GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel Zaaknummer : 200.117.742 Zaak-/rolnummer rechtbank : 394193 / HA ZA 11-1493 arrest van de familiekamer d.d. 24 februari 2015 inzake [de vrouw], wonende te [woonplaats], hierna te noemen de vrouw, advocaat: mr. drs. J.F.M. van Weegberg te Den Haag, tegen [de man], wonende te [woonplaats], hierna te noemen de man, advocaat: mr. M.M. van Wijk. Het geding Bij exploot van 6 november 2012 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2012 tussen de partijen gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis en de daarin vermelde stukken. Bij memorie van grieven heeft de vrouw 7 grieven geformuleerd. De vrouw heeft de grieven gezamenlijk toegelicht. Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden. De man heeft op 4 november 2014 een akte producties genomen. De vrouw heeft op 2 december 2014 een antwoordakte genomen. Partijen hebben hun procesdossier overgelegd en aan het hof arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep Algemeen 1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten. 2. Door de vrouw wordt gevorderd: Het is op deze gronden dat appellante de eer heeft te concluderen dat het uw hof moge behagen, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2012 tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende, de ingestelde vorderingen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog volledig af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties, eveneens uitvoerbaar bij voorraad. Vorderingen man eerste aanleg 3. De man heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd: Te bepalen dat aan de man wordt toegedeeld het [naam eenmanszaak] met alle daartoe behorende baten en schulden, onder de verplichting deze schulden als eigen schuld te voldoen. Vervolgens vordert de man veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem van de helft van door hem gestelde gemeenschapsschulden. 4. Het hof stelt voorop dat een schuld geen goed is en niet aan één van de deelgenoten kan worden toegedeeld in die zin dat de andere echtgenoot dan geen schuldenaar meer is. Voor schuldvernieuwing is de medewerking nodig van de crediteur. 5. Op grond van artikel 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing van de huwelijkse voorwaarden. 6. Uit de inleidende dagvaarding volgt dat de peildatum voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap is 14 april 2008, de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Relevant is welke schulden op die datum tot de gemeenschap behoorden. Indien één der deelgenoten na die datum uit privé vermogen een voormalige gemeenschapsschuld voor meer dan de helft heeft betaald, krijgt hij/zij een regresvordering op de andere deelgenoot. 7. In het onderhavige geval is artikel 1:102 BW (oud) van toepassing. Artikel 1:102 BW oud luidde als volgt: “Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden, waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere schulden van de gemeenschap is hij voor de helft aansprakelijk; voor dat gedeelte der schuld is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden” Door de ontbinding van de gemeenschap ontstaat deze wettelijke aansprakelijkheid en gaat voor die aansprakelijkheid de verjaringstermijn lopen. Bestreden vonnis 8. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in 3.1 van het dictum beslist dat de man alle schulden met betrekking tot de eenmanszaak als een eigen schuld op zich neemt en dat hij de vrouw dient te vrijwaren ten aanzien van deze schulden. 9. Een schuldeiser is aan deze wijziging van de interne draagplicht echter niet gebonden. Door de ontbinding van de huwelijksgemeenschap is de vrouw voor de helft aansprakelijk geworden voor gemeenschapsschulden waarvoor zij voordien niet aansprakelijk was, namelijk de schulden van de eenmanszaak. Als de man niet betaalt kan de crediteur voor de helft van zijn vordering het privévermogen van de vrouw uitwinnen, tenzij er sprake is van verjaring en de vrouw daarop een beroep heeft gedaan. In de rechtsverhouding met de schuldeiser kan de vrouw hem niet tegen werpen, dat de schuld in de interne relatie van de ex-echtgenoten voor rekening van de man komt. Gemeenschapsschulden 10. Door de vrouw wordt bestreden dat er een schuldenlast is op 14 april 2008 van € 90.498,55 met betrekking tot de eenmanszaak van de man. Voorts is zij het er niet mee eens dat zij in het kader van de toedeling van de schulden aan de man, aan de man een bedrag van € 44.045,27 moet voldoen. Door de vrouw wordt onder meer het na volgende naar voren gebracht: De man heeft niet bewezen dat hij een lening heeft aan zijn moeder van € 60.000,-; Ook het bankafschrift van 18 februari 2004 met een overboeking op 12 februari 2004 toont niet aan dat er sprake is van een lening, aangezien er niets meer wordt vermeld dan conform afspraak; De inhoud van de afspraken wordt door de man niet aangetoond en de inhoud kan ook niet worden afgeleid uit de door de man en de accountant afgelegde verklaringen; De rechtbank betrekt in haar beoordeling ook ten onrechte de facturen van [naam derde] € 24.089,22 en [naam derde] € 6.409,33. De vrouw acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank waarde heeft gehecht aan de getuigenverklaringen van de accountant; De vorderingen van de moeder van de man en de vordering van [naam derde] zijn verjaard. 11. Door de man wordt gemotiveerd verweer gevoerd. De man heeft de grieven gemeenschappelijk besproken. Door de man is onder meer het navolgende aangevoerd: De man is van mening dat de rechtbank op juiste gronden tot het oordeel is gekomen zoals gegeven ten aanzien van de verdeling van de activa van de eenmanszaak van de man en de draagplicht met betrekking tot de schulden; De man is van mening dat hij is geslaagd in zijn bewijs met betrekking tot de geldlening van € 60.000,- aan zijn moeder. Er is een bankafschrift waaruit volgt dat de moeder van de man het bedrag naar de rekening van de man heeft overgeboekt. Voorts volgt uit de jaarcijfers die zijn overgelegd alsmede de verklaring van de accountant dat de lening steeds is opgenomen in de cijfers. De accountant van de man heeft verklaard dat de moeder van de man de lening in haar aangifte IB opneemt; De accountant had al een executoriale titel voor de voldoening van zijn facturen op de man gekregen; In punt 38 stelt de man dat voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet relevant is of de vordering is verjaard. De debiteur van een vordering kan zich beroepen op verjaring daarvan. Van verjaring kan voorts eerst sprake zijn als een schuld opeisbaar is. Een schuld is pas opeisbaar als de schuldeiser aangeeft betaling te vorderen. 12. Het hof overweegt als volgt. De weging van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. 13. Om aan te tonen welke schulden tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap behoren heeft de man als getuigen gehoord:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.