GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.154.814/01 Zaaknummer rechtbank : 2118717 \ CV EXPL 13-3638 arrest van 13 oktober 2015 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. M.J. de Jong te Leiden, tegen [geïntimeerde] h.o.d.n. Loonbedrijf Boys, wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. A. Schippers te Den Haag. Het geding Bij exploot van 21 augustus 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van door de rechtbank Den Haag team kanton, locatie Leiden (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnissen van 4 december 2013 (hierna: tussenvonnis) en 21 mei 2014 (hierna: het eindvonnis). Bij arrest van 23 september 2014 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014. Van de comparitie is proces verbaal gemaakt. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met een productie heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd ter fine van arrest. Beoordeling van het hoger beroep 2.1. Geen grieven zijn gericht tegen het tussenvonnis. In zoverre dient [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. 2.2. De door de rechtbank in het tussenvonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. 2.3. Het gaat in deze zaak om het volgende: [geïntimeerde] heeft als zelfstandige zonder personeel, in opdracht en voor rekening van [appellant] , in week 17 tot en met 21 van 2012 werkzaamheden verricht. [geïntimeerde] heeft de verrichte werkzaamheden middels drie facturen bij [appellant] in rekening gebracht. [appellant] heeft de laatste twee facturen volledig betaald. Van de eerste factuur van € 1.906,38 heeft [appellant] per bank € 106,38 overgemaakt met daarbij de vermelding ‘per kas voldaan 1800 euro’. 2.4. In deze procedure heeft [geïntimeerde] betaling van € 1.800 gevorderd, met rente en kosten. De kantonrechter heeft [appellant] bij verstekvonnis van 8 mei 2013 veroordeeld tot betaling hiervan. Tegen dit vonnis is [appellant] in verzet gekomen. In de verzetprocedure heeft de kantonrechter, na getuigenbewijs, het verstekvonnis bekrachtigd. 2.5. In hoger beroep is kern van de grieven I tot en met IV dat de kantonrechter het door [appellant] geleverde bewijs dat hij € 1.800 aan [geïntimeerde] heeft betaald niet juist heeft gewaardeerd. Het hof begrijpt dat [appellant] het hof vraagt het bewijs opnieuw te waarderen. 2.6. [geïntimeerde] heeft de gestelde betaling betwist. De bewijslast voor de betaling rust daarmee op [appellant] , die ook bewijs heeft aangeboden. Terecht – en daartegen is ook geen grief gericht – heeft de kantonrechter hem daarom tot dat bewijs toegelaten. 2.7. Met betrekking tot het bewijs stelt [appellant] in hoger beroep allereerst dat de kantonrechter had moeten meewegen dat hij bij de betaling per bank van de onder 2.3. genoemde € 106,38 heeft vermeld ‘per kas voldaan 1800 euro’. Deze vermelding levert echter geen bewijs op van de betaling nu deze door [appellant] zelf is gedaan. Voorts heeft [geïntimeerde] daarna een aanmaning verzonden, waaruit [appellant] redelijkerwijs niets anders heeft kunnen opmaken dan dat [geïntimeerde] geen betaling had ontvangen en die wel wenste. Ook als [geïntimeerde] niet zou hebben gereageerd op deze vermelding of als [geïntimeerde] deze aanmaning wat de laatste twee facturen betreft, ten onrechte heeft verzonden omdat die wel voldaan waren, kan dat niet bijdragen tot het bewijs dat de thans gevorderde € 1.800 ook zijn voldaan. De e-mail van 13 november 2012 en de nadere specificatie van de gestelde betaling bij brief van 6 mei 2013 van [appellant] (productie 1 bij memorie van grieven) – zo deze brief al is aangekomen, [geïntimeerde] betwist de ontvangst hiervan – kunnen evenmin dienen als bewijs van betaling, nu deze van [appellant] zelf afkomstig zijn. 2.8. Terecht heeft de kantonrechter dan ook geoordeeld – en ook het hof maakt dit oordeel tot het zijne – dat het bewijs dat [appellant] € 1.800 contant aan [geïntimeerde] heeft voldaan slechts bestaat uit de verklaring van [betrokkene] en de partijverklaring van [appellant] . Voorts heeft de kantonrechter terecht geoordeeld – en ook dit oordeel maakt het hof tot het zijne – dat voor de betalingen van € 150 en € 50 alleen de partijverklaring van [appellant] voorligt. 2.9. In hoger beroep heeft [appellant] voorts gesteld dat de verklaring van [betrokkene] door het hof zwaarder dient te worden gewogen dan de kantonrechter heeft gedaan bij de beoordeling van de vraag of [appellant] € 1.600 contant heeft voldaan. Deze stelling wordt verworpen. [betrokkene] heeft als getuige verklaard dat hij er niet bij is geweest toen [geïntimeerde] geld aan [appellant] (hof: [appellant] ) vroeg. Hij heeft voorts verklaard dat [geïntimeerde] tegen hem heeft verteld dat hij contant geld van [appellant] (hof: [appellant] ) heeft gekregen en dat [geïntimeerde] niet zei welk bedrag hij van [appellant] (hof: [appellant] ) had ontvangen. Terecht heeft de kantonrechter geoordeeld dat deze verklaring in combinatie met de verklaring van [appellant] onvoldoende bewijs is voor betaling van € 1.600 door [appellant] aan [geïntimeerde] . De getuige heeft immers de betaling niet gezien en evenmin weet hij te verklaren om welk bedrag het ging. Dat [geïntimeerde] verschillende verklaringen heeft afgelegd over de auto waarmee voor € 50 getankt was, is voor de betwisting van de ontvangst van het bedrag niet relevant. Het overleggen van een jaarkalender (productie 5 bij memorie van grieven) kan evenmin tot het bewijs bijdragen. 2.10. Het hof voegt hier nog aan toe dat met betrekking tot de verklaringen van Islet en [appellant] geldt dat zij beiden hebben verklaard dat de achtergrond van de contante betaling door [appellant] was dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.