmerkelijke kans op faillissement. Dientengevolge behoort de verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. Beoordeling tenlastelegging feiten 6 (II) en 7 (II) In de beoordeling van het de verdachte ten laste gelegde onder 3 is aan de orde geweest dat één van de vennootschappen binnen het [concern] – [vennootschap 7] – betrokken was bij het zogenoemde [voorraad 1]-project. Toen de aan dit project ten grondslag liggende opdracht in juli 2004 kwam te vervallen, ontviel – in de woorden van de verdachte – de basis aan de toekomstige cashflow van alle defensiegerelateerde bedrijven van het [concern]. Op 11 augustus 2004 werd [vennootschap 7] in staat van faillissement verklaard. Mede als gevolg hiervan werd het risico reëel dat op de aan [vennootschap 19] en [vennootschap 10] verstrekte leningen niet meer zou kunnen worden afgelost. Het [vennootschap 2] stond garant voor nakoming van de uit hoofde van die leningen op [vennootschap 19] en [vennootschap 10] rustende verplichtingen. De kans dat het zou worden aangesproken tot nakoming van de door hem verstrekte garanties werd daarmee groot. Op 15 augustus 2004 kwamen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] samen in de tuin van [advocaat 1]. Naast deze drie personen waren aanwezig [advocaat 2] en [notaris 1]. Men sprak over de ontstane situatie. Aannemelijk is dat in essentie op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] werd afgesproken de vennootschappen [vennootschap 19] en [vennootschap 10] (grotendeels) als zekerheid over te dragen aan het [vennootschap 2]. Eveneens werd afgesproken vorderingen en schulden voor een symbolisch bedrag over te dragen aan [vennootschap 41] voor zover deze gerelateerd waren aan het [concern]. Deze afspraken zijn vastgelegd in een raamovereenkomst tussen enerzijds het [vennootschap 2 2] en [vennootschap 25] en anderzijds [vennootschap 11], [vennootschap 32], [vennootschap 41], [vennootschap 27], [vennootschap 19], [vennootschap 10] en de verdachte in privé. De raamovereenkomst is gedateerd 16 augustus 2004. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de raamovereenkomst is geantedateerd, maar heeft hieraan geen conclusies verbonden en heeft ook overigens de inhoud van de overeenkomst niet betwist. Voorts is het antedateren van deze overeenkomst de verdachte niet ten laste gelegd, redenen waarom deze stelling hier verder onbesproken blijft. Aan de raamovereenkomst is onder meer uitvoering gegeven bij akten van cessie gedateerd 20 augustus 2004. [vennootschap 19] Op de balans van [vennootschap 19] stonden hierna in essentie het schip de [schip] tegen een boekwaarde na herwaardering van € 32.702.873, vorderingen op [vennootschap 36] en [vennootschap 10] voor een totaalbedrag van € 31.828.883 en een bedrag van € 337.671 aan overige vorderingen en activa. De op de balans vermelde schulden bestonden grotendeels uit de leningen waartoe het [vennootschap 2] zich garant stelde, ter hoogte van € 65.202.875. Het eigen vermogen daalde naar een bedrag van € -593.072. De verdachte heeft erkend dat [vennootschap 19] een negatief eigen vermogen kende, maar stelt daar tegenover dat met investeringen in het schip de [schip] daarin verandering kon worden gebracht. Deze investeringen had medeverdachte [medeverdachte 1] ook namens het [vennootschap 2] toegezegd te zullen doen en de verdachte stelt nooit te hebben verwacht dat het [vennootschap 2] die investeringen achterwege zou laten en het faillissement van [vennootschap 19] zou aanvragen. Het is aannemelijk geworden dat op 20 augustus 2004 – de datum van de hier ten laste gelegde feitelijke handelingen - een reële kans bestond dat investeringen in het schip de [schip] op de lange termijn tot inkomsten en waardevermeerdering zouden leiden. Dat [vennootschap 19] na het cederen op 20 augustus 2004 niet levensvatbaar was en een faillissement onafwendbaar, is niet gebleken. De redenering van het Openbaar Ministerie inhoudende dat de leningen op korte termijn moesten worden afgelost, terwijl investeringen pas op lange termijn tot die leningen dekkende inkomsten zouden leiden, laat onverlet dat het [vennootschap 2] nu juist voor die leningen garant stond en dat [vennootschap 19] was overgedragen aan [vennootschap 25], dochtervennootschap van het [vennootschap 2], als deel van de daarvoor door medeverdachte [medeverdachte 1] gevraagde zekerheden. Tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] was helder dat de waarde van [vennootschap 19] niet direct opwoog tegen de waarde van de leningen, maar dat in de toekomst wel zou doen. Aannemelijk is geworden dat de verdachte daarvan overtuigd was en dat die overtuiging niet geheel gespeend was van werkelijkheidszin. Daar komt ten aanzien van het schip de [schip] nog iets bij. De exploitatie van het schip was – anders dan wellicht van het datacentrum [datacentrum] gezegd kan worden – geen voor het [vennootschap 2] wezensvreemde activiteit. De [schip] kan een zeker verband met de Rotterdamse havenwereld toch niet worden ontzegd. Daarenboven geldt dat het schip een belangrijke emotionele waarde had voor de stad Rotterdam. Zij vormde immers een herinnering aan de bekende Holland-Amerika Lijn. Het [vennootschap 2] was daarnaast ook al voor de overeenkomst van 16 augustus 2004 via [vennootschap 25] voor 50% eigenaar van [vennootschap 19]. De participatie van het [vennootschap 2] in de ontwikkeling en exploitatie van het schip kon destijds op brede steun in lokale politieke kringen rekenen. Het was mede als gevolg hiervan niet te voorzien dat de [gemeente] via het [vennootschap 2], [vennootschap 19] en daarmee het schip ten onder zou laten gaan; eerder vormt het rechtvaardiging voor de veronderstelling die rond 20 augustus 2004 bij de verdachte bestond dat investeringen zouden volgen. Het zijn de vorengenoemde omstandigheden die in onderlinge samenhang leiden tot de conclusie dat destijds geen aanmerkelijke kans op faillissement bestond en dat die ook niet is ontstaan als gevolg van de ten laste gelegde handelingen. [vennootschap 10] De