GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.149.614/01 Zaaknummer rechtbank : 243413 CV EXPL 07-3338 Zaaknummers hof Amsterdam : 200.018.335/01 en 200.078.456/01 Rolnummer Hoge Raad : C12/00490 arrest van 31 maart 2015 inzake Vereniging van oud medewerkers ECN & NRG, gevestigd te Petten, appellante, hierna te noemen: Omen, advocaat: mr. E.A. T den Haan-van Wijk te Alkmaar, tegen 1. Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland , 2a. vennootschap onder firma Nuclear Research and Consultancy Group, alsmede haar vennoten: 2b. ECN Nucleair B.V. en 2c. Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland, alle gevestigd te Petten, gemeente Zijpe, geïntimeerden, hierna gezamenlijk te noemen: ECN, advocaat: mr. F.E. Vermeulen te Amsterdam. Het geding Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar het in deze zaak gewezen arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013, zaaknr. 12/00490, ECLI:NL:HR:2013:CA0566. De Hoge Raad heeft bij dat arrest in het principaal cassatieberoep het arrest van 1 november 2011 van het hof Amsterdam vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing en het incidentele cassatieberoep verworpen. Bij exploot van 9 mei 2014 heeft Omen ECN opgeroepen voort te procederen bij dit hof. Vervolgens hebben Omen en ECN elk een memorie na verwijzing genomen. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. In het door ECN overgelegde dossier ontbreekt de door haar genomen memorie na verwijzing. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door het gerechtshof te Amsterdam in zijn arrest van 1 november 2011 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook dit hof zal daar van uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak om het volgende: 2.1 Omen is een vereniging die krachtens haar statuten de belangen van haar (potentiële) leden behartigt, in het bijzonder betreffende hun pensioenaanspraken ten opzichte van de oud-werkgevers van die leden, ECN. 2.2 ECN had tot 1 januari 2007 de pensioenregeling van zijn werknemers ondergebracht bij Centraal Beheer Achmea. Tot 1 januari 1990 kende artikel 9 van het destijds toepasselijke pensioenreglement 1964 (hierna: pensioenreglement 1964) een door de verzekeraar gegarandeerde vaste indexering van 3% per jaar, waarvoor een reserve werd aangehouden. 2.3 Bij het pensioenreglement zoals dit van 1 januari 1990 tot 1 januari 1999 heeft gegolden (hierna: pensioenreglement 1990) is de volgende indexeringsregeling ingevoerd: "Artikel 9: Beperkte waardevastheid 1. Pensioenen, welke op grond van dit reglement zijn toegekend, worden jaarlijks op 1 januari verhoogd. 2. De in lid 1 bedoelde pensioenen zullen op het in lid 1 genoemde tijdstip in ieder geval worden verhoogd met het door de verzekeraar op die datum berekende percentage van de overrentekorting. 3. Indien op de datum van de pensioenverhoging het vastgestelde prijsindexcijfer het in lid 2 bedoelde percentage van de overrentekorting overstijgt, zal het pensioen extra worden verhoogd met de geconstateerde overstijging, met dien verstande dat de extra stijging nooit meer zal bedragen dan 6%. 4. (…) 5. De in voorgaande leden bedoelde stijgingen worden respectievelijk gefinancierd uit de door de verzekeraar te verlenen overrentekortingen die over de premiereserve van de ingegane pensioenen wordt vastgesteld, en de gelden die door de wijzigingen van de financiering van het pensioenreglement zijn vrijgevallen. 6. De in lid 5 bedoelde vrijgevallen gelden zijn door de werkgever ter beschikking van de verzekeraar gesteld en tegoed geschreven op een ten name van de werkgever bij de verzekeraar geopende depotrekening. Het saldo van de depotrekening zal uitsluitend worden aangewend als in de depotovereenkomst is bepaald. 7. (…)" 2.4 Het pensioenreglement zoals dit van 1 januari 1999 tot 1 januari 2007 heeft gegolden (hierna: pensioenreglement 1999) bevat een zelfde indexeringsregeling, zij het niet alleen van ingegane pensioenen maar ook van de pensioenaanspraken van de slapers. De leden 5 en 6 ontbreken in pensioenreglement 1999. 