GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-14/01399 Uitspraak d.d. 28 oktober 2015 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente [Y] , de heffingsambtenaar, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2014, nummer ROT 13/3347 betreffende de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslag. Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2011 (hierna: de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [A] te [B] (hierna: de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld op € 406.000. Met de beschikking zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslagen) van de gemeente [C] (thans: de gemeente [Y] ). 1.2. De heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 318. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de waarde van de onroerende zaak voor het belastingjaar 2012 nader vastgesteld op € 325.000 en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd, het verzoek om schadevergoeding toegewezen en belanghebbende een schadevergoeding van € 500 toegekend ten laste van de gemeente [Y] , de heffingsambtenaar gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar en beroep, vastgesteld op € 722. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 493. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de heffingsambtenaar heeft gereageerd met een conclusie van dupliek. 2.3. Op 31 juli 2015 is een nader stuk van belanghebbende ontvangen. Dit is in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 augustus 2015. De heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende, die door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 juni 2015, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen, heeft schriftelijk bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht. Ter zitting is tevens behandeld de zaak met kenmerk BK-14/01400. Voor zover in die zaak door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaak voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak bestaat uit een perceel grond en het daarop gelegen gebouwde eigendom. Belanghebbende is eveneens eigenaar en gebruiker van het naast de onroerende zaak gelegen kerkgebouw, plaatselijk bekend als [D] te [B] (hierna: het kerkgebouw). 3.2. Het gebouwde eigendom dat tot de onroerende zaak behoort (hierna: het gebouw) is een voormalig schoolgebouw. 3.3. Belanghebbende heeft in hoger beroep een “bezettingsoverzicht over 2012” overgelegd. Daarin zijn de volgende activiteiten genoemd die in het gebouw plaatsvinden: op zondag een Bijbelklas voor groep 3-4, een Bijbelklas voor groep 5-6 of de [E] club en een crèche, op maandag catechisaties, op woensdag de mannenvereniging of vrouwenvereniging en op vrijdag de Tienerclub. Voorts worden er blijkens het overzicht vergaderingen van het moderamen, de kerkenraad en secties van belanghebbende gehouden. Tot slot is er een categorie “Diversen”, waarin onder meer bijeenkomsten staan vermeld van verscheidene families, de [F] en “ [G] ”. 3.4. De heffingsambtenaar heeft in de procedure bij de rechtbank een taxatierapport overgelegd. In het taxatierapport is onder meer het volgende opgenomen. “Kadastrale gegevens Gemeente Sectie Nummer Grootte Omschrijving VE/Erfp. Ha. Are Ca. VE [Z] […] […] 00 51 23 Totaal 00.51.23 (…) 5 Omschrijving van het onroerend goed Ondergrond gebouwen 1. Ondergrond en bouwvlak van het gebouw: 1500 m² (bestemmingsplan). Omschrijving van de gebouwen 2. Gemeenschapsgebouw: a. 546 m² oppervlakte b. Bouwjaar 1950 / 1960 c. Traditioneel gebouwd, steensmuren, pannen gedekt. d. Onderhoudstoestand redelijk, functionaliteit goed. e. Fietsenstalling Terrein 3. Verhardingen / parkeerterrein etc. 605 m² a. Klinkerbestrating b. 20 parkeerplaatsen 4. Onbebouwde grond (gras): 1505 m² (…) 7. Waardering (…) Met inachtneming van alle voorgaande vermelde feiten en omstandigheden en in het algemeen rekening houdende met alle aan hem bekende factoren die op de waardebepaling van invloed kunnen zijn, hebben ondergetekenden de waarde, zoals in de opdracht beschreven per peildatum getaxeerd op: Nr. Omschrijving Waarde 1 Bouwvlak 1500 m² € 142.500 2 Opstallen € 142.724 3 Verhardingen € 8.478 4 Extra grond 2110 m² € 31.650 Totaaltelling € 325.352 Afgerond: € 325.000 (…) De totale oppervlakte is 5123 m². Hiervan is 1500 m² bouwvlak en als zodanig ook gewaardeerd. Er is op het bijbehorende kadastrale perceel 1505 m² gras aanwezig, welke toegerekend wordt aan het getaxeerde. Overblijvend is er 2118 m² verharding. Hier zijn ca. 70 parkeerplaatsen gevestigd, welke voor 50 stuks worden toegeschreven aan de naastgelegen kerk. Dit impliceert dat er 20 parkeerplaatsen in de waardering worden betrokken, wat inhoud[t] dat hier 2110 m² grond aan wordt toegekend.” Oordeel van de rechtbank 4. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de heffingsambtenaar als verweerder. “2. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat op de onroerende zaak de vrijstelling van artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet (de kerkenuitzondering) van toepassing is. 2.1. Op grond van artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. Op eiseres rust de bewijslast aannemelijk te maken dat de kerkenuitzondering van toepassing is op de onroerende zaak. 2.2. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld het arrest van 4 december 1991 van de Hoge Raad (Belastingblad 1992/72 en BNB 1992/47), is een onroerende zaak in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst als deze voor tenminste 70% daarvoor wordt gebruikt. In zijn arrest van 7 mei 1980 (BNB 1980/177) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het begrip openbare eredienst moet worden opgevat overeenkomstig het algemeen geldend spraakgebruik. Tijdens de eredienst op zondagmorgen in de naastgelegen kerk wordt de onroerende zaak gebruikt als crèche. Op zondagmiddag wordt de onroerende zaak gebruikt voor Bijbelonderricht aan twee groepen (Bijbelklas). Tijdens de eredienst op zondagavond wordt in de onroerende zaak de [E] -club gehouden en eens per maand een jeugddienst. Doordeweeks wordt de onroerende zaak gebruikt voor jeugdclubs, catechisatie en bijeenkomsten van [G] . Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de crèche, de Bijbelklas, de [E] -club, de jeugdclubs, de catechisatie en de bijeenkomsten van [G] niet zijn aan te merken als openbare erediensten. In het algemeen geldende spraakgebruik wordt in een christelijke context als hier aan de orde onder een openbare eredienst, anders dan eiseres stelt niet alleen in 1980 maar ook vandaag de dag, een kerkdienst ter gezamenlijke verering van God verstaan en dat zijn deze activiteiten niet. Het beroep van eiseres op de uitbreiding van de kerkenuitzondering per 1 januari 1995, in die zin dat ook openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard daar nu onder vallen, kan haar niet baten. Met deze uitbreiding heeft de wetgever beoogd onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor dergelijke bijeenkomsten onder de vrijstelling te brengen teneinde geen onderscheid te maken tussen – kort gezegd – godsdienstige en andere levensbeschouwingen, niet om christelijke activiteiten die niet zijn aan te merken als een openbare eredienst alsnog onder de vrijstelling te brengen. Het ontgaat de rechtbank waarom het aldus gewijzigde artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet discriminatoir zou zijn, zoals eiseres stelt. Voor zover in de door eiseres genoemde rechterlijke uitspraken een ruimere uitleg wordt gegeven aan de begrippen openbare eredienst of openbare bezinningssamenkomst van levensbeschouwelijke aard, volgt de rechtbank die uitspraken gelet op het voorgaande niet. Overigens heeft eiseres geen nadere informatie verstrekt over het gebruik van de onroerende zaak. Zo is niet duidelijk in hoeverre in de onroerende zaak ook andere dan de door verweerder bij zijn besluitvorming betrokken activiteiten plaatsvinden en hoeveel tijd daarmee is gemoeid. Anders dan eiseres in beroep lijkt te stellen, is het aan haar en niet aan verweerder om het gebruik van de onroerende zaak inzichtelijk te maken. 2.3. De beroepsgrond dat verweerder de vrijstelling van artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet ten onrechte niet heeft toegepast faalt derhalve. 3. Eiseres voert subsidiair aan dat verweerder de waarde van de onroerende zaak te hoog heeft vastgesteld. 3.1. In beroep stelt verweerder zich op het standpunt dat de waarde van de onroerende zaak op € 325.000,- dient te worden vastgesteld. De beroepsgrond slaagt in zoverre. Gelet hierop is het beroep gegrond en dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd. 3.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het taxatierapport van 12 augustus 2013 van [H] aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak (ten minste) € 325.000,- bedraagt. Niet in geschil is dat de door de taxateur gehanteerde waarderingsgrondslag van de gecorrigeerde vervangingswaarde geschikt is om de waarde van de onroerende zaak te bepalen. Verweerder heeft de taxatiewijzer gemeenschapsgebouwen aangehouden bij de bepaling van de waarde. De waarde die hieruit volgt, is lager dan die van een schoolgebouw. Mede in dit licht bezien bestaat geen grond voor het oordeel dat de taxateur onvoldoende rekening heeft gehouden met door eiseres gestelde functionele veroudering van de onroerende zaak of dat inpandige opname tot het vaststellen van een lagere waarde had moeten leiden. De beroepsgrond faalt in zoverre. 3.3. Het bij brief van 16 juni 2014 gedane beroep op de cultuurgrondvrijstelling faalt reeds omdat dit beroep niet naar behoren is onderbouwd. Uit de twee door eiseres overgelegde foto’s van de betreffende grond volgt niet dat deze grond ten onrechte is betrokken bij de waardebepaling. Andere stukken of controleerbare gegevens ter onderbouwing van het beroep op deze vrijstelling heeft eiseres niet overgelegd. 3.4. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de waarde van de onroerende zaak vaststellen op € 325.000,- en bepalen dat de aanslagen voor de gemeentelijke heffingen 2012 dienovereenkomstig worden verlaagd. 4. Het betoog dat eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 500,- wegens de lange duur van de procedure slaagt. 4.1. Geschillen over een belastingaanslag vallen volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld het arrest van 10 juni 2011 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2011:BO5080), buiten het toepassingsbereik van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad heeft in dit arrest voorts geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel er evenzeer toe noopt dat deze geschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht. 4.2. Bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, sluit de rechtbank in navolging van de Hoge Raad in het onder 4.1 vermelde arrest aan bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Dit betekent dat indien de redelijke termijn is overschreden, als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Behoudens bijzondere omstandigheden is de redelijke termijn overschreden indien de bezwaar- en beroepsfase in totaal langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt, in dit geval op 16 maart 2012. De rechtbank doet heden uitspraak, waaruit volgt dat de termijn met minder dan een half jaar is overschreden. 