balans van [vennootschap 10] vermelde na de cessie in essentie aan activa het meergenoemde datacentrum [datacentrum] met inventaris en voorraad onderdelen voor een bedrag van € 44.677.820 en vorderingen op [vennootschap 3] TDS en [vennootschap 36] voor een bedrag van € 4.860.151. Daartegenover stonden schulden aan [vennootschap 19] ten bedrage van in totaal € 30.880.107. Het eigen vermogen daalde naar een bedrag van € 18.701.310. Duidelijk moge zijn dat het datacentrum [datacentrum] met toebehoren kern was van wat met [vennootschap 10] aan activa werd overgedragen. Bij de beantwoording van de vraag of ten tijde van of als gevolg van de handelingen van 20 augustus 2004 een aanmerkelijke kans op faillissement bestond of is ontstaan, komt belangrijke betekenis toe aan de waarde van dit datacentrum. Aannemelijk is geworden, dat die waarde in overwegende mate bepaald werd door de mate waarin het datacentrum verhuurd werd. Voor huurmaximalisatie en daarmee waarde-optimalisatie waren investeringen nodig. Het is eveneens aannemelijk geworden dat door de medeverdachte [medeverdachte 1] namens het [vennootschap 2] ook ten aanzien van [vennootschap 10] aan de verdachte is toegezegd dat die investeringen zouden worden gedaan. De vraag die aan het bespreken van de waarde van het datacentrum voorafgaat, is of de huuropbrengsten [vennootschap 10] ten goede zouden komen. Vast staat dat de huurinkomsten die met het datacentrum [datacentrum] werden gegenereerd niet aan [vennootschap 10], maar aan de exploitant [vennootschap 36] toekwamen. Het Openbaar Ministerie moet worden nagegeven dat de afspraken tussen partijen op onderdelen beter hadden kunnen worden gedocumenteerd, maar in het Nederlandse recht is ook van belang wat partijen – daar waar een schriftelijk contract een leemte laat - redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het is in dat kader aannemelijk geworden dat als onderdeel van de raamovereenkomst van 16 augustus 2004 ook [vennootschap 36] aan het [vennootschap 2] zou worden overgedragen. De verdachte heeft gesteld dat zulks de bedoeling was en medeverdachte [medeverdachte 1] heeft dit bevestigd. Deze verklaarde ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 16 januari 2015 dat klopt wat hij in 2005 bij [accountantskantoor 3] heeft verklaard, namelijk dat hij zeker weet dat [vennootschap 36] inclusief het klantenbestand onderdeel uitmaakt van de overgedragen assets. Klanten en stenen moesten in diens woorden onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Voorts is redengevend dat het onaannemelijk is dat [vennootschap 36] om niet een onroerend goed zou exploiteren dat eigendom is van een buiten het [concern] vallende vennootschap. Ten slotte bevat het procesdossier nog een aanwijzing dat het de bedoeling van partijen was dat [vennootschap 36] zou worden overgedragen aan het [vennootschap 2]. De meervoudige cessie was immers bedoeld om de banden met het [concern] door te knippen; de vennootschappen werden ontdaan van inter company vorderingen en schulden. Een vordering van € 3.700.033 op [vennootschap 36] bleef echter achter op de balans van [vennootschap 10], wat erop duidt dat [vennootschap 36] in de ogen van de contractspartijen bij de raamovereenkomst van 16 augustus 2004 niet langer tot het [concern] werd gerekend. Kortom, het is aannemelijk geworden dat ook [vennootschap 36] in de nabije toekomst aan het [vennootschap 2] zou worden overgedragen opdat de huuropbrengsten van het datacentrum [datacentrum] direct of indirect aan [vennootschap 10] ten goede zouden komen. Of een aanmerkelijke kans op faillissement bestond ten tijde van of als gevolg van de ten laste gelegde handelingen, is in de ogen van zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging afhankelijk van de waarde die aan het datacentrum [datacentrum] moest worden toegekend. Over die waarde is ter terechtzitting en daarbuiten veel gezegd en diverse waardebegrippen passeerden de revue. Daar waar het Openbaar Ministerie onder verwijzing naar onder meer de meest recente liquidatiewaarde stelde dat de waarde van het pand negatief was, heeft de verdediging zich onder meer beroepen op een taxatierapport waarin op 18 juli 2003 aan het datacentrum een Ertragswert (een gekapitaliseerde te verwachten huuropbrengst) van € 39.700.000 werd toegeschreven. Op 26 november 2014 is ten overstaan van de raadsheer-commissaris [taxateur 1] gehoord. Hij heeft het datacentrum [datacentrum] in 2002 en 2003 getaxeerd. Op grond van diens verklaring is aannemelijk geworden dat laatstgenoemde Ertragswert een realistische waardering betreft, gebaseerd op de premisse dat twee geïnteresseerde bedrijven ook huurder zouden worden van het datacentrum, hetgeen later ook daadwerkelijk is gebeurd. Het vorenstaande brengt met zich dat de waarde waartegen het datacentrum [datacentrum] op de balans van [vennootschap 10] stond, op dat moment een reële waarde moet worden geacht. Het datacentrum is na het faillissement van [vennootschap 10] verkocht voor een bedrag van ongeveer € 6,8 miljoen. Hierin kan echter geen aanwijzing worden gevonden dat dit de waarde was die het pand had ten tijde van de ten laste gelegde handelingen d.d. 20 augustus 2004. Op die datum immers was geen sprake van een faillissement en een daarmee samenhangende liquidatiewaarde. Ten slotte geldt dat het datacentrum [datacentrum], naar de [taxateur 2] op 26 november 2014 tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard, op enig moment na het faillissement en na investeringen is verkocht door de koper uit het faillissement. De waarde zou zijn opgelopen naar een bedrag van € 125 miljoen. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat ten tijde van de akten van cessie van 20 augustus 2004 een vennootschap werd overgedragen met daarin een onroerend goed van aanzienlijke waarde, die met investeringen nog zou kunnen toenemen. Dat sprake was van een ter zake van het datacentrum verleend recht van hypotheek, doet in dat licht weinig ter zake. Aangenomen mocht immers worden dat de waarde van het datacentrum in aanzienlijke mate zou toenemen, waardoor mocht worden verwacht dat de in de vennootschap aanwezige activa op afzienbare termijn het totaalbedrag aan schulden zou overstijgen. Ook hier geldt derhalve dat de vorengenoemde omstandigheden in onderlinge samenhang leiden tot de conclusie dat destijds geen aanmerkelijke kans op faillissement bestond en dat die ook niet is ontstaan als gevolg van de ten laste gelegde handelingen. Beoordeling tenlastelegging feit 7 (III) Op 20 augustus 2004 heeft de verdachte een vordering van € 735.590,93 ten laste van het eigen vermogen van [vennootschap 10] laten afboeken. De verdachte heeft hierover gezegd dat deze vordering ten onrechte in privé is geboekt. Het Openbaar Ministerie meent dat de afboeking moet worden gezien als het niet verantwoorden van een bate. Wat hiervan ook zij, nu hiervoor is geconcludeerd dat op 20 augustus 2004 geen aanmerkelijke kans op faillissement bestond en het afgeboekte bedrag die aanmerkelijke kans niet zelfstandig en ook niet in samenhang met de onder I en II ten laste gelegde handelingen kan hebben doen ontstaan, dient de verdachte van het hem hier ten laste gelegde eveneens te worden vrijgesproken. Conclusie Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de verdachte van al hetgeen hem in de feiten 6 en 7 is ten laste gelegd moet worden vrijgesproken. Hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd behoeft daarom geen bespreking. 7.5 Feit 8: vals reisdocument Tenlastelegging Onder 8 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij in 2007 een paspoort van de République Fédérale Islamique des Comores in zijn bezit had, waarvan hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals of vervalst was. De expiratiedatum was onbevoegd veranderd van 2006 in 2008. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 231, tweede lid, Sr. Rechtsopvatting Een bewezenverklaring van het vorenstaande vereist dat de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument (ver)vals(
  21. t)was. Onder het weten – opzet - is voorwaardelijk opzet begrepen. Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of er sprake is van dergelijke schuld wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aarde en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Er kan ook sprake zijn van onbewuste schuld. Daaronder wordt verstaan, dat de dader zich het gevolg of de betreffende omstandigheden helemaal niet heeft voorgesteld; hij had dit echter kunnen en behoren te doen, en is aldus tekortgeschoten voor wat betreft een op hem rustende plicht om de nodige oplettendheid te betrachten. Voor een bewezenverklaring moet er sprake zijn van een min of meer grote onachtzaamheid: ‘aanmerkelijke schuld’. Standpunt Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie is van mening dat het feit bewezen kan worden. De kernvraag is of de verdachte wist dan wel had moeten vermoeden dat de expiratiedatum niet klopte. Dat was het geval. Hij heeft het paspoort gebruikt en de vervalsing is op het oog goed zichtbaar. Bovendien bewaarde hij op zijn kantoor een kopie met het originele jaartal 2006 en moet hij bij de verkrijging van het paspoort geweten hebben dat het paspoort maar twee jaar geldig was. Minst genomen staat vast dat hij van de vervalsing had moeten weten. Standpunt verdediging De verdachte was zich niet bewust van de aangebrachte wijziging, hij is er steeds van uitgegaan dat hij een geldig paspoort in zijn bezit had en heeft zich niet gerealiseerd dat het paspoort in 2006 was verlopen. Hij heeft zelf het paspoort niet vervalst, dit moeten anderen hebben gedaan. Hij had overigens meerdere paspoorten, waaronder ook een diplomatiek paspoort van Vanuatu (wel tijdig verlengd) en het was dus ook niet nodig om risico’s te nemen. De verdachte heeft in 2007 het Comorese paspoort gebruikt om Egypte in en uit te reizen - zoals volgt uit de stempels in het paspoort - en hij zou nooit bewust zo’n risico hebben genomen. Beoordeling Vast staat dat de verdachte in 2007 in het bezit is geweest van bedoeld paspoort, waarin op duidelijk zichtbare wijze de expiratiedatum is vervalst. De verdachte heeft het bezit van het paspoort erkend en heeft aannemelijk gemaakt dat hij het paspoort in 2007 onder meer heeft gebruikt om Egypte in en uit te reizen. Dat was riskant en het hof acht aannemelijk dat hij een dergelijk – onnodig - risico niet zou hebben genomen als hij zich bewust was geweest van de aangepaste expiratiedatum. Dat brengt met zich mee dat van opzet geen sprake is en dat ook de culpa, opgevat als bewuste schuld niet bewezen kan worden. Ook de culpa, opgevat als onbewuste schuld kan niet bewezen worden, nu niet is komen vast te staan dat er sprake is van een min of meer grote onachtzaamheid en derhalve aanmerkelijke schuld. Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2, 3, 5, 6, 7 en 8 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. 8. Bewijsmotivering 8.1 Feit 1: ambtelijke omkoping Tenlastelegging De verdachte wordt onder 1 verweten, kort gezegd, dat hij in de periode van 1 januari 1999 tot 31 augustus 2004, de medeverdachte en ambtenaar [medeverdachte 1] heeft omgekocht, door het doen van giften, teneinde een voorkeursbehandeling door [medeverdachte 1] van de verdachte dan wel de ondernemingen van de verdachte te realiseren, als specifiek omschreven onder de nummers i tot en met ix van de tenlastelegging. Rechtsopvatting Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de ten laste gelegde omkoping, dient wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden dat de verdachte het oogmerk had de ambtenaar te bewegen in zijn bediening - al dan niet in strijd met zijn plicht - iets te doen of na te laten. Dat oogmerk kan gericht zijn op een concrete tegenprestatie, maar ook op het doen ontstaan van een speciale relatie die zal leiden tot een voorkeursbehandeling. Standpunt Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft zich – verkort en zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat het gebruik door [medeverdachte 1] van het appartement in Antwerpen en de betalingen aan [medeverdachte 1] in maart 2001 en januari en november 2002, kunnen worden aangemerkt als giften. De verdachte beoogde daarmee dat [medeverdachte 1] hem een voorkeursbehandeling zou geven. Tevens heeft de verdachte moeten weten en begrijpen, dat de giften zouden leiden tot concrete tegenprestaties van [medeverdachte 1], in strijd met zijn ambtelijke plicht. Het Openbaar Ministerie concludeert dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan omkoping als bedoeld in artikel 177 Sr. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich – verkort en zakelijk weergegeven - primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van giften aan [medeverdachte 1], gedaan in relatie tot zijn bediening als ambtenaar. De verdediging kwalificeert het gebruik van het appartement als een vriendendienst met een privékarakter. De betalingen voor een totaalbedrag van (afgerond) 1,2 miljoen euro zijn geen gift voor [medeverdachte 1], maar betalingen voor [getuige 16]. Ten aanzien van het appartement heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte niet met het vereiste oogmerk heeft gehandeld om [medeverdachte 1] te bewegen in zijn bediening iets te doen of na laten. Het betrof, zoals reeds genoemd, een vriendendienst, die niets van doen had met zakelijke verhoudingen of belangen. Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte of [vennootschap 3] een voorkeursbehandeling heeft genoten. Concrete tegenprestaties zijn door [medeverdachte 1] niet verricht. Hij is zakelijk omgegaan met [vennootschap 3], zoals [medeverdachte 1] met al zijn klanten zakelijk omging. Weliswaar heeft [vennootschap 3] ongebruikelijk veel garanties gekregen, maar de garanties en raamovereenkomst(
  22. en)zijn afgegeven teneinde op rationele en zorgvuldige wijze de belangen van de Rotterdamse haven te dienen. Daarnaast is ten aanzien van de raamovereenkomsten afgesproken dat iedereen die daarover geïnformeerd moest worden, daarover ook geïnformeerd mocht worden. Ten aanzien van de garanties geldt dat nergens uit blijkt dat de verdachte wist dat de garanties bij wie dan ook gemeld moesten worden, noch dat hij wist dat de garanties voor wie dan ook geheim werden gehouden. Ten slotte heeft de verdediging zich meest subsidiair op het standpunt gesteld dat [medeverdachte 1] niet is bewogen tot handelen in strijd met zijn plicht. Het handelen van [medeverdachte 1] is op zichzelf niet onrechtmatig geweest en van overtreding door [medeverdachte 1] van artikel 50 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is geen sprake. Op al deze gronden heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Vaststaande feiten en omstandigheden Het hof gaat bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden. Ten aanzien van het appartement  Op 30 april 1999 heeft mevrouw [mevrouw 1] - namens en voor rekening van de besloten vennootschap [vennootschap 10] - een appartement gekocht aan de [appartement], onderdeel uitmakende van [appartementencomplex] (hierna: het appartement). De koopprijs bedroeg BEF tien miljoen zevenhonderdvijftigduizend BEF (omgerekend € 266.485,54);  [ [mevrouw 1] (verder: [mevrouw 1]) was destijds de partner van de medeverdachte [medeverdachte 1];  in het voorlopig koopcontract van het appartement, opgemaakt op 19 februari 1999, is [mevrouw 1] als koper van het appartement vermeld. Zij heeft het contract ook ondertekend;  enig aandeelhouder van [vennootschap 10] is, sinds de oprichting van de vennootschap in juli 1986, de verdachte, met een korte onderbreking tussen mei en november 1995. Tevens is de verdachte sinds de oprichting van de vennootschap enig bestuurder en directeur hiervan, tot 6 september 2004;  de heer [getuige 12] (verder: [getuige 12]) - de (aankopend) makelaar van [vennootschap 10] - heeft verklaard dat begin 1999 het eerste contact over de aankoop van het appartement met [medeverdachte 1] plaatshad. Bij de vervolgcontacten was [mevrouw 1] meestal ook aanwezig. Zij nam samen met [medeverdachte 1] de beslissingen. De verdachte is nooit bij een gesprek aanwezig geweest. [medeverdachte 1] zou het appartement samen met [mevrouw 1] gebruiken als pied-à-terre. Dat de verdachte het appartement ook als pied-à-terre zou gaan gebruiken is nooit ter sprake gekomen. Met uitzondering van een eventueel telefonisch contact over de gegevens van de kopende partij, heeft de verdachte geen betrokkenheid gehad bij de aankoop van het appartement. De makelaar kan zich herinneren dat [medeverdachte 1] graag kookte en daarom een goede keuken belangrijk vond. Dat is de reden geweest dat [medeverdachte 1] de keuken zelf heeft uitgekozen, buiten de projectontwikkelaar om;  de factuur voor de keuken is gericht aan [vennootschap 10]. Uit een tweetal faxberichten van [medeverdachte 1], gericht aan [vennootschap 15], ter attentie van [medeverdachte 4], blijkt dat de verdachte actief betrokken was bij afspraken over het plaatsen en de betaling van de keuken;  de heer [getuige 13], architect, heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [mevrouw 1] na de aankoop van het appartement opdracht hebben gegeven voor de inrichting ervan. [mevrouw 1] was zijn contactpersoon. De besprekingen gingen voornamelijk over de inrichting en over de planning van de uitvoering. De vraag was iedere keer wanneer het appartement af zou zijn. In het najaar van 1999 is contact geweest over de afwerking en de materialen, zoals de vloer, tegels, verlichting en het uitkiezen van het sanitair. Deze gesprekken vonden allemaal plaats met [mevrouw 1]. De contacten over de afwerking van het appartement - waaronder ook betreffende deuren, hang- en sluitwerk, kleurkeuze verf, stucwerk, keuze kranen - vonden ook steeds met [mevrouw 1] plaats. In juni 2000 werden de meubels in het appartement geplaatst en was [mevrouw 1] de toezichthoudende persoon. De architect kan zich verder nog herinneren dat na de oplevering, ergens in juli 2000, [medeverdachte 1] speciaal vanuit Rotterdam naar Antwerpen was gekomen