2.5 Bij de invoering van pensioenreglement 1990 is een reserve ter voorziening in (onder andere) de vaste toeslag van 3% per jaar ten bedrage van NLG 48.521.785 (circa € 22 miljoen) vrijgevallen. Dit bedrag is in een rentedragend depot (8,3% rente per jaar) gesteld bij Centraal Beheer Achmea (hierna: Indexatiedepot). Artikel 1 lid 5 van de depotovereenkomst luidt voor zover hier van belang: "Het nominale bedrag van de depotrekening, blijft gedurende de looptijd van deze overeenkomst, in principe gelijk. De rente-opbrengsten van de depôtrekening, zullen door de verzekeraar uitsluitend worden aangewend voor financiering van de in het pensioenreglement genoemde indexatie van ingegane pensioenen, die door de depôthouder bij de verzekeraar zijn verzekerd. Voor zover de rente-opbrengsten meer bedragen dan noodzakelijk is voor de indexatie van ingegane pensioenen kunnen zij worden aangewend voor door de depôthouder nader aan te geven doeleinden in het kader van de pensioenregeling." 2.6 Artikel 11 lid 5 respectievelijk lid 6 van pensioenreglementen 1990 respectievelijk 1999 houdt een premiebetalingsvoorbehoud in voor het geval "de financiële omstandigheden waarin deze [de werkgever, hof] verkeert zich zodanig ingrijpend wijzigen, dat (ongewijzigde) continuering van de pensioenregeling niet langer mogelijk is." 2.7 Artikel 18 van de pensioenreglementen 1990 en 1999 bevat het volgende wijzigingsbeding: "Artikel 18. Wijziging of intrekking van de pensioenregeling 1. De in dit pensioenreglement omschreven pensioenregeling kan door de werkgever worden gewijzigd of ingetrokken na overleg met de betrokken werknemers. Met name kan hiervan gebruik worden gemaakt indien: a. uitbreiding wordt gegeven aan bestaande algemeen verplichte wettelijke regelingen ter zake van ouderdoms-, en/of nabestaandenpensioen; b. enig nieuwe algemeen verplichte wettelijke regeling ter zake van ouderdoms- en/of nabestaandenpensioen wordt ingevoerd; c. de verplichtstelling van enig bedrijfspensioenfonds op de betrokken werknemers van toepassing wordt of de van toepassing zijnde regeling van het bedrijfspensioenfonds ingrijpend wijzigt. 2. Bij wijziging of intrekking van de pensioenregeling blijven de ten tijde van de wijziging of intrekking op grond van gedane pensioenstortingen reeds verkregen rechten op pensioen en premievrije aanspraken gehandhaafd." Artikel 20 van het pensioenreglement 1964 bevat een vergelijkbaar wijzigingsbeding. 2.8 Met ingang van 1 januari 1998 heeft ECN een gesepareerd beleggingsdepot gevormd, waarin een gedeelte van de pensioenreserve is ondergebracht. Per 1 januari 2000 is het Indexatiedepot vrijgevallen en per 1 juli 2000 is het depotbedrag van € 27.131.977,- toegevoegd aan het gesepareerd beleggingsdepot. Eind 2002 is het gesepareerd beleggingsdepot geliquideerd vanwege grote verliezen en is de resterende pensioenreserve weer ondergebracht in het solidaire beleggingsdepot van Centraal Beheer Achmea (het totale door Centraal Beheer Achmea beheerde vermogen). Hierbij manifesteerde zich een dekkingstekort van circa € 8 á 9 miljoen. 2.9 Met ingang van 1 januari 2003 heeft ECN het toekennen van toeslagen op pensioenaanspraken/rechten gestaakt. Zij beriep zich daarbij op de zogenoemde conjunctuurclausule uit artikel 11 van de pensioenreglementen (zie hiervoor onder 2.6). Omen heeft vervolgens een procedure tegen ECN aangespannen. In het tussenvonnis van 15 februari 2006 heeft de kantonrechter onder meer beslist dat de mogelijkheid de indexering van ingegane pensioenen te wijzigen of te verminderen met een beroep op het voorbehoud van artikel 11 lid 5 respectievelijk lid 6 van de pensioenreglementen slechts aan de orde kan zijn in geval van zodanige ingrijpend gewijzigde financiële omstandigheden dat ongewijzigde continuering van de pensioenregeling niet langer als mogelijk moet worden geoordeeld en in het (onherroepelijk geworden) eindvonnis van 26 juli 2006 (gewezen onder zaaknummer 174902-04-5207) heeft de kantonrechter ECN veroordeeld aan Centraal Beheer Achmea de koopsommen te voldoen ten behoeve van het indexeren van de (premievrije) pensioenaanspraken van haar ex-werknemers over de jaren 2003, 2004 en 2005. De kantonrechter legde aan zijn beslissing ten grondslag, dat ECN geen nadere informatie heeft verschaft als waarom was verzocht in het tussenvonnis, en dat daarom een beroep op de conjunctuurclausule onredelijk is. ECN heeft aan dit eindvonnis uitvoering gegeven. ECN heeft daarnaast de koopsommen voor indexering over het jaar 2006 voldaan. 