GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-14/01625 en BK-14/01638 tot en met BK-14/01658 uitspraak d.d. 17 juni 2015 in het geding tussen: [X] , handelende onder de naam [Y] te [Z], belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente [A 1], de heffingsambtenaar, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2014, nummer SGR 13/10275 (hierna: de rechtbank) betreffende de onder 1.1 vermelde beschikkingen en aanslagen. Beschikkingen, aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende bij op één biljet verenigde beschikkingen op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarden op 1 januari 2012 (hierna: de waardepeildatum) van de hieronder in de linkerkolom vermelde onroerende zaken (hierna: de onroerende zaken) voor het kalenderjaar 2013 vastgesteld op de hieronder in de rechterkolom vermelde waarden (hierna: de beschikkingen). [1], [A 1] € 855.000 [2], [A 1] € 641.000 [3], [A 1] € 332.000 [4], [A 1] € 382.000 [5], [A 1] € 195.000 [6], [A 1] € 377.000 [7], [A 1] € 264.000 [8], [A 1] € 935.000 [9], [A 1] € 507.000 [10], [A 1] € 1.940.000 [11], [A 1] € 1.061.000 [12], [A 1] € 701.000 [13], [A 1] € 2.392.000 [14], [A 1] € 6.997.000 [15], [A 1] € 691.000 [16], [A 1] € 211.000 [17], [A 1] € 3.524.000 [18], [A 1] € 435.000 [19], [A 1] € 288.000 [20], [A 1] € 255.000 [21], [A 1] € 439.000 [22], [A 1] € 78.000 In totaal € 23.500.000 Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende ter zake van de eigendommen voor het jaar 2013 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [A 1] (hierna: de aanslagen). 1.2. De heffingsambtenaar heeft de tegen de beschikkingen en aanslagen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. 1.4. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking aldus gewijzigd dat de vastgestelde waarde nader is vastgesteld op € 19.838.000, de aanslag dienovereenkomstig verminderd, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.217 en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 318 aan belanghebbende te vergoeden. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 493. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 mei 2015. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende en vijf anderen nemen deel in de [Y] (hierna: de maatschap), die is opgericht op 20 oktober 2010. Ieder van de zes maten is voor een zesde deel eigenaar van de onroerende zaken. 3.2. De onroerende zaken maken deel uit van een in 1990 gebouwd kantoorgebouw met in de plint een aantal winkelruimten, genaamd ‘[A 2]’ (hierna: het gebouw). Het gebouw, dat is gelegen op een perceel van 1.94.10 hectare, kadastraal object [A 1] [… 1], is opgetrokken in 2 tot 5 bouwlagen. Op de begane grond is het op diverse plaatsen uitgebouwd. De kantoren en winkels bevinden zich in de noordoost-vleugel van het gebouw. In deze vleugel bevindt zich een onderdoorgang naar de achterzijde van het gebouw en het parkeerterrein. De noordwestvleugel van het gebouw bestaat uit bedrijfsruimten met bovengelegen kantoorruimten. De bedrijfsruimten zijn afsluitbaar door middel van een overheaddeur. De uitbreiding aan de linker gevelzijde van het gebouw heeft een eigen entree. De winkelruimten zijn ingericht en in gebruik als speciaalzaak. Op de begane grond bevinden zich de gemeenschappelijke entrees, met liften en trappen naar de verdiepingen. Per verdieping zijn er meerdere toiletgroepen en een pantry. De kantoorruimten zijn flexibel indeelbaar. Het gebouw ligt op circa 150 meter afstand van de rijksweg A13 ([… 2]). 3.3. De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd, gedateerd 2 september 2013 en opgemaakt door ing. [B], WOZ-taxateur te [A 1]. Bij de waardebepaling is de huurwaardekapitalisatiemethode toegepast. Het taxatierapport bevat onder meer twee overzichten en een ‘Rekenblad Bruto Aanvangsrendement’. In het eerste overzicht is per onroerende zaak vermeld of de onroerende zaak is verhuurd en zo ja aan wie en voor welke huur (huur op waardepeildatum). Het tweede overzicht geeft de opbouw van de vastgestelde waarden van de onroerende zaken weer: oppervlakten in m2, huurwaarde per m2, huurwaardekapitalisatiefactor, rekenhuur en WOZ-waarde. Tevens