met de vraag om aan de achterkant van het appartement een speciaal volledig dicht donker gordijn te plaatsen, zodat hij beter zou kunnen slapen. De architect heeft de verdachte nooit gezien. De verdachte was geen contactpersoon van hem. [Mevrouw 1] heeft verteld dat de factuur op naam van [vennootschap 10] opgemaakt moest worden;  uit een factuur d.d. 26 oktober 2000 van [vennootschap 48] in Antwerpen, gericht aan [mevrouw 1], blijkt dat [mevrouw 1] eveneens betrokken was bij de aanschaf van douchedeuren voor het appartement. Op 2 november 2000 is van een bankrekening van [vennootschap 10] het factuurbedrag van BEF 45.881 (NLG 2.506,41) overgeboekt naar een rekening op naam van [vennootschap 48];  kosten voor verlichting en meubilair in het appartement zijn eveneens door [vennootschap 10] B.V. voldaan;  de syndicus van het appartementengebouw [residentie], de heer [getuige 14], de vertegenwoordiger van de Vereniging van Eigenaars (VVE), heeft verklaard dat [medeverdachte 1] zijn contactpersoon voor het appartement was. Hij heeft alleen [medeverdachte 1] en [mevrouw 1] in relatie tot het appartement gezien. [medeverdachte 1] is volgens hem bij iedere algemene vergadering van de Vereniging van Eigenaars aanwezig geweest. Bij zijn weten werd er niet door andere personen gebruik gemaakt van het appartement. Wanneer hem een tweetal foto’s van de verdachte worden getoond, verklaart de syndicus dat hij die persoon nog nooit heeft gezien;  de maandelijkse bijdragen aan de VVE voor de gemeenschappelijke onkosten van het appartementencomplex zijn in 2001 en 2002 voor rekening van [vennootschap 10] gekomen, alsmede kosten voor gebruik van water en elektriciteit in 2001 en abonnementskosten voor kabelcommunicatie in 2001 en 2002;  een medebewoonster van het appartementencomplex verklaart dat zij [medeverdachte 1] en [mevrouw 1] als de bewoners van het appartement kent. Wanneer haar een tweetal foto’s van de verdachte wordt getoond, verklaart ze die persoon nog nooit te hebben gezien. Zijn gezicht komt haar wel bekend voor, maar dan van televisie of uit de krant;  de makelaar [getuige 12] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem een paar maanden voor de verkoop - in april 2002 - heeft gebeld met de mededeling dat het appartement verkocht kon worden. Als reden gaf [medeverdachte 1] op dat hij en [mevrouw 1] weinig in het appartement waren. Ze maakten er weinig gebruik van. De makelaar is vervolgens bij [medeverdachte 1] langsgegaan om een prijsopgaaf te maken, waarna het appartement vrijwel direct in de verkoop is gegaan. [Medeverdachte 1] was bij de verkoopactiviteiten de contactpersoon van de makelaar. Op 23 december 2002 is de verkoopakte bij de notaris verleden. Bij de verkoop van de woning zijn tevens roerende zaken meeverkocht (keuken met apparatuur, bureau en boekenkast). Dit is in onderling overleg tussen [medeverdachte 1] en de koper bepaald. De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] in de periode 2001/2002 gebruik maakte van het appartement. Als verrekening voor het gebruik heeft [medeverdachte 1] gas, licht en de werkster betaald. De afspraak was dat [medeverdachte 1] ook het water zou betalen, maar het water ging via een centrale meter en werd uiteindelijk verrekend en door [vennootschap 10] betaald. De verdachte heeft over de kosten die [medeverdachte 1] voor zijn rekening heeft genomen ter terechtzitting in eerste aanleg voorts verklaard: “Hij [het hof begrijpt: [medeverdachte 1]] zei toen een vergoeding te willen betalen voor het gebruik, om de schijn van belangenverstrengeling tegen te gaan.” Als getuige in de strafzaak van de medeverdachte [medeverdachte 1] in eerste aanleg heeft de verdachte dit eveneens verklaard: “[medeverdachte 1] wilde persé deze kosten betalen omdat hij alle schijn van belangenverstrengeling wilde tegengaan.” Daarmee geconfronteerd tijdens het verhoor door de FIOD op 16 juni 2009 in zijn eigen strafzaak, heeft de verdachte verklaard volledig bij die verklaring te blijven. [Medeverdachte 1] was in de periode dat hij van het appartement gebruik heeft gemaakt, te weten van begin 2001 tot en met (uiterlijk) augustus 2002, ambtenaar, namelijk hoofd van de gemeentelijke tak van dienst [vennootschap 1]. Ten aanzien van de geldbedragen  Op 10 februari 2000 heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] een rekening geopend bij de [bank 7] ([bank 7]) te Zürich in Zwitserland en daarop een contant bedrag van 10.000 Zwitserse franken gestort. Het nummer van de bankrekening is [nummer]; de rekening is niet voor derden kenbaar op naam gesteld;  vanaf een bankrekening van [vennootschap 11], een op Curaçao gevestigde vennootschap van de verdachte, is drie maal een bedrag overgeboekt naar genoemde rekening bij [bank 7], te weten: o op 16 maart 2001 een bedrag van (fl. 100.000,--, omgerekend:) € 45.359,55; o op 25 januari 2002 een bedrag van € 667.000,-- en o op 13 november 2002 een bedrag van € 500.000,--;  in totaal levert dit een bedrag op van € 1.212.359,55; Bij geen van deze drie overboekingen is een omschrijving opgenomen op het overschrijvingsformulier of het rekeningafschrift van [bank 7];  vanaf de genoemde [bank 7]-rekening zijn door [medeverdachte 1] diverse bedragen afgeschreven. In de periode van 8 juni 2001 tot en met 31 maart 2004 is acht maal contant geld opgenomen, voor een totaalbedrag van € 164.613,41. Tevens zijn er in de periode van 16 juli 2001 tot en met 17 februari 2003 eenentwintig afboekingen via een creditkaart geweest, voor een totaalbedrag van € 28.069,11. Voorts hebben in de periode van 21 december 2001 tot 3 juni 2004 acht overboekingen naar andere rekeningen plaatsgevonden voor een totaalbedrag van (voor zover hier van belang) € 222.621,59. Ook vinden op de rekening diverse depositotransacties plaats. De renteopbrengsten daarvan bedragen € 49.027,67. Ten slotte is op 31 juli 2003 voor een bedrag van € 193.086,74 aandelen Koninklijke Olie gekocht, die weer zijn verkocht op 18 mei 2004; de opbrengst hiervan (koerswinst en dividend) bedraagt € 9.754,60;  nadat in opdracht van [medeverdachte 1] op 26 mei 2004 en 1 juni 2004 bedragen van € 500.000,--, respectievelijk (het dan resterende saldo van) € 517.520,-- zonder omschrijving zijn overgemaakt van zijn rekening bij [bank 7] naar een rekening van [getuige 16] bij de [bank 9] te Geneve, Zwitserland, heeft [medeverdachte 1] [bank 7] op laatstgenoemde datum tevens verzocht zijn rekening op te heffen en al het relevante materiaal te vernietigen. De rekening is per 6 juli 2004 opgeheven. De verdachte was toen hij de geldbedragen ontving, te weten op 16 maart 2001, 25 januari 2002 en 13 november 2002, ambtenaar, namelijk hoofd van de gemeentelijke tak van dienst [vennootschap 1]. Ten aanzien van de relatie tussen de verdachte en [medeverdachte 1]. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 april 2013 heeft de verdachte verklaard dat hij [medeverdachte 1] in 1994 heeft leren kennen. [medeverdachte 1] was toen algemeen directeur van het [vennootschap 1]. Het betrof de ‘sale and lease back’ van onroerend goed tussen [vennootschap 3] en de [groep]. Er was een probleem ten aanzien van potentiële grondvervuiling. [Groep] kocht de grond en gebouwen en zou daarnaast een bedrag storten in een zogenoemde ESF-pot ten behoeve van de grondvervuiling. Dat bedrag vond het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onvoldoende. Het Ministerie schatte de vervuilingskosten veel hoger. Het ging om een bedrag van 132 miljoen aan potentiële garanties. Toen kwam het Ministerie van Economische Zaken met het [vennootschap 2] en werd [medeverdachte 1] ‘opgetrommeld’. [medeverdachte 1] nam de beslissing die garantie op zich te nemen. Zodoende werd de hele zaak ‘afgedeald’ en getekend door alle partijen. De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] besliste zonder ruggespraak met de gemeente, dat het vrij soepel ging en dat hij het een heel bijzondere situatie vond. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verder verklaard dat hij [medeverdachte 1] na 1994 vrij weinig heeft gezien. Begin 1999 werd een lening van het [vennootschap 2] verkregen ten behoeve van de Europese assemblagefabriek voor [vennootschap 24] op de Maasvlakte. Dit in verband met een stimulans voor de maakindustrie in Nederland. Dit was een lening van omgerekend vijf miljoen dollar. De verdachte heeft verklaard dat hij in die periode dus veel meer contact met [medeverdachte 1] had. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg nog verklaard: “Later heb ik veel meer contact met hem gekregen, we zaten snel op één lijn. Ik was in Nederland voorstander van het hebben en houden van de maakindustrie. (…) In [medeverdachte 1] vond ik een medestander voor de maakindustrie, hij zag daar een meerwaarde in voor de haven. (…) Onze visies kwamen volledig overeen, we spraken daar met zoveel woorden over.” Over de positie van [medeverdachte 1] bij het [vennootschap 2] heeft de verdachte op 11 september 2012 bij rechter-commissaris verklaard: “De situatie zat zo dat ik op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte 1] niet alleen laat ik zeggen in theorie veel macht was gegeven in Rotterdam maar ook praktisch. De praktische invulling van de macht, en dan heb ik het over financiële macht van [medeverdachte 1], was gegeven doordat in 2000 het [vennootschap 2] onder laat ik zeggen het toenmalig college en met medeweten en instemming van het toenmalig college PMR, Participatie Maatschappij Rotterdam, eigenlijk opgedoekt is en opgericht is de [vennootschap 25]. [vennootschap 25] was directeur [medeverdachte 1] en als [medeverdachte 1] kon hij alles doen wat hij wilde binnen [vennootschap 25] mits hij toestemming had van één man en dat was zijn aandeelhouder. Zijn aandeelhouder was het [vennootschap 2] Rotterdam. Mits [medeverdachte 1] als directeur van [vennootschap 25] toestemming kreeg van zijn aandeelhouder, [medeverdachte 1], directeur [vennootschap 2], kon hij financieel alles doen wat hij wilde. Dat was de regeling die geïnstitutionaliseerd was om [medeverdachte 1] alle macht te geven die hij nodig had op financieel gebied om te doen wat [medeverdachte 1] in het belang van Rotterdam achtte. Dat was de invulling waarom [medeverdachte 1] een hele bijzondere positie had als ambtenaar in Nederland. Er was nergens zoiets geïnstitutionaliseerd. Zonder enig toezicht, zonder enige controle, [medeverdachte 1] geeft toestemming aan [medeverdachte 1] om te doen wat hij wil.” Op een vraag van de rechter-commissaris mr. Kalk, heeft de verdachte in aanvulling op het vorenstaande gedeelte uit zijn verklaring nog verklaard: “Mag ik misschien dan nog even zeggen hoe ik erbij kom, omdat [medeverdachte 1] mijn eerste probleem heeft opgelost in 1995 door 140 miljoen garantie te geven aan me toen ik een probleem had met de Staat der Nederlanden, met het ministerie VROM en het ministerie van Financiën over de verkoop van de terreinen van [vennootschap 3] (…). (…) Dat probleem is opgelost omdat [medeverdachte 1] namens het [vennootschap 2] de garantie heeft gegeven dat als de vervuiling over een bepaalde minimale waarde heenging hij voor 140 miljoen garant zou gaan staan met het [vennootschap 2]. Dat was de manier waarop mijn eerste invulling is gekomen daarvan. Later is dat gesanctioneerd door allerlei bestuursorganen. Maar [medeverdachte 1] heeft zijn nek uitgestoken en [medeverdachte 1] is het commitment aangegaan.” Beoordeling Ten aanzien van het appartement Uit voormelde feiten en omstandigheden blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] en zijn toenmalige partner het appartement volledig naar hun smaak en inzicht hebben kunnen uitrusten en inrichten. De kosten hiervan, alsmede de aankoopkosten van het appartement, zijn voor rekening gekomen van [vennootschap 10], van welk bedrijf de verdachte enig aandeelhouder en directeur was. Op basis van voormelde feiten en omstandigheden is tevens aannemelijk dat [medeverdachte 1] en zijn toenmalige partner een vrijwel exclusief gebruiksrecht van het appartement hadden. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben verklaard dat [medeverdachte 1] de kosten voor gas en licht voor zijn rekening nam en de werkster betaalde. Een reële vergoeding voor het gebruik van het appartement acht het hof de gestelde (maar in het kader van deze strafzaak niet vastgestelde) betalingen voor gas, licht en de werkster niet. Dat het gebruik van het appartement - (vrijwel) om niet - voor [medeverdachte 1] waarde had spreekt naar het oordeel van het hof voor zich. Dit spreekt te meer nu het appartement, zoals overwogen, volledig op de wensen van [medeverdachte 1] en zijn toenmalige partner was afgestemd. De omstandigheid dat [medeverdachte 1] in Antwerpen redelijk anoniem met zijn nieuwe partner kon samenzijn, gaf het appartement voor hem eveneens toegevoegde waarde. De verdachte was daarvan op de hoogte. Aldus heeft de verdachte, naar het oordeel van het hof, door het in gebruik geven van het appartement, aan [medeverdachte 1] een gift gedaan. Ten aanzien van de geldbedragen. Ook ten aanzien van de vraag of het door [vennootschap 11] (verder in dit verband ook: [vennootschap 11]) naar de [bank 7]-rekening van de medeverdachte [medeverdachte 1] overgemaakte bedrag van totaal € 1.212.359,55 (verder te noemen: 1,2 miljoen euro) moet worden aangemerkt als een gift in de hiervoor bedoelde zin, van de verdachte aan [medeverdachte 1], is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitvoerig gedebatteerd. In dat debat stond de kwestie centraal of de hiervoor genoemde overboekingen in mei en juni 2004 door [medeverdachte 1] van (€ 500.000,-- plus € 517.520,-- is totaal:) € 1.017.520,-- naar de rekening van [getuige 16] hun grondslag hadden in een tussen [vennootschap 3], vertegenwoordigd door de verdachte enerzijds en [getuige 16], dan wel diens onderneming [vennootschap 42], anderzijds gesloten overeenkomst met als datum 15 januari 2002 (D/3153). Het Openbaar Ministerie staat – kort samengevat – op het standpunt dat die overeenkomst (in het dossier veelal als ‘consultancy agreement’ aangeduid) geantedateerd is en ook overigens valselijk is opgemaakt. De overeenkomst zou onderdeel zijn van een schijnconstructie en pas achteraf, namelijk omstreeks juni 2004 zijn opgemaakt met de bedoeling om te verhullen dat het naar de Zwitserse bankrekening overgemaakte bedrag van 1,2 miljoen euro in werkelijkheid een gift van de verdachte aan [medeverdachte 1] was. In het verlengde hiervan heeft het Openbaar Ministerie voorts gemotiveerd gesteld dat van het door [medeverdachte 1] aan [getuige 16] betaalde bedrag van € 1.017.520,-- via omwegen uiteindelijk alsnog een bedrag van ten minste € 524.000,- aantoonbaar aan [medeverdachte 1] ten goede is gekomen. De verdediging heeft deze stellingen van het Openbaar Ministerie met tal van argumenten betwist. De kern van die betwisting is dat de in de Egyptische marineleiding goed ingevoerde en invloedrijke Egyptenaar [getuige 16] bij uitstek de geschikte persoon was om te kunnen bewerkstelligen, althans faciliteren, dat [vennootschap 3] door haar te produceren duikboten van de Zwaardvis-klasse zou kunnen verkopen aan de Egyptische overheid. Met het oog daarop heeft [vennootschap 3] zich bij de ‘consultancy agreement’ jegens [getuige 16] als vergoeding voor zijn diensten verbonden tot betaling van (onder meer) een ‘non-refundable prepayment’ ter hoogte van € 1.200.000,--. Omdat de verdachte deze [getuige 16], een vriend en zakenrelatie van [medeverdachte 1], in 2002 nog niet goed kende, heeft hij met [medeverdachte 1] afgesproken dat hij het bedrag van 1,2 miljoen euro tijdelijk op meergenoemde Zwitserse bankrekening van [medeverdachte 1] zou storten, waarna deze, als de tijd daarvoor gekomen zou zijn, het bedrag in opdracht van de verdachte zou doorbetalen aan [getuige 16]. Aldus is geschied in mei/juni 2004. De verdachte bestrijdt met klem dat uit dat doorbetaalde bedrag nadien enige betaling door [getuige 16] is gedaan die direct of indirect aan [medeverdachte 1] ten goede is gekomen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Vast staat dat meergenoemd geldbedrag door [vennootschap 3] aan [medeverdachte 1] is overgemaakt. Het is evenwel niet aannemelijk geworden dat het bedrag van 1,2 miljoen euro niet voor [medeverdachte 1] bestemd was. Een aantal omstandigheden is daarvoor van belang. De gang van zaken geschetst door de verdachte is niet voor de hand liggend. Waarom per se via medeverdachte [medeverdachte 1] – als [functie medeverdachte 1] daarvoor toch niet de eerst aangewezen persoon - aan [getuige 16] betaald moest worden (terwijl dit ook bijvoorbeeld via een derdenrekening, desnoods in het buitenland, had gekund) is niet aannemelijk geworden; uit de wijze waarop de overschrijvingen naar [medeverdachte 1] zijn gedaan voor een bedrag van in totaal ruim € 1,2 miljoen – enige de overschrijving vergezellende omschrijving ontbreekt - blijkt niet van een betaling bestemd voor [getuige 16]; [medeverdachte 1] heeft het bestaan van de Zwitserse [bank 7]-rekening voor anderen geheim gehouden. Wel heeft hij [gemachtigde bankrekening] gevraagd of die gemachtigde wilde worden voor zijn rekening in Zwitserland en hem op 7 oktober 2003 daadwerkelijk gemachtigd; hij had tegen [gemachtigde bankrekening] gezegd dat niemand van deze rekening afwist, dat het geld op die rekening afkomstig was van door hem in zijn vorige functie ontvangen bonussen, bestemd om na zijn overlijden verdeeld te worden over zijn vriendin, zijn ex-vrouw en zijn familie bij een plotseling overlijden van hemzelf ([medeverdachte 1]). Over [getuige 16] heeft [medeverdachte 1] niet gerept. De machtiging en hetgeen [medeverdachte 1] vertelde aan [gemachtigde bankrekening] sporen niet met de door de verdediging geschetste gang van zaken; ook spoort hiermee niet het opheffen van de rekening (definitief in juli 2004); [medeverdachte 4] – vele jaren de persoonlijk secretaresse en rechterhand van de verdachte - was niet op de hoogte van de consultancy-overeenkomst; zij heeft de naam [getuige 16] pas in 2004 gehoord; onder meer op grond