GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.139.651/01 Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/411415 / HA ZA 12-0114 Arrest d.d. 17 november 2015 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , gemeente […] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. D. Tap te Den Haag, tegen 1. de erven van [naam], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats] , gemeente […] , 2. [geïntimeerde 2], 3. [geïntimeerde 3] , 4. [geïntimeerde 4], 5. [geïntimeerde 5], 6. [geïntimeerde 6] allen wonende te [woonplaats] , gemeente […] , hierna tezamen te noemen: [geïntimeerden] , geïntimeerden, advocaat: mr. J.H. Heerebout te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer. Het verdere geding Het hof verwijst naar het tussenarrest van 2 september 2014, waarbij de incidentele vordering tot zekerheidsstelling werd afgewezen. Ter zitting van 19 mei 2015 hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities. [appellant] heeft daarbij producties ingebracht. Partijen hebben tot slot arrest gevraagd. Mr. Heerebout heeft daarna, bij brief van 1 juli 2015, opnieuw pleidooi gevraagd op de grond dat het door mr. Tap overgelegde kopiedossier niet compleet was en enkele producties bevatte in een onjuiste volgorde. Bij brief van 2 juli 2015 heeft mr. Heerebout vervolgens zijnerzijds ook een kopiedossier overgelegd. Vanwege het verzoek van mr. Heerebout is een voortzetting van het pleidooi bepaald op 1 oktober 2015. Bij brief van 28 september 2015 heeft mr. Heerebout bericht dat hij ervan uitging dat het hof met het door hem gefourneerde complete dossier de zaak kon beoordelen zodat hij een pleidooi niet meer nodig had. Ten slotte is de voorzetting van het pleidooi geannuleerd en is arrest bepaald op heden. De verdere beoordeling van het hoger beroep 1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “2. De vaststaande feiten” een aantal feiten vastgesteld, tegen welke vaststelling geen bezwaar is gemaakt. Deze feiten dienen ook als uitgangspunt voor het hof. 2. Met inachtneming daarvan, alsmede op grond van hetgeen overigens uit de niet (voldoende gemotiveerd) bestreden inhoud van de stukken en de producties naar voren is gekomen, gaat het in deze zaak om het volgende. 2.1. Wijlen [naam] (geïntimeerde sub 1, hierna: [geïntimeerde 1] ) en zijn twee zonen, [naam] (geïntimeerde sub 3, hierna [geïntimeerde 3] ) en [naam] (geïntimeerde sub 5, hierna [geïntimeerde 5] ) waren tot medio 2007 in verschillende rollen en functies betrokken bij hun familiebedrijf dat zich vooral toelegde op de aanneming van grondwerk. Het familiebedrijf bestond uit de moedermaatschappij […] (de holding) en twee werkmaatschappijen: […] (hierna: het aannemersbedrijf) en […] (hierna: het loonbedrijf). 2.2. [geïntimeerde 1] heeft gedurende enige tijd zaken gedaan met [appellant] , die een stratenmakerbedrijf exploiteerde. Toen het door [geïntimeerde 1] geleide familiebedrijf begin 2005 in financiële problemen kwam, heeft [geïntimeerde 1] [appellant] benaderd. [appellant] is van begin of medio 2005 tot begin of medio 2007 als feitelijk leidinggever bij het aannemersbedrijf betrokken geweest en was in elk geval van 1 februari 2006 tot 1 januari 2007 statutair directeur ervan. Het stratenmakerbedrijf van [appellant] fungeerde als onderaannemer van het aannemersbedrijf. 2.3. In januari, maart of mei 2007 hebben [geïntimeerden] en [appellant] een door een advocaat geconcipieerde “akte van schuldbekentenis” ondertekend. Daarin verklaarden voormelde drie rechtspersonen (de holding, het aannemersbedrijf en het loonbedrijf) alsmede de natuurlijke personen [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 5] in privé, als schuldenaren hoofdelijk aan [appellant] € 2,8 miljoen vermeerderd met 3,5% rente per jaar schuldig te zijn “ten titel van ………. als in de bijlage gespecificeerd en gedocumenteerd weergegeven en voor het overige aan partijen genoegzaam bekend is (productie 1) – hierna ook te noemen: de vordering”. De akte bevat voorts de bepaling dat [appellant] bevoegd is en de schuldenaren verplicht zijn op eerste schriftelijk verzoek van [appellant] hem zekerheid te verstrekken voor de nakoming van hun verplichtingen, zoals bijvoorbeeld in de vorm van hypotheekrecht. De toenmalige boekhouder [de boekhouder] van het familiebedrijf heeft de schuldbekentenis met de pen gedateerd op 1 januari 2007. De echtgenotes van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 5] , te weten geïntimeerde sub 2 (hierna [geïntimeerde 2] ) geïntimeerde sub 4 (hierna [geïntimeerde 4] ) en geïntimeerde sub 6 (hierna [geïntimeerde 6] ), worden niet als schuldenaar in de akte vermeld maar hebben deze wel ondertekend voor “toestemming echtgenote ex artikel 1:88 BW”. 2.4. [geïntimeerden] en [appellant] hebben voorts een verklaring, gedateerd op 15 januari 2007 ondertekend, waarbij alle zes natuurlijke personen [geïntimeerden] verklaren “in privé en zakelijk ( [de holding] , [het loonbedrijf] , [het aannemersbedrijf] )” € 2,8 miljoen schuldig te zijn aan [appellant] . 2.5. Bij hypotheekakte van 10 juli 2007 hebben [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] in privé als hypotheekgevers aan [appellant] als hypotheeknemer recht van hypotheek en pand verleend op alle in de hypotheekakte genoemde privé onroerende zaken van [geïntimeerden] “tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de hypotheeknemer blijkens zijn administratie van de hypotheekgevers (…) alsmede van (…) [de holding] , [het loonbedrijf] , [het aannemersbedrijf] (…) te vorderen heeft of mocht krijgen wegens verstrekte of nog te verstrekken geldleningen en/of kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken andere hoofde ook”. 2.6. Op of omstreeks 19 juli 2007, zijn door de toenmalige boekhouder [de boekhouder] veel relatief grote bedragen afgeschreven van de bedrijfsrekeningen, waaronder € 50.000 van de holding naar [appellant] met vermelding “afl.” Per 20 juli 2007 heeft [geïntimeerde 1] alle aandelen van de drie vennootschappen verkocht en geleverd aan een derde voor € 1. 2.7. Op 8 augustus 2007 is het faillissement van het aannemersbedrijf uitgesproken, op 24 oktober 2007 van het loonbedrijf en op 19 mei 2009 van de holding. In alle faillissementen is mr. Kroll aangesteld als curator. Deze heeft van geen der bedrijven administratie aangetroffen. Alle faillissementen zijn geëindigd door het verbindend worden van de uitdelingslijsten van de curator. 2.8. Bij brieven van 25 maart 2009 en 1 april 2009 heeft de vorige advocaat van [geïntimeerden] de vernietiging ingeroepen van de overeenkomsten van schuldbekentenis en hypotheek uit 2007 van in hoofdsom € 2,8 miljoen. 2.9. Op of omstreeks 29 september 2011 is de toenmalige woning van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] aan een derde verkocht en geleverd. [appellant] heeft als tweede hypotheekhouder de (na uitkering aan de eerste hypotheekhouder resterende) netto verkoopopbrengst van € 40.002,67 ontvangen. 2.10. In conventie heeft [appellant] (in eerste aanleg) op grond van de schuldbekentenissen gevorderd hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 2.803.698,63 vermeerderd met de contractuele rente vanaf 20 juli 2007 en verminderd met het bedrag van € 40.002,67. 2.11. In reconventie hebben [geïntimeerden] gevorderd voor recht te verklaren dat zij in 2009 terecht de vernietigbaarheid van de schuldbekentenissen hebben ingeroepen en dat [appellant] zal worden veroordeeld de hypotheekakte van 10 juli 2007 te doen doorhalen in de openbare registers met machtiging van [geïntimeerden] om dat zo nodig zelf te doen. Daarnaast hebben zij (terug)betaling gevorderd van € 694.733,01 ter zake van door [appellant] ten onrechte aan de vennootschappen onttrokken bedragen althans schadevergoeding vanwege onttrekkingen nader op te maken bij staat, € 50.000 als ten onrechte door hem geïncasseerd (zie hiervoor onder 2.6), € 40.002,67 (zie hiervoor onder 2.9) en de kosten van het faillissement van de vennootschappen (de holding) nader op te maken bij staat. 