4.3. Vervolgens staat ter beoordeling of de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan verweerder of aan de rechtbank. Hierbij geldt het uitgangspunt dat voor de bezwaarfase een redelijke termijn van een half jaar geldt en voor de beroepsfase een redelijke termijn van anderhalf jaar (Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666). De beroepsfase is aangevangen op 17 mei 2013 (datum ontvangst beroepschrift), zodat de rechtbank binnen anderhalf jaar uitspraak doet. Hieruit volgt dat de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan verweerder, temeer nu hij niet binnen de uit artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ volgende termijn op het bezwaar heeft beslist. 4.4. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding dan ook toewijzen en eiseres een schadevergoeding van € 500,- toekennen ten laste van de gemeente [Y] . 5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 318,- aan haar vergoedt. 6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiseres in bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt het bedrag van deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 722,- (1 punt ter waarde van € 235,- voor de indiening van het bezwaarschrift en 1 punt ter waarde van € 487,- voor de indiening van het beroepschrift, wegingsfactor 1).” Geschil, standpunten en conclusies 5.1. In geschil is of bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak de waarderingsuitzondering van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ (hierna: URUOW) en artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Gemeentewet (hierna: de waarderingsuitzondering) dient te worden toegepast. Indien deze vraag met betrekking tot de gehele onroerende zaak of een gedeelte ervan ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of de door de rechtbank vastgestelde waarde van de onroerende zaak te hoog is. 5.2. Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend. Zij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. In de crèche, de bijbelklassen en de [E] -club vinden gelijktijdig en in samenhang met de in het kerkgebouw op zondag gehouden ochtend- , middag- of avonderedienst plaats en zijn vrij toegankelijk. De kinderen worden in de crèche bezig worden gehouden met “christelijk materiaal”. De bijbelklassen en [E] -club verschillen naar aard en inhoud niet van kinder- of jeugdnevendiensten. Eenmaal per maand wordt er in het gebouw een dienst voor jongeren tussen 16 en 25 jaar gehouden parallel aan de avonddienst in het kerkgebouw. Ook de doordeweekse activiteiten, (de jeugdclubs, catechisaties, [G] en mannen- en vrouwenvereniging) zijn openbaar. Zij worden aangekondigd tijdens de openbare erediensten en in het kerkblad en/of de gemeentegids, die voor een ieder bij de ingang van het kerkgebouw klaar ligt (liggen). Iedereen is welkom bij deze doordeweekse activiteiten. Voor [G] worden tevens uitnodigingen als folder uitgedeeld en geplaatst in een seculier streekblad alsmede in kerkbladen van andere kerken. Tijdens de bijeenkomsten van de mannenvereniging en vrouwenvereniging wordt voor de beide aparte doelgroepen een Bijbelstudie naar aanleiding van een inleiding gehouden. Ten slotte is volgens belanghebbende het gebruik van het gebouw door derden en voor niet-openbare vergaderingen van het moderamen, de kerkenraad en secties dusdanig beperkt, dat dit gebruik niet tot de conclusie kan leiden dat niet wordt voldaan aan de hoofdzaakeis. Aan de beperkingen van de waarderingsuitzondering moet voorbij worden gegaan omdat deze in strijd zijn met de individuele rechten die zijn opgenomen in artikel 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) juncto artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM. Indien de waarderingsuitzondering toepassing mist, heeft de rechtbank de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag vastgesteld. 5.3 De heffingsambtenaar heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden. 5.4. Voor de uitwerking en nadere onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. 5.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, alsmede tot vernietiging van de beschikking en van de aanslagen indien de waarderingsuitzondering van toepassing is, dan wel tot wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de onroerende zaak nader wordt vastgesteld op € 245.000 en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen indien de waarderingsuitzondering toepassing mist. 5.6. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Beoordeling van het geschil Objectafbakening 6.1. Partijen nemen het standpunt in dat de onroerende zaak en het naastgelegen kerkgebouw twee afzonderlijke onroerende zaken zijn. Het Hof sluit zich aan bij dit gezamenlijke standpunt van partijen dat naar zijn oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Waarderingsuitzondering 6.2. Naar volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 7 mei 1980, nr. 19 807, ECLI:NL:HR:1980:AW9982, BNB 1980/177, en 4 december 1991, nr. 27 661, ECLI:NL:HR:1991:ZC4804, BNB 1992/47, kunnen de onder punt 3.3 en 5.2 genoemde activiteiten niet worden aangemerkt als openbare eredienst in de zin van de waarderingsuitzondering. Hieraan doet niet af hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de aard en de omvang van de activiteiten. Met name maakt belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, niet aannemelijk dat een of meer van de in het gebouw plaatsvindende activiteiten in wezen (een) - in een op de doelgroep aangepaste vorm gegoten - eredienst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.