GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 4 maart 2015 Zaaknummer : 200.159.446/02 Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-3146 Zaaknummer rechtbank : C/09/418072 [appellante], wonende op een geheim adres, verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.Y. van der Bijl te Den Haag, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. G. van der Steen te Den Haag. In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming te Den Haag, hierna te noemen: de raad. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vrouw is op 12 november 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 augustus 2014 van de rechtbank Den Haag. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.159.446/01 (verder ook te noemen: de hoofdzaak). Voorts heeft de vrouw op 9 december 2014 een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.159.446/02. De man heeft op 16 december 2014 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend in de hoofdzaak. Dit verweer bevat eveneens verweer tegen het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Op 15 januari 2015 heeft de vrouw in de hoofdzaak een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend. In de hoofdzaak is voorts van de zijde van de vrouw op 21 november 2014 een V-formulier van 20 november 2014 ingekomen. Bij brief van 4 december 2014 heeft de raad bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn. De zaak is op 12 februari 2015 mondeling behandeld, maar uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 13 augustus 2014. Ter zitting waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man, bijgestaan door zijn advocaat. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de minderjarige bij de man zal zijn: - vanaf 1 augustus 2014 een keer in de twee weken, in die zin dat: o de eerste twee momenten voor de duur van drie uur zijn; o de volgende twee momenten voor de duur van vier uur zijn; o de daarop volgende drie momenten voor de duur van vijf uur zijn: vanaf 5 november 2014 tot aan de kerstvakantie van 2014 iedere woensdag en donderdag voor de duur van vijf uur (zonder overnachting); op 24 december 2014 van 12.30 uur tot 25 december 2014 12.30 uur (met overnachting); vanaf 1 januari 2015 iedere woensdag van 9.00 uur tot 19.00 uur; op 4 maart 2015 van 9.00 uur tot 5 maart 2015 12.30 uur (met overnachting); vanaf 11 maart 2015 iedere woensdag van 9.00 uur tot 19.00 uur; vanaf 1 april 2015 iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 12.30 uur (met overnachting); na laatstgenoemde datum conform een in onderling overleg nader te bepalen regeling. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: Partijen zijn gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van [de minderjarige], geboren [in] 2010 te [geboorteplaats], verder: de minderjarige. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD 1. In geschil is thans de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. 2. De vrouw verzoekt het hof om de schorsing te bevelen van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking. 3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen. 4. De vrouw meent dat zij belang heeft bij de schorsing van de tenuitvoerlegging en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van de man. De vrouw is verhuisd. Zij heeft een geheim adres. Zij heeft aangeboden de vastgelegde doordeweekse regeling te wijzigen in een voorlopige weekeinderegeling. Vanwege de reisafstand tussen de woonplaats van de minderjarige en de woonplaats van de man is uitvoering van de vastgestelde weekregeling fysiek niet mogelijk. De man weigert mee te werken aan de door de vrouw voorgestelde regeling. De minderjarige zal opnieuw aan de man moeten wennen. De vrouw heeft aangeboden om het vervoer van de minderjarige, eenmaal per twee weken op zaterdag en op zondag, op zich te nemen. Zij biedt aan om de minderjarige de eerste maand na het ingaan van de nieuwe regeling vier opeenvolgende zaterdagen om 10.00 uur te brengen en om 18.00 uur weer op te halen, onder de voorwaarde dat de man de benzinekosten vergoedt. Als de minderjarige goed op die regeling reageert, is de vrouw bereid om het vijfde weekeinde een overnachting bij de man thuis te proberen, mits de man haar toezegt dat hij haar onmiddellijk zal bellen indien de minderjarige niet kan slapen ofwel anderszins van slag raakt, zodat zij hem kan ophalen. Indien de overnachting goed verloopt, zou vervolgens de tweewekelijkse weekeinderegeling in kunnen gaan. Ter zitting heeft de vrouw betoogd dat het onverantwoord is om de minderjarige bij de man te laten zijn, omdat recent bij hem diabetes is vastgesteld. De minderjarige moet vijf keer per dag geprikt worden om zijn bloedsuikerspiegel te meten en daarnaast moet de insuline meerdere keren per dag met een injectie toegediend worden. De man is naar de mening van de vrouw onvoldoende in staat om de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen. De vrouw stelt een zorgregeling voor van eenmaal per twee weken op de zaterdag op een locatie halverwege tussen haar woonplaats en die van de man. 5. De man verweert zich daartegen – kort samengevat – als volgt. De rechtbank heeft de door partijen gewenste duidelijkheid over de zorgregeling verschaft. Het is de vrouw die zich daaraan moet houden en niet met alternatieve voorstellen moet komen. De stapsgewijze opbouw van de contacten is door de rechtbank uitvoerig besproken. De vrouw heeft op geen enkel moment benoemd dat zij zou gaan verhuizen. Dit is door haar achtergehouden in de rechtbankprocedure. De daardoor ontstane problemen met de omgangsregeling zijn aan de vrouw te wijten. Bij jonge kinderen is het van belang dat er vaak contact is. De door de rechtbank vastgestelde regeling acht de man dan ook meer in het belang van de minderjarige en de man zelf dan de door de vrouw voorgestane regeling. Dat de minderjarige opnieuw moet wennen, is naar de mening van de man overtrokken. Hij is telkens erg blij om de man te zien. Ter zitting heeft de man betoogd dat hij, ondanks de diabetes, wil vasthouden aan de door de rechtbank vastgestelde regeling. Bij het ziekenhuis waar de minderjarige onder behandeling is, heeft de man uitleg ontvangen van een verpleegkundige over wanneer en hoe er geprikt moet worden en hoeveel insuline toegediend moet worden. Hij kan dat prima zelf. 6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.