2.12. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de conventionele vorderingen van [appellant] afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de door [geïntimeerden] gevorderde verklaring voor recht toegewezen, [appellant] veroordeeld de hypotheekakte van 10 juli 2007 in de openbare registers te doen doorhalen, met machtiging aan [geïntimeerden] die doorhaling zo nodig zelf te doen bewerkstelligen en hem veroordeeld tot terugbetaling van € 40.002,67 aan [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] . De rechtbank overwoog daartoe onder meer, dat de beide schuldbekentenissen en de krediethypotheek voor zover deze is gebaseerd op die schuldbekentenissen moeten worden gekwalificeerd als in beginsel onverplichte overeenkomsten met eenzijdige verplichtingen van [geïntimeerden] en dus in beginsel als een schenking van [geïntimeerden] in privé aan [appellant] , omdat in geen van de schuldbekentenissen en/of de krediethypotheekovereenkomst vermeld is om welke feitelijke en/of juridische redenen [geïntimeerden] in privé aan [appellant] een dergelijk astronomisch bedrag daadwerkelijk verschuldigd zouden zijn. 3. In hoger beroep ageert [appellant] tegen de afwijzing van zijn vorderingen en de (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] [appellant] heeft daarbij zijn vordering gewijzigd. Hij vordert thans primair op basis van de schuldbekentenissen betaling van € 2.803.698,63 subsidiair € 405.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag ter zake van nooit ontvangen loon over de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2007, alles met rente en subsidiair dezelfde bedragen op grond van onrechtmatige daad, steeds te verminderen met € 40.002,67, alles met proceskosten. 4. Met zijn tweede grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een schenkingsovereenkomst. Volgens hem is van een vrijblijvende schenking geen sprake. [appellant] had aanzienlijke vorderingen op de vennootschappen waarvan [geïntimeerden] bestuurder of echtgenote van een bestuurder waren. Om de vennootschappen lucht te geven, heeft [appellant] afgezien van de directe betalingen door die vennootschappen, maar wel onder de voorwaarde dat [geïntimeerden] de schuldbekentenissen ook in privé tekenden. 5. Het hof overweegt hierover als volgt. 6. De akte van schuldbekentenis (zie 2.3) is een onderhandse akte, die ingevolge art. 157, tweede lid Rv. ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring. Er moet dus op grond van art. 157, tweede lid Rv. van uitgegaan worden, dat waar is wat er in de door partijen ondertekende akte staat. 7. Volgens de akte zijn (naast de drie rechtspersonen) [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 5] aan [appellant] € 2,8 miljoen schuldig “ten titel van ………. als in de bijlage gespecificeerd en gedocumenteerd weergegeven en voor het overige aan partijen genoegzaam bekend is (productie 1) – hierna ook te noemen: de vordering”. 8. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat hiermee in de akte van schuldbekentenis wordt vermeld wat de reden is op grond waarvan [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 5] het bedrag van € 2,8 miljoen aan [appellant] schuldig zijn; die reden is een vordering als gespecificeerd in een bijlage “en voor het overige aan partijen genoegzaam bekend”. Van een vrijblijvende schenking is dan ook geen sprake en het hof gaat ervan uit dat blijkens de akte [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 5] (naast de drie rechtspersonen) € 2,8 miljoen schuldig zijn aan [appellant] op grond van een vordering van [appellant] . 