GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.164.831/01 beschikking van 19 mei 2015 inzake [verzoeker], wonende te Nijmegen, opposant, advocaat: mr J. de Graaf te Nijmegen, tegen de griffier van het Gerechtshof te Den Haag, geopposeerde, hierna te noemen: de griffier, Het geding Bij het op 15 januari 2015 ter griffie van het hof ingekomen faxbericht is opposante in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van griffierecht ten bedrage van € 1.601,--. De griffier heeft een verweerschrift ingediend. Nadat opposant bij brief van 17 februari 2015 was aangeschreven voor de opgave van verhinderdata in verband met de te plannen mondelinge behandelingen heeft mr. J. de Graaf bij faxbericht van 26 februari 2015 aan het hof kenbaar gemaakt dat opposant af ziet van het recht op een mondelinge behandeling en de voorkeur geeft aan een spoedige beslissing in de zaak. De mondelinge behandeling heeft mitsdien niet plaatsgevonden. Beoordeling van het hoger beroep 1.1 Bij de beoordeling van het verzet kan van het volgende worden uitgegaan. 1.2 Bij dagvaarding van 2 december 2014 heeft opposant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 10 september 2014 van de rechtbank Den Haag gewezen tussen opposante als eiseres en Unify B.V. (hierna: Unify), voorheen Siemens Enterprise Communications B.V. (hierna: Siemens), als gedaagde. Op de rolzitting van 6 januari 2015 is de zaak aangebracht. De zaak is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.164.831/01. 1.3 Volgens het petitum van de dagvaarding in hoger beroep vordert opposant vernietiging van voornoemd vonnis van de rechtbank Den Haag, en opnieuw rechtdoende, zakelijk weergegeven: - de op 17 mei 2011 tussen hem en Unify gesloten vaststellingsovereenkomst te ontbinden wegens een aan Unify toe te rekenen tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst; - Unify te veroordelen tot betaling aan opposant van de door opposant geleden schade die het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming van Unify, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente; - de vorderingen van Unify af te wijzen. 1.4 Voor deze zaak is een griffierecht van € 1.601,- in rekening gebracht. 2. Opposant verzoekt om herziening van het griffierecht. Hij voert aan dat ofschoon in eerste aanleg het financiële belang inderdaad meer dan € 100.000,-- beliep, in hoger beroep bewust gekozen is een verklaring voor recht te vragen teneinde te voorkomen dat hij zich bij een eventueel verlies van de zaak geconfronteerd ziet met een hoge proceskostenveroordeling. Het gaat daarom anders dan in eerste aanleg om een vordering van onbepaalde waarde. Nu opposant een natuurlijk persoon is, dient het griffierecht op € 308,-- te worden gesteld, aldus opposant. 3. De griffier heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 4.1 Het hof kan opposant in zijn standpunt niet volgen. 4.2 Vooropgesteld wordt dat bij de berekening van het griffierecht in een bij dagvaarding aanhangig gemaakte hoger beroepszaak volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in beginsel moet worden aangeknoopt bij (het bedrag van) de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het hoger beroep zich richt, had te beslissen. Daarbij biedt de wet geen ruimte voor een andere dan de formele uitleg van de vordering en mag de griffier bij de bepaling van het griffierecht niet door de vordering heen kijken (o.a. HR 27 september 2002, NJ 2002, 533). Dit is anders indien het hoger beroep zich beperkt tot een deel van de oorspronkelijke vordering (HR 8 februari 2005, NJ 2005, 227). Hoewel de bedoelde jurisprudentie dateert uit de periode waarin de Wet tarieven in burgerlijke zaken nog van toepassing was, zijn er geen aanwijzingen dat binnen de huidige wettelijke regeling, de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), een ander uitgangspunt dient te worden gehanteerd. 4.3 Blijkens het bestreden vonnis diende de rechtbank (in conventie) te beslissen over (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.