zijn, voor zover bekend, de werkelijke huren in het overzicht opgenomen. Het ‘Rekenblad Bruto Aanvangsrendement’ bevat de berekening van de bij de waardebepaling van de kantoren gebruikte huurwaardekapitalisatiefactor van 9,5. Voor de winkels is uitgegaan van een huurwaardekapitalisatiefactor van 10. Wat betreft de brutohuurwaarde zijn in het taxatierapport de volgende “extra referenties” genoemd: Object Huurprijs/m2 Ligging vergeleken met die van het gebouw [31] € 99 minder [32] € 157 gelijk [33] € 118 minder De huurwaardekapitalisatiefactor van 9,5 voor de kantoren is in het taxatierapport als volgt onderbouwd: Component Percentage/ factor Basisrendement Risicovrij rendement 2,20 % Risico-opslag 4,00 % Yield Basisrendement plus risico-opslag 6,20 % Netto kapitalisatiefactor 100/Yield 16,1 Exploitatielasten Onderhoudskosten Vaste lasten Beheerskosten Leegstandsrisico Totaal in procenten van de huur 4,00 % 3,00 % 1,50 % 29,00 % 37,50 % Netto huur als percentage van de brutohuur 100% minus totaal exploitatielasten 62,50 % Bruto kapitalisatiefactor (voor correctie kosten koper) Netto kapitalisatiefactor x 62,50 % 10,1 Correctie kosten koper 6,40 % Bruto kapitalisatiefactor (na correctie kosten koper) 100/106,4 x bruto kapitalisatiefactor (afgerond op 1 decimaal) 9,5 3.4. Belanghebbende heeft een taxatierapport overgelegd, gedateerd 21 mei 2014 en opgemaakt door [C] en [D], beiden in dienst van [E]. Bij de waardebepaling is de huurwaardekapitalisatiemethode toegepast. Het taxatierapport bevat onder meer een overzicht en een ‘Rekenblad Bruto Aanvangsrendement’. Het overzicht geeft de opbouw van de getaxeerde waarden van de onroerende zaken weer: oppervlakten in m2, huurwaarde per m2, huurwaardekapitalisatiefactor, huurwaarde en WOZ-waarde. Het ‘Rekenblad Bruto Aanvangsrendement’ bevat de berekening van de bij de waardebepaling van alle onroerende zaken gebruikte huurwaardekapitalisatiefactor van 6,5. In het taxatierapport zijn de volgende “huurreferenties” genoemd: adres plaats aantal m2 v.v.o. huur/m2/jr (in EUR) datum [34] [A 1] 1.945 m2 90,00 01-01-2013 [11] [A 1] 1.064 m2 40,39 01-11-2012 [14] [A 1] 6.614 m2 104,32 01-06-2013 De huurwaardekapitalisatiefactor van 6,5 is in het taxatierapport als volgt onderbouwd: Component Percentage/ factor Basisrendement Risicovrij rendement 2,20 % Risico-opslag 8,00 % Yield Basisrendement plus risico-opslag 10,20 % Netto kapitalisatiefactor 100/Yield 9,8 Exploitatielasten Onderhoudskosten Vaste lasten Beheerskosten Leegstandsrisico Totaal in procenten van de huur 3,90 % 5,30 % 2,50 % 18,20 % 29,08 % Netto huur als percentage van de brutohuur 100% minus totaal exploitatielasten 70,92 % Bruto kapitalisatiefactor (voor correctie kosten koper) Netto kapitalisatiefactor x 70,92 % 6,9 Correctie kosten koper 6,30 % Bruto kapitalisatiefactor (na correctie kosten koper) 100/106,5 x bruto kapitalisatiefactor (afgerond op 1 decimaal) 6,5 Oordeel van de rechtbank 4. De rechtbank heeft het volgende overwogen “7. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een object bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44). 8. [De Heffingsambtenaar] dient aannemelijk te maken dat hij de totale waarde van het [gebouw] niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank acht de door [de Heffingsambtenaar] ter onderbouwing van de gemiddelde huurwaarde aangedragen, onder 6 vermelde, objecten voldoende vergelijkbaar met de bedrijfsruimtes in het [gebouw]. [De Heffingsambtenaar] heeft daarmee, mede gezien de door [belanghebbende] rond de waardepeildatum gevraagde huurprijzen die merendeels hoger zijn dan die gemiddelde huurwaarde, de door hem gehanteerde huurwaarde voldoende aannemelijk gemaakt. [De Heffingsambtenaar] heeft echter niet inzichtelijk gemaakt waarop hij de door hem gehanteerde kapitalisatiefactor van 9,5 voor de kantoorruimtes en 10 voor de winkels /showroom heeft gebaseerd en, tegenover de gemotiveerde weerspreking door [belanghebbende], niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gehanteerde kapitalisatiefactoren juist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is [de Heffingsambtenaar] daarom niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde totale waarde van het [gebouw] juist is. 9. Nu [de Heffingsambtenaar] niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of [belanghebbende] de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank moet ook deze vraag ontkennend worden beantwoord, omdat [belanghebbende] met hetgeen zij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk heeft gemaakt dat per waardepeildatum van een kapitalisatiefactor van 6,5 moet worden uitgegaan. 