9. [appellant] heeft als productie (4 bij inleidende dagvaarding) een overzicht overgelegd, op briefpapier van het aannemersbedrijf, waarop een aantal namen en aanduidingen zoals “directiekeet” en “loon” zijn vermeld met daarachter bedragen, waarvan de optelling uitkomt op ruim € 3 miljoen, alsmede de namen van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 3] (aangeduid met initialen) met een paraaf daarnaast alsmede een aantekening “gezien” met de handtekening van de boekhouder [de boekhouder] . Volgens [appellant] , zo heeft hij bij gelegenheid van het pleidooi gesteld, is dit overzicht de bijlage die in de akte wordt bedoeld en vormt het een overzicht van door hem contant verrichte betalingen aan crediteuren (onderaannemers) en van door hem voorgeschoten bedragen dan wel ten aanzien van het loon: zijn salaris van betaling waarvan hij heeft afgezien. [geïntimeerden] betwisten dat die bijlage bij de akte hoort (volgens hen was er geen bijlage bij de akte aanwezig) en zij betwisten ook de inhoud van de bijlage. 10. Ook ten aanzien van de bijlage geldt dat ervan moet worden uitgegaan dat waar is wat partijen in de akte van schuldbekentenis hebben verklaard en dus dat zich bij de akte, anders dan [geïntimeerden] stellen, wél een bijlage bevond. Daarom gaat het hof ervan uit dat de door [appellant] overgelegde productie 4 (hierna ook: het staatje) heeft te gelden als bij de akte behorend. Volgens het hof maakt het overigens niet uit of het staatje al dan niet aan de akte van schuldbekentenis was gehecht. [geïntimeerden] hebben immers in die akte verklaard dat [appellant] een hun genoegzaam bekende vordering op hen had ter grootte van € 2,8 miljoen. [geïntimeerden] hebben niet aangegeven waaruit die door hen erkende vordering dan wel zou hebben bestaan, terwijl het door boekhouder [de boekhouder] ondertekende en van de initialen van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 3] voorziene staatje, mede in het licht van de hierna onder 12 te bespreken verklaring van [de boekhouder] , wél aangeeft waarop die vordering was gebaseerd. 11. Op grond van het voorgaande gaat het hof uit van de juistheid van de akte van schuldbekentenis die is gedateerd op 1 januari 2007. De tweede schuldbekentenis (gedateerd op 15 januari 2007) vermeldt weliswaar niet de reden van de verschuldigdheid van € 2,8 miljoen, maar door het verband met de eerste schuldbekentenis waarin de mannen hun hoofdelijke aansprakelijkheid erkenden en de vrouwen daarvoor toestemming gaven is die reden (ook voor de vrouwen) voldoende gegeven. Het staat [geïntimeerden] vrij om tegenbewijs tegen deze aanname te leveren, maar enig bewijsaanbod hebben zij niet gedaan. 12. [geïntimeerden] voeren met betrekking tot het staatje aan dat dit niet juist kan zijn, omdat hun namen niet in de juiste volgorde (van oud naar jong) zijn vermeld, bij [geïntimeerde 3] slechts twee initialen zijn vermeld in plaats van drie, het briefpapier niet klopt en omdat [de boekhouder] voor gezien heeft getekend terwijl hij het staatje zelf zou hebben opgesteld. Dit overtuigt niet. Het hof hecht in dit verband waarde aan de verklaring die [de boekhouder] als getuige in de zaak van de curator (in het faillissement van het aannemersbedrijf en loonbedrijf) tegen [appellant] heeft afgelegd tegenover de rechter-commissaris, welke verklaring als productie 30 bij de conclusie van antwoord in reconventie is gevoegd en aan de brief van [de boekhouder] van 5 juli 2010 aan de advocaat van [appellant] (productie 29 bij diezelfde conclusie). In die brief verklaart [de boekhouder] dat hij op aangeven van [appellant] een staatje bijhield dat regelmatig werd besproken met en getoond aan de heren […] . Telkens wanneer er nieuwe bedragen op dat staatje werden gezet, werd het vorige vernietigd, werd het nieuwe weer getoond en ondertekend door de heren […] en in de kluis van het bedrijf gelegd, aldus [de boekhouder] . [de boekhouder] verklaart als getuige onder ede dat er een staatje is – opgemaakt enkele maanden voor het faillissement –, waarvan […] en [appellant] elk een exemplaar mee naar huis hebben genomen, welk staatje door de heren […] is ondertekend en door [de boekhouder] voor gezien is getekend en welk staatje de laatste stand aangeeft van de betalingen door [appellant] aan onderaannemers/zzp’ers, een uitgave ten behoeve van een directiekeet, een door [appellant] ingebrachte auto, alles ten behoeve van de vennootschappen. Alle staatjes werden dus (telkens) in de kluis gelegd op één staatje na en dát staatje is het enige staatje geweest dat, behalve door de heren […] , ook door [de boekhouder] voor gezien is ondertekend. Het staatje dat volgens [appellant] bij de akte behoort, is behalve door de heren […] ondertekend, ook door [de boekhouder] voor gezien ondertekend. 