GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 16 december 2015 Zaaknummer : 200.159.477/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-1484 Zaaknummer rechtbank : C/10/445291 [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. P. de Boom te Barendrecht, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. T.G.M. Scheers te Roermond. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vrouw is op 14 november 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 oktober 2014 van de rechtbank Rotterdam. De man heeft op 18 december 2014 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend. De vrouw heeft op 20 januari 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vrouw: op 15 december 2014 een V-formulier van diezelfde datum met een bijlage; op 2 maart 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen; van de zijde van de man: op 3 maart 2015 een V-formulier van 2 maart 2015 met bijlagen; op 5 maart 2015 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage. De zaak is op 12 maart 2015 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de advocaat van de man. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Na de zitting heeft het hof partijen op grond van 392, zesde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bericht dat het hof een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad heeft voorgelegd en dat de beslissing op die vraag rechtstreeks van belang is voor de vaststelling van de hoogte van kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015. Het hof heeft partijen verzocht zich uit te laten over de wenselijkheid van aanhouding van de zaak in afwachting van de beslissing op de prejudiciële vraag. De advocaten van partijen hebben het hof bij (door hen beiden ondertekend) faxbericht van 9 juni 2015 gezamenlijk bericht dat partijen wensen dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad. Na de uitspraak van de Hoge Raad zijn, met toestemming van het hof, de volgende stukken bij het hof ingekomen: van de zijde van de vrouw: op 26 oktober 2015 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum; op 3 november 2015 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum; van de zijde van de man: op 2 november 2015 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum; op 3 november 2015 een brief van 2 november 2015 met als bijlage een V-formulier van 2 november 2015 met bijlagen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij de bestreden beschikking is de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2013 gewijzigd in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige met ingang van 19 februari 2014 wordt bepaald op € 110,- per maand. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: partijen zijn de ouders van de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige); bij beschikking van 20 maart 2013 van de rechtbank Rotterdam is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 321,- per maand; bij vonnis van 9 april 2013 is “ [onderneming I] ”, waar de man mede-eigenaar van was, failliet verklaard. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP 1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, hierna ook kinderalimentatie. 2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot wijziging/nihilstelling kinderalimentatie van 18 februari 2014, althans dit verzoek van de man als ongegrond af te wijzen, kosten rechtens. 3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans de grieven van de vrouw te verwerpen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, althans een in goede justitie door het hof te bepalen bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen en de vrouw te veroordelen in de kosten van het hoger beroep; in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en te bepalen dat de man met ingang van 19 februari 2014, althans met ingang van een zodanige datum als door het hof in goede justitie te bepalen, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige aan de vrouw zal hebben te betalen een bedrag van nihil, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, en voorts de vrouw te veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep. 4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep, althans het incidenteel hoger beroep af te wijzen, althans de verzoeken van de man af te wijzen, kosten rechtens, en de bestreden beschikking in stand te laten, althans te bekrachtigen, op de genoemde punten/grieven van de man. 5. De vrouw stelt dat de man zijn inleidend verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en dat de rechtbank ten onrechte het faillissement van een van de bedrijven van de man als wijziging van omstandigheden heeft aangemerkt. De man heeft weliswaar gesteld dat zijn bedrijf [onderneming I] failliet is gegaan, maar hij heeft niet gesteld noch aangetoond dat dit betekent dat zijn inkomen is gedaald, noch dat hij thans onvoldoende inkomen heeft om de bij beschikking van 20 maart 2013 bepaalde kinderalimentatie te voldoen. De vrouw wijst erop dat de man eigenaar is van (ten minste) twee andere ondernemingen, waaruit hij (mogelijk) inkomen genereert. De man heeft volstrekt onvoldoende financiële gegevens in het geding gebracht, waardoor zijn financiële positie onduidelijk is. Deze onduidelijkheid dient voor rekening en risico van de man te komen, niet van de vrouw. Subsidiair stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met inkomsten die de man genereert naast zijn inkomsten uit dienstbetrekking. De vrouw voert daartoe aan dat de man nog (ten minste) twee andere ondernemingen heeft en dat uit de door de man overgelegde stukken niet kan worden afgeleid of hij daaruit inkomsten geniet. Het is echter aan de man om inzage in de financiële positie van zijn ondernemingen te verschaffen, alsmede zijn aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting over de laatste drie jaren – en in ieder geval over 2013 – over te leggen. De man heeft dat nagelaten. Daarnaast wijst de vrouw erop dat de financiële stukken die de man heeft ingediend, zijn opgemaakt door zijn huidige partner en dat de juistheid van die stukken door de vrouw niet te controleren is. Ten onrechte heeft de rechtbank de bewijslast bij de vrouw neergelegd en geoordeeld dat het op haar weg ligt aan te tonen dat de man aanvullende inkomsten geniet. Voorts heeft de man nagelaten inzicht te verschaffen in zijn vermogenspositie. Uit de stukken in eerste aanleg blijkt dat hij in ieder geval een spaarrekening bezit. Verdere gegevens over zijn vermogen ontbreken. Voorts voert de vrouw aan dat de man onvoldoende heeft kunnen uitleggen waarom op zijn loonstroken een basisloon van € 4.000,- vermeld staat, doch zijn maandelijkse salaris € 2.000,- bruto per maand bedraagt. Daarnaast bevreemdt het de vrouw dat de man dagelijks 240 kilometer naar zijn werk moet reizen en dat zijn reiskosten niet vergoed worden. De vrouw betwijfelt of de man wel in loondienst is. De vrouw acht het redelijk dat de man aantoont hoe hoog zijn lasten zijn en hoe hoog het eventuele inkomen van zijn huidige partner is, zodat de vrouw kan controleren of de lasten van de man (en zijn partner) zijn (hun) inkomen(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.