2.10 Met ingang van 1 januari 2007 heeft ECN in overleg met de ondernemingsraad de pensioenregeling voor de actieve werknemers ondergebracht bij het ABP. De tot 1 januari 2007 op grond van de pensioenreglementen 1964, 1990 en 1999 opgebouwde pensioenaanspraken/rechten van actieven, slapers en gepensioneerden zijn achtergebleven bij Centraal Beheer Achmea. 2.11 Bij brieven van 24 november 2006 en 6 december 2006 aan de ex-werknemers heeft ECN deze ex-werknemers verzocht in te stemmen met wijziging van de artikelen 9 van de pensioenreglementen 1964, 1990 en 1999 aldus dat de indexeringsregelingen uitdrukkelijk voorwaardelijk werden gemaakt. Bij brieven van 26 december 2006 aan degenen van de ex-werknemers die niet hadden ingestemd met de wijziging, heeft ECN bericht dat de artikelen 9 van de pensioenreglementen 1964, 1990 en 1999 met ingang van 1 januari 2007 eenzijdig werden gewijzigd. 2.12 Omen heeft ECN op 5 juli 2007 gedagvaard voor de kantonrechter en heeft gevorderd – kort gezegd – een verklaring voor recht dat ECN niet bevoegd was de pensioenreglementen eenzijdig te wijzigen ten aanzien van de oud-medewerkers die op 1 januari 2007 niet meer in dienst waren (verder: de oud-medewerkers), alsmede veroordeling van ECN de oude pensioenreglementen te blijven toepassen ten aanzien van deze medewerkers, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter heeft op 16 juli 2008 een tussenvonnis gewezen en heeft daarvan desgevraagd tussentijds hoger beroep opengesteld. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 29 december 2009 dit tussenvonnis bekrachtigd. Het hof heeft daarbij onder meer overwogen, dat aan de beslissingen in de (hiervoor in 2.9 vermelde) vonnissen van de kantonrechter van 2006 in de onderhavige procedure geen gezag van gewijsde toekomt (rov. 4.4 en 4.5). Voorts heeft het hof Omen niet gevolgd in haar stelling dat wijziging van de pensioenreglementen niet mogelijk is op de grond dat sprake is van een "uitgewerkte" rechtsverhouding. Evenmin heeft het hof Omen gevolgd in haar stelling dat de tekst van de pensioenreglementen aan wijziging daarvan in de weg staat (rov. 4.7). 2.13 De kantonrechter heeft vervolgens bij het bestreden vonnis de vorderingen van Omen afgewezen en heeft haar in de proceskosten veroordeeld. Hiertegen is Omen in hoger beroep gegaan en heeft haar eis vermeerderd met onder meer een subsidiaire vordering inhoudende – zakelijk weergegeven – de veroordeling van ECN tot betaling aan Centraal Beheer Achmea van die bedragen die nodig zijn om de pensioenen van haar oud-medewerkers onvoorwaardelijk en volledig te indexeren conform artikel 9 van de pensioenreglementen 1990 en 1999, met dien verstande dat tijdens die periode de conjunctuurclausule niet toegepast zal mogen worden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De grieven van Omen betreffen: - de mogelijkheid tot wijziging van de indexeringsregeling (grief I); - de uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid en de weging van het belang van ECN bij wijziging van de indexeringsregeling, met inachtneming van de door Omen aangevoerde omstandigheden (grieven II tot en met XVI); - het ontbreken van een overgangsregeling. 2.14 Het hof te Amsterdam heeft – kort samengevat – in zijn eindarrest als volgt geoordeeld. Het gaat erom of het belang van ECN bij de wijziging van de pensioenreglementen zo zwaarwichtig is dat het belang van de oud-medewerkers dat door de wijziging wordt geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken (rov. 3.5). Bij ECN ontbreekt een voldoende zwaarwegend financieel belang bij de wijziging van artikel 9 van het pensioenreglement 1964, 1990 en 1999, hetgeen meebrengt dat ECN deze wijziging niet aan de ex-deelnemers kan tegenwerpen. Daarom is ECN gehouden die ex-werknemers die op 31 december 2006 een premievrije aanspraak (de slapers) dan wel een pensioenrecht (de gepensioneerden) hadden, de toeslagen toe te kennen die voortvloeien uit de tot en met 31 december 2006 geldende tekst van deze pensioenreglementen (rov. 3.7-3.14 van het eindarrest). Dit betekent, aldus nog steeds het hof, dat de grieven II t/m XVI slagen en het ontbreken van een voldoende zwaarwegend belang bij de wijziging van artikel 9 van het pensioenreglement 1964, 1990 en 1999 met zich brengt dat ECN deze wijziging niet aan de oud-medewerkers kan tegenwerpen. ECN werd veroordeeld artikel 9 van de tot en met 31 december 2006 geldende tekst toe te blijven passen ten aanzien van de ex-werknemers die op 31 december 2006 voormalig deelnemer waren (de slapers en de gepensioneerden). 