GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel, team familie Zaaknummer : 200.173.953/01 Rol-/zaaknummer rechtbank : 2344094/CV EXPL 13-43231 arrest d.d. 13 oktober 2015 in het incident inzake [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. J.C. Heijmann te Rotterdam, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. R.A. Kamphuis te Leiden. Het geding Bij exploot van 26 juni 2015 heeft de man hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, sector Kanton, van 27 maart 2015, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis. In de appeldagvaarding heeft de man primair een incidentele vordering op grond van artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ingesteld en subsidiair een incidentele vordering op de voet van artikel 235 Rv. Bij memorie van antwoord in het incident heeft de vrouw de incidentele vorderingen bestreden. Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenvonnissen van de rechtbank van 18 juli 2014 en 19 december 2014 en naar het bestreden vonnis. De man heeft zijn procesdossier overgelegd en arrest gevraagd in het incident. Beoordeling van het hoger beroep 1. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 321,04 bruto per maand vanaf 10 maart 2010 ter zake van de verevening van pensioenrechten, tot de dag waarop aan de verplichting tot verevening op een rechtsgeldige wijze een einde komt, met dien verstande dat een verhoging of verlaging van het pensioen tot een overeenkomstige aanpassing van de betalingsverplichting dient te leiden. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde is afgewezen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2. De man vordert in de incidenten primair dat het gerechtshof, uitvoerbaar bij voorraad, op de voet van artikel 351 Rv de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal schorsen, althans subsidiair op de voet van artikel 235 Rv aan de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dat vonnis de voorwaarde zal verbinden dat de vrouw zekerheid dient te stellen tot een door het hof te bepalen bedrag, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de incidenten. 3. De vrouw concludeert tot afwijzing van de incidentele vorderingen van de man en tot veroordeling van de man in de kosten van de incidenten. 4. De man legt aan zijn incidentele vorderingen, kort weergegeven, het volgende ten grondslag. De man bestrijdt het oordeel van de kantonrechter, inhoudende dat de peildatum voor wat betreft de verevening van pensioenrechten dient te worden bepaald op 16 januari 2000. In het tussenvonnis (van 18 juli 2014) overwoog de kantonrechter nog dat deze peildatum moet worden bepaald op 1 januari 1986. Daarmee is de kantonrechter teruggekomen op de door haar gegeven bindende eindbeslissing. Het bestreden vonnis zal, zo verwacht de man, dan ook geen stand houden in hoger beroep. De executie van dit vonnis is daarom prematuur en leidt tot een noodsituatie. De man verwijst voor de onderbouwing daarvan naar zijn overgelegde verweerschrift in eerste aanleg, naar door hem overgelegde producties ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg en naar zijn overgelegde pleitnotities ten behoeve van die comparitie. Een belangenafweging zal leiden tot een schorsing van de executie, althans van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring op de voet van artikel 351 Rv, aldus de man. De man verwijst voor de grondslag van zijn vordering ex artikel 235 Rv naar hetgeen hij ten aanzien van de primaire incidentele vordering ex artikel 351 Rv heeft aangevoerd. 5. De vrouw voert, kort weergegeven, in haar verweer ten aanzien van de incidenten aan dat zij er belang bij heeft het bestreden vonnis te kunnen executeren. Zij leeft al jaren van een minimuminkomen, bestaande uit een gedeeltelijke AOW-uitkering. Zij kan zich niet elders vestigen bij gebrek aan financiële middelen en mogelijkheden. Het bestreden vonnis biedt de vrouw de mogelijkheid om zich na jaren weer ergens (bij voorkeur in Nederland) permanent te vestigen. De kantonrechter is bij het tussenvonnis van 18 juli 2014 van een verkeerde voorstelling van zaken uitgegaan en daarop in het vonnis van 19 december 2014 terecht en voldoende gemotiveerd teruggekomen, aldus de vrouw. Alle feiten en omstandigheden die de man nu aan zijn vorderingen ten grondslag legt, konden ook door de kantonrechter in aanmerking worden genomen. De vrouw verzet zich eveneens tegen de vordering tot het stellen van zekerheid en verwijst daarvoor naar de hiervoor weergegeven argumenten. Schorsing tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv 6. De vraag waar het in het onderhavige incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag heeft het volgende te gelden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.