GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer: 200.105.653/01 Zaak-rolnummer rechtbank: 393729/HA ZA 11-1433 Arrest d.d. 22 december 2015 in de zaak van [naam] B.V., gevestigd te Honselersdijk, gemeente Westland, appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk, tegen [naam] en Co B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde],advocaat: mr. J.W. Hilhorst te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Het geding Bij arrest van 12 juni 2012 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Voor de loop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar dat arrest. De comparitie van partijen heeft niet plaatsgevonden. Vervolgens heeft [appellante] bij memorie van grieven (met producties) zes grieven tegen het vonnis aangevoerd welke [geïntimeerde] bij memorie van antwoord (met producties) heeft bestreden. Daarna heeft [appellante] een akte na partijberaad (met producties) genomen waarop [geïntimeerde] bij akte heeft gereageerd. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest. De beoordeling van het hoger beroep In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan. a. [geïntimeerde] is een accountants- en fiscaal advieskantoor. De heer [X] en enkele andere medewerkers van [geïntimeerde] hebben jarenlang accountancy en fiscaal adviesdiensten verleend aan de ondernemingen van de heer [Y] (hierna: [Y]), waaronder [appellante], en aan [Y] privé. b. [appellante] is een van de vennootschappen uit de groep van vennootschappen waarvan [Y] tot in oktober 2010 de feitelijke leiding had. [Y] had, via een stichting administratiekantoor waarin twee van zijn kinderen de aandelen hielden, ook de zeggenschap over [appellante]. De vennootschappen Fleuroplus B.V. en FleuroW B.V. maakten naast [appellante] ook onderdeel uit van de onderneming van [Y].c. [Y] is in oktober 2010 ziek geworden en op 6 februari 2011 overleden.d. [geïntimeerde] heeft aan [appellante] 11 facturen tot een totaal bedrag van € 31.723,33 gezonden, die door [appellante] niet zijn voldaan.e. [geïntimeerde] heeft ter verzekering van haar vordering op 1 april 2011 conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken van [appellante]. In deze procedure vordert [geïntimeerde] in conventie betaling van € 32.727,30, bestaande uit de hoofdsom van € 31.723,33, vermeerderd met de wettelijke handelsrente tot 12 april 2011 ter hoogte van € 1.003,97 en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 12 april 2011, alsmede proceskosten, waaronder opslagkosten en na kosten. [appellante] vordert in reconventie opheffing van de beslagen op straffe van een dwangsom, vermeerderd met proceskosten, waaronder nakosten en rente indien de proceskosten niet binnen 14 dagen worden voldaan. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis in conventie de hoofdvordering toegewezen tot een bedrag van € 30.360,39 met rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 29.356,42 vanaf 12 april 2011 alsmede [appellante] veroordeeld in de beslagkosten en proceskosten en nakosten. De vordering in reconventie werd afgewezen. Tegen dit laatste oordeel is geen grief gericht. De beslissing van de rechtbank in conventie de vordering tot betaling van de eerste 10 facturen toe te wijzen (de laatste factuur is gecrediteerd/niet gehandhaafd) steunt op haar oordeel (r.o. 4.6.) dat het ervoor gehouden moet worden dat [appellante] de opdrachtgever was voor de werkzaamheden die [geïntimeerde] (mede) ten bate van andere (rechts-)personen in de groep deed, dan wel dat [appellante] zich jegens [geïntimeerde] heeft verbonden om ook declaraties te voldoen voor opdrachten waarvoor (mede) opdracht was gegeven door een andere (rechts-)persoon. Voor zover [geïntimeerde] al werkzaamheden gedeclareerd zou hebben aan [appellante] die (mede) ten bate van een andere (rechts-)persoon zijn uitgevoerd, is [appellante] derhalve gehouden de vergoeding voor die werkzaamheden aan [geïntimeerde] te voldoen, aldus de rechtbank.Voor dit oordeel was redengevend (samengevat):a. dat [Y], hoewel hij bekend was met de eerste vijf declaraties (tot oktober 2010) waarbij gedetailleerde urenspecificaties waren gevoegd, daarover nimmer bij [geïntimeerde] heeft geklaagd;b. dat, als er sprake was geweest van facturatie van werkzaamheden aan [appellante] die in opdracht en voor rekening van een andere vennootschap of voor [Y] privé dienden te worden uitgevoerd, het voor de hand had gelegen dat [Y] Groentjes daarop had gewezen toen zij elkaar in augustus 2010 spraken (op het kantoor van [geïntimeerde] en bij een gezamenlijk bezoek aan de belastingdienst);c. dat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft uiteengezet welke fiscale werkzaamheden voor de groep als geheel zijn verricht; waarbij het ging om complexe fiscale problemen van [appellante], de andere vennootschappen in de groep van [appellante] en [Y] privé, welke in de jaren voor 2010 waren ontstaan. Die kwesties verklaren ook waarom een vennootschap die enkel nog actief was op het gebied van exploitatie van onroerend goed, veel werkzaamheden van [geïntimeerde] afnam. Vanwege de verwevenheid van de vennootschappen binnen de groep waren werkzaamheden vaak moeilijk toe te schrijven aan één vennootschap. [Y] maakte geen scherp onderscheid tussen zijn B.V.’s, ook niet met betrekking tot de vraag welke werkzaamheden precies aan welke B.V. werden gefactureerd door [geïntimeerde]. Het was al jaren gebruikelijk dat [geïntimeerde] het honorarium voor advisering in verband met de inkomstenbelasting van [Y] factureerde aan [appellante] omdat die advisering verband hield met de ondernemingsactiviteiten van [Y]. [appellante] betaalde ook altijd de facturen die met die advisering verband hielden. Hiertegen zijn de grieven ÌI tot en met V gericht. Grief I klaagt erover dat de rechtbank niet is ingegaan op het verweer van [appellante] dat de declaraties onbestaanbaar hoog zijn (conclusie van antwoord onder 9 en verder). Het hof ziet aanleiding eerst grief I te bespreken. Het is juist dat de rechtbank aan genoemd verweer geen aandacht heeft besteed. De grief is reeds in zoverre gegrond. De positieve zijde van de devolutieve werking van het appel brengt mee dat het hof in de beoordeling van het appel zal betrekken het beroep dat [geïntimeerde] bij conclusie van antwoord in reconventie heeft gedaan op artikel K van haar algemene voorwaarden, welke beroep zich uitstrekt tot alle klachten die [appellante] thans in deze procedure tegen de declaraties aanvoert, ook die waarop de grieven II tot en met V zien. Artikel K houdt -voor zover hier van belang- in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.