13. Het hof kent tevens waarde toe aan de verklaring van [naam] , broer van [geïntimeerde 1] , eveneens onder ede afgelegd tegenover de rechter-commissaris eveneens in de zaak van de curator (in de faillissementen van het loonbedrijf en het aannemersbedrijf) tegen onder meer [appellant] (productie 28 bij de conclusie van antwoord in reconventie). [de broer] verklaart dat hij in 2006, 2007 van [geïntimeerde 1] , [appellant] en [de boekhouder] heeft vernomen dat [appellant] veel geld had ingebracht in het aannemersbedrijf. Volgens [de broer] ging het om rond de 2 miljoen euro. Die verklaringen worden ondersteund door de beëdigde verklaringen van [P] en [W] (productie 30 bij conclusie van antwoord in reconventie). 14. Eveneens is van belang de brief die de advocaat mevrouw mr. Molenaar op 2 oktober 2007 aan [geïntimeerde 5] schreef (productie 18 bij meergenoemde conclusie van antwoord in reconventie) inzake een faillissementsadvies. Uit die brief valt af te leiden dat [geïntimeerde 5] samen met zijn broer op het kantoor van mr. Molenaar is geweest, daar met haar en een kantoorgenote een gesprek heeft gehad en te kennen heeft gegeven te willen dat zij de belangen van [geïntimeerde 5] , zijn broer en zijn ouders behartigde. Zij heeft naar aanleiding van een brief van de curator gericht aan [geïntimeerde 1] vragen gesteld over [appellant] . [geïntimeerde 5] heeft mevrouw Molenaar toen bevestigd dat [appellant] zo’n € 2,5 miljoen in het aannemersbedrijf heeft geïnvesteerd, aldus de brief. [geïntimeerden] hebben over deze brief gezegd, dat hij is gestolen, waarop [appellant] heeft gereageerd met de mededeling dat hij de brief heeft ontvangen van iemand bij wie deze verkeerd was bezorgd. Hoe dit zij, de inhoud van de brief hebben [geïntimeerden] niet betwist. Bij gelegenheid van het pleidooi hebben zij als verklaring voor hun mededeling over de investering van [appellant] gegeven, dat zij op aanraden van [appellant] het spel, te weten dat zij met elkaar zouden doen alsof zij hem € 2,8 miljoen schuldig zouden zijn, zodat de andere schuldeisers van het bedrijf daarmee buiten de deur zouden worden gehouden, bleven doorspelen. Zonder nadere verklaring, die ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom [geïntimeerden] zelfs tegenover hun eigen advocaat die hun belangen behartigde een schijnverhaal zouden hebben moeten ophouden. 15. Tot slot speelt het volgende een rol. [appellant] heeft op enig moment aan zijn (toenmalige) advocaat opdracht gegeven aanspraak te maken op huurpenningen van een door [geïntimeerde 5] zonder toestemming van [appellant] verhuurd pand, welk pand onder de krediethypotheek valt (zie de brief d.d. 12 november 2007, productie 19 bij conclusie van antwoord in reconventie). De hypotheekakte bevat het verbod om (o.m.) het betreffende pand zonder schriftelijke toestemming van [appellant] te verhuren. De reactie van [geïntimeerde 5] (zie de brief van [geïntimeerde 5] d.d. 7 december 2007, eveneens productie 19 bij conclusie van antwoord in reconventie) inhoudende een verzoek om uitstel van betaling op de desbetreffende brief wijst er niet op dat die aanspraak niet bestaat. Van enig verzet tegen de vordering is geen sprake. [geïntimeerden] stellen dat zij op die wijze hebben gereageerd om de schijn op te houden en “het spel mee te spelen”, maar een verklaring op welke wijze deze constructie daaraan zou meewerken ontbreekt. 16. Ter adstructie van hun stelling dat de inhoud van de akte van schuldbekentenis, ondanks hun ondertekening en ondanks het voorgaande, onjuist is hebben [geïntimeerden] wel een aantal argumenten (a tot en met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.