GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.167.576/01 Rolnummer rechtbank : C/10/472323/ KG ZA 15-297 Arrest van 21 juli 2015 in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast te Den Haag, tegen BOUWINVEST DUTCH INSTITUTIONAL RESIDENTIAL FUND N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: Bouwinvest, advocaat: mr. E.G.M. van den Heuvel te Breda. Het geding Voor het geding tot 19 mei 2015 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen is gelast. Eerder was al het verzoek spoedappel toegewezen. Bouwinvest heeft op 12 mei 2015 de memorie van antwoord (met producties) genomen. De comparitie heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015, en wel gelijktijdig met de comparitie na aanbrengen in de bodemzaak (met zaaknummer 200.167.778/01). In beide zaken is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. In de onderhavige kort gedingprocedure in hoger beroep is arrest bepaald, terwijl de bodemzaak naar de rol is verwezen voor memorie van grieven. Beoordeling van de vordering Kort en zakelijk weergegeven en voor zover in dit kort geding van belang, gaat het om het volgende. (1.1) [appellante] huurt samen met haar gewezen partner (hierna: de man) de woning aan de [adres] (hierna: de woning) tegen een huurprijs van laatstelijk € 1.453,-- per maand. De man heeft de woning in augustus 2013 verlaten. [appellante] is met haar beide kinderen in de woning blijven wonen. (1.2) Bij vonnis op tegenspraak in de bodemzaak van 13 februari 2015 (hierna: het bodemvonnis) heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam op vordering van Bouwinvest als verhuurster de huurovereenkomst wegens huurachterstand ontbonden en de ontruiming van de woning gelast, en wel op een termijn van 28 dagen na betekening van het vonnis. [appellante] heeft bij exploot van dagvaarding van 10 maart 2015 hoger beroep ingesteld tegen het bodemvonnis. (1.3) [appellante] heeft vervolgens bij exploot van dagvaarding van 20 maart 2015 een kort geding procedure aangespannen tegen Bouwinvest waarbij zij heeft gevorderd, primair de ontruiming te verbieden, subsidiair de ontruiming op te schorten. (1.4) Bij het thans bestreden vonnis van 23 maart 2015 heeft de voorzieningenrechter deze vorderingen afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe, kort weergegeven, overwogen dat er geen sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het bodemvonnis, noch van een noodtoestand veroorzaakt door na het bodemvonnis voorgevallen feiten. Van misbruik van (executie)bevoegdheid is volgens de voorzieningenrechter geen sprake, waarbij de voorzieningenrechter het belang van [appellante] om met haar kinderen in de woning te kunnen blijven wonen heeft afgezet tegen het belang van Bouwinvest om haar executiebevoegdheid uit te oefenen.(1.5) Bouwinvest heeft vervolgens op 24 maart 2015 de woning doen ontruimen. [appellante] is tijdig in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter. Zij vordert in de dagvaarding in hoger beroep, vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van Bouwinvest. Dit laatste berust, naar het hof begrijpt, op een kennelijke vergissing. Het hof zal de vordering opvatten als een vordering tot alsnog toewijzing van het in eerste aanleg in kort geding gevorderde. Grieven 1 en 2 bevatten als klacht dat er sprake is van een feitelijke misslag. Grief 3 bevat als stelling dat er wel degelijk sprake is van een noodtoestand, terwijl grief 4 als strekking heeft dat er sprake is van misbruik van recht.Beoordeling van de grieven. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. De betreffende partij mag die bevoegdheid om tot executie over te gaan echter niet misbruiken. Van een dergelijk misbruik kan ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan volgens het genoemde artikellid van misbruik van bevoegdheid sprake zijn indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen. Ook de voorzieningenrechter is van deze maatstaf uitgegaan. Dienovereenkomstig is in vaste rechtspraak aanvaard dat de rechter slechts dan de tenuitvoerlegging van een vonnis kan schorsen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan dan wel misbruik maakt van de bevoegdheid tot executie. Hiervan kan met name sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (zie HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575; HR 24 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0646; HR 30 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.