10. Nu geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank er in is geslaagd het van haar gevergde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank de totale waarde van het [gebouw] op de waardepeildatum schattenderwijs op € 19.838.000 waarvan (afgerond) € 19.760.000 betrekking heeft op de objecten aan de [… 1] en € 78.000 op de [22]. Hierbij is de rechtbank uitgegaan van de door [de Heffingsambtenaar] gehanteerde rekenhuur per object, zoals vermeld in bijlage 2-1 van het verweerschrift, welke rekenhuur is gebaseerd op gemiddelde huurwaarden per m² van tussen de € 80 en € 125 en van een kapitalisatiefactor van 8, welke factor aansluit bij het door [belanghebbende] in de bezwaarfase ingenomen standpunt. [22] is op de hiervoor vermelde bijlage niet gemeld en daarvoor zijn ook geen aparte beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de waarde voor dat object te wijzigen. Dat [22] volgens [belanghebbende] is begrepen in haar berekeningen, leidt niet tot een ander oordeel nu die berekeningen van [belanghebbende] niet worden gevolgd. 11. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de waarde van het [gebouw] alsmede de daarop gebaseerde aanslagen te hoog zijn vastgesteld en is het beroep gegrond verklaard. 12. De rechtbank veroordeelt [de Heffingsambtenaar] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.217 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).” Geschil, standpunten en conclusies 5.1. In hoger beroep is in geschil of de door de rechtbank vastgestelde waarde van de onroerende zaken tezamen te hoog is. 5.2. Voor de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. 5.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar, alsmede vaststelling van de waarden van de onroerende zaken op zodanige bedragen dat het totaal daarvan € 13.139.000 bedraagt. 5.4. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging de uitspraak van de rechtbank en de uitspaken op bezwaar, alsmede vaststelling van de waarden van de onroerende zaken op zodanige bedragen dat het totaal daarvan € 19.838.000 bedraagt. Beoordeling van het geschil Vooraf 6.1. De beschikkingen zijn gegeven en de aanslagen zijn opgelegd aan belanghebbende. De bezwaarschriften zijn ingediend door [F], vastgoedmanager bij [G] B.V. namens de maatschap. Aangezien de maatschap niet degene is tot wie de beschikkingen zich richten en aan wie de aanslagen zijn opgelegd, kon de maatschap ten gevolge van de in artikel 26a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen beperking van de kring van beroepsgerechtigde belanghebbenden geen beroep tegen de beschikkingen en aanslagen instellen noch daaraan voorafgaand tegen de beschikkingen en aanslagen bezwaar maken (artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb). De heffingsambtenaar en de rechtbank hebben de namens de maatschap ingediende bezwaarschriften, onderscheidenlijk beroepschriften, niettemin in behandeling genomen en er inhoudelijk op beslist, kennelijk ervan uitgaande dat de bezwaar- en beroepschriften (mede) namens belanghebbende, handelende onder de naam van de maatschap, zijn ingediend. Partijen hebben ter zitting van het Hof verklaard dat zij er vanuit zijn gegaan dat de bezwaren zijn gemaakt en de beroepen zijn ingesteld door degene die daartoe bevoegd was. Gelet op het een en ander ziet het Hof geen aanleiding om aan de ambiguïteit van de ondertekening van de bezwaar- en beroepschriften en de tenaamstelling van de uitspraken van de heffingsambtenaar en de rechtbank gevolgen te verbinden. Objectafbakening 6.2. De eerste fase in de bepaling van de waarde van een onroerende zaak is de objectafbakening. In deze fase wordt bepaald welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.