van bestandsgegevens van een digitale versie van de consultancy-overeenkomst, die is aangetroffen op de laptop van [medeverdachte 4], bestaan er sterke aanwijzingen dat de overeenkomst niet al op 15 januari 2002 doch in de periode van 27 mei 2004 tot 5 juni 2004 is opgemaakt; [directeur vennootschap 14] (verder: [directeur vennootschap 14]), directeur van [vennootschap 14] en in die hoedanigheid nauw betrokken bij pogingen om onderzeeërs aan Egypte te leveren, heeft nooit van [getuige 16] gehoord en kende uitsluitend [agent] als agent in Egypte; volgens [directeur vennootschap 14] was [agent] een heel invloedrijk man, die voor contacten op hoog niveau kon zorgen en hij had de indruk dat de verdachte erg gelukkig was met deze agent; de naam [getuige 16] komt in de periode 2002-2004 in de agenda van de verdachte niet voor; in de administratie van [vennootschap 11] is geen exemplaar van de consultancy-agreement aangetroffen; door de verdachte, [medeverdachte 1] en [getuige 16] zijn onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd over aspecten van de consultancy-agreement; de verdachte heeft verklaard dat het terugtrekken van het Amerikaanse bedrijf [vennootschap 43] uit het consortium waarvan ook [vennootschap 14] deel uitmaakte – in de tweede helft van 2001 – de aanleiding was om met [getuige 16] in zee te gaan. Volgens [getuige 16] was het terugtrekken van [vennootschap 43], welke gebeurtenis hij in 2003 plaatst, de aanleiding om te concluderen dat hij geen succes voor [vennootschap 3] zou kunnen boeken en om tot beëindiging van de consultancy-agreement te komen; [getuige 16] heeft verklaard dat de verdachte hem een vergoeding van € 1 miljoen zou betalen; de verdachte en [medeverdachte 1] hebben verklaard dat er € 1,2 miljoen aan [getuige 16] moest worden betaald; de verdachte heeft verklaard dat hij, [medeverdachte 1] en [getuige 16] samen een afspraak hebben gemaakt dat de vergoedingen voor [getuige 16] via de Zwitserse bankrekening van [medeverdachte 1] zouden lopen; [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij niet bij de besp]rekingen is geweest en dat hij niet weet wat de verdachte en [getuige 16] hebben afgesproken; [getuige 16] heeft niet verklaard over betalingen aan hem via een bankrekening van [medeverdachte 1]; hij heeft verklaard dat hij in 2003 aan de verdachte heeft kenbaar gemaakt dat hij dacht geen succes te zullen hebben en dat zijn kosten op ongeveer € 1 miljoen zouden uitkomen; hij zou toen op verzoek van de verdachte een factuur aan [vennootschap 11] hebben verzonden, waarop in 2004 is uitbetaald; de betalingen van [medeverdachte 1] aan [getuige 16] zijn in elk geval niet binnen de termijnen genoemd in de consultancy-agreement betaald, maar aanzienlijk later; uit het rekeningoverzichten en de geldstromen die via de [bank 7]-rekening van [medeverdachte 1] zijn gelopen valt op te maken dat [medeverdachte 1] vrij heeft beschikt over de gelden op die rekening; Niet aannemelijk is tenslotte geworden dat de verdachte € 1,2 miljoen zou hebben betaald aan een derde, die geen enkel succes heeft geboekt voor het bedrijf van de verdachte en van wie ook niet te verwachten viel dat hem dat in de toekomst nog zou lukken. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden acht het hof de door de verdediging gegeven uitleg over de betalingen op de rekening van [medeverdachte 1] niet aannemelijk geworden en moet het ervoor gehouden worden dat de gestelde consultancy-agreement met [getuige 16] in feite niet heeft bestaan. Deze overeenkomst is achteraf verzonnen en vastgelegd in een geantedateerd stuk, toen inmiddels ernstig rekening gehouden moest worden met het aan het licht komen van de financiële verbondenheid van het [vennootschap 1]/[vennootschap 2] met de [concern] die in de loop van de voorgaande jaren was ontstaan. De rekening is opgeheven en met een valse voorstelling van zaken is getracht alsnog een dekking te creëren voor de betalingen op die rekening die in 2001 en 2002 hadden plaatsgevonden. Of uit het door [medeverdachte 1] aan [getuige 16] betaalde totaalbedrag nadien enige betaling door [getuige 16] is gedaan die direct of indirect aan [medeverdachte 1] ten goede is gekomen is – gelet op hetgeen hierboven is overwogen - niet relevant. Het hof zal het verweer op dat punt onbesproken laten. Het hof verwerpt het verweer. De door de verdachte verrichte stortingen op de Zwitserse bankrekening van [medeverdachte 1] moeten worden aangemerkt als giften voor een bedrag van in totaal € 1,2 miljoen. In dit oordeel ligt besloten dat er geen noodzaak is voor toewijzing van het verzoek van de verdediging tot voeging bij de processtukken van de correspondentie uit februari 2015 tussen de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte 1], mr. H.W.A.A. de Jong, en [getuige 17], noch van het subsidiaire verzoek tot het horen van [getuige 17] als getuige. Het hof wijst die verzoeken af. Voorkeursbehandeling? Vervolgens is de vraag aan de orde of bij het doen van de giften het oogmerk van de verdachte was gericht op (een) concrete tegenprestatie(
  23. s)van [medeverdachte 1], dan wel op het doen ontstaan van een zodanig speciale relatie met [medeverdachte 1] dat die zou leiden tot een voorkeursbehandeling. Van belang in dit verband is dat de eerste zakelijke contacten tussen [medeverdachte 1], als hoofd van de gemeentelijke tak van dienst [vennootschap 1], en (het [concern] van) de verdachte in 1994 plaatsvonden. Uit verdachtes verklaring daaromtrent blijkt dat [medeverdachte 1] bij de oplossing van een mogelijke bodemverontreiniging een doorslaggevende rol heeft gespeeld en dat dit indruk op de verdachte heeft gemaakt. In 1999 werd van het [vennootschap 2] vervolgens een lening voor [vennootschap 24] verkregen. Dat leidde ertoe dat de verdachte veel meer contact met [medeverdachte 1] had. Uit hetgeen de verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard, leidt het hof af dat het voor hem zeer duidelijk was dat [medeverdachte

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.