GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 30 september 2015 Zaaknummer : 200.117.298/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-7878, FA RK 12-8066 en FA RK 12-8103 Zaaknummers rechtbank : 98248, 98625 en 98698 [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. E.M. Putters-van Veen te Gorinchem, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J.P. Snoek te Utrecht. In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming te Dordrecht, hierna te noemen: de raad. VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP Op 3 april 2013, 15 januari 2014 en 22 april 2015 heeft het hof een tussenbeschikking gewezen, waarnaar het hof verwijst voor het verloop van het geding en waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd. Bij de tussenbeschikking van 3 april 2013 is de bestreden beschikking vernietigd ten aanzien van de doordeweekse zorgregeling en bepaald dat de minderjarigen voorlopig iedere woensdag uit school tot vrijdagmiddag 17.30 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de minderjarigen uit school ophaalt en hij de minderjarigen op vrijdag (als hij hen niet aansluitend het weekend heeft) naar de moeder brengt. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorts is de raad verzocht onderzoek te doen naar de vraag bij wie van partijen de minderjarigen, gelet op hun belangen, hun hoofdverblijfplaats dienen te hebben en welke zorgregeling in het belang van de minderjarigen is. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Bij de tussenbeschikking van 15 januari 2014 is een deskundigenonderzoek gelast waarvan de vragen zien op onderzoek naar en het bevorderen van de mogelijkheden van partijen om met een groeiend vertrouwen in zichzelf en elkaar als ouders te leren omgaan met elkaar na hun relatie, op afstand, en op die wijze een verantwoord contact tussen de vader dan wel de moeder en de minderjarigen mogelijk te maken. Tot deskundige is benoemd de heer drs. D. Pront. Daarbij is bepaald dat beide partijen een voorschot van € 2.250,- dienen te voldoen ter dekking van de kosten van het deskundigenonderzoek. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Op 6 maart 2015 is bij het hof het deskundigenrapport van drs. D. Pront ingekomen. Bij beschikking van 22 april 2015 zijn de kosten van de deskundige vastgesteld op € 4.500,- (inclusief omzetbelasting) en is de griffier van dit hof gelast dit bedrag aan de deskundige te betalen. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de moeder: op 24 april 2015 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage; op 20 augustus 2015 een brief van 19 augustus 2015 met als bijlage een V-formulier van 19 augustus 2015 met bijlagen; op 24 augustus 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage; op 27 augustus 2015 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum; van de zijde van de vader: op 23 april 2015 een faxbericht van diezelfde met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage; op 26 augustus 2015 een V-formulier van diezelfde datum. De mondelinge behandeling van de zaak is op 2 september 2015 voortgezet. Ter zitting waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; mevrouw [medewerkster raad] namens de raad. VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. Het hof handhaaft al hetgeen is overwogen en beslist in zijn eerdere beschikkingen. 2. De moeder handhaaft haar verzoeken. 3. De vader handhaaft zijn verweren. 4. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat beide ouders in staat zijn om de minderjarigen een veilig thuis te bieden en hen op verantwoorde wijze te verzorgen en op te voeden. Door de fysieke afstand tussen de woonplaatsen van de ouders en doordat zij noch gezamenlijk, noch onder begeleiding van diverse (forensische) mediators in staat zijn gebleken om het vertrouwen over en weer in zodanige mate te herstellen dat zij zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent (de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van) de minderjarigen, is de huidige co-ouderschapsregeling echter niet in het belang van de minderjarigen. Het hof zal de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bepalen bij de moeder. Bij de belangenafweging die het hof heeft gemaakt – en waarbij het hof onder meer heeft meegewogen dat de minderjarigen al enige jaren in [woonplaats vader] naar school gaan en het op school goed doen, alsmede dat zij in het gezin van de vader opgroeien met hun halfbroertje(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.