2.15 ECN heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld en Omen op haar beurt voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. 2.16 In zijn arrest van 6 september 2013 heeft de Hoge Raad in het principale cassatieberoep het eindarrest van het gerechtshof te Amsterdam vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en het incidentele cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad overwoog daartoe onder meer als volgt: " 4 Beoordeling van het middel in het principale beroep (…) 4.1.3 Het hof heeft geoordeeld dat het bij de vraag of ECN tot wijziging mocht overgaan erom gaat of het belang van ECN bij die wijziging zo zwaarwichtig is dat het belang van de oud-werknemers dat door de wijziging wordt geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Het hof is daarbij kennelijk uitgegaan van de beoordelingsmaatstaf van art. 19 van de op 1 januari 2007 in werking getreden Pensioenwet (Pw). ECN heeft echter haar wijzigingsbevoegdheid uitgeoefend op 26 december 2006, op welke datum de Pensioenwet nog niet van kracht was. De omstandigheid dat 1 januari 2007 was gekozen als ingangsdatum van de wijziging brengt niet mee dat die datum ook maatgevend is voor de bevoegdheid tot wijziging. 4.1.4 De op 26 december 2006 geldende Pensioen- en Spaarfondsenwet voorzag niet in een beoordelingsmaatstaf als die van art. 19 Pw, noch in enige andere maatstaf voor de beoordeling van een eenzijdige wijziging in pensioenreglementen. Voor zover de pensioenreglementen ECN de bevoegdheid tot wijziging gaven, betekent dit dat het gebruikmaken van die bevoegdheid in beginsel geoorloofd was en dus niet dat die geoorloofdheid afhankelijk was van een belangenafweging als die van art. 19 Pw. Hiervan uitgaande werd de uitoefening van deze bevoegdheid slechts beperkt voor zover ECN van die bevoegdheid misbruik maakte (art. 3:13 BW) of uitoefening van die bevoegdheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 lid 2 BW). 4.1.5 Onderdeel 1 slaagt derhalve. 4.2.1 Onderdeel 2 klaagt dat het hof is voorbijgegaan aan de stelling van ECN dat de door haar verplicht gehanteerde boekhoudmethode, de zogenoemde RJ 271, haar noodzaakte een voorziening van € 80 miljoen te treffen als de onvoorwaardelijke indexering in stand zou blijven. Het onderdeel wijst erop dat ECN voor het hof heeft aangevoerd dat zij hierdoor eind 2006 “op de rand van de financiële afgrond balanceerde” en voert aan dat voor het hof in geschil was of de voorziening inderdaad in de orde van grootte van € 80 miljoen lag en of ECN dispensatie van de RJ 271 kon krijgen. 4.2.2 Ook dit onderdeel treft doel. Het hof heeft het standpunt van ECN, dat zij op grond van de voor haar geldende richtlijn RJ 271 eind 2006 verplicht was in haar jaarrekening een voorziening van € 80 miljoen aan te houden, niet kenbaar betrokken in zijn waardering en afweging van de wederzijdse belangen. Een verwerping van dit standpunt volgt ook niet met de vereiste begrijpelijkheid uit rov. 3.8, waar het hof overweegt dat ECN tegen de achtergrond van een jaarlijkse extra last van € 2,1 miljoen onvoldoende heeft toegelicht dat haar financiële belang bij wijziging van de indexeringsregeling een bedrag in de orde van € 80 miljoen zou bedragen. Uit deze overweging blijkt immers niet dat het hof in zijn oordeel heeft betrokken dat volgens ECN enerzijds het bedrag van € 80 miljoen nodig was voor een verplicht aan te houden voorziening voor financiering van de indexaties over hun gehele te verwachten looptijd, terwijl anderzijds het bedrag van € 2,1 miljoen per jaar slechts haar verplichting op de korte termijn belichaamde. Bovendien was dat laatste bedrag volgens ECN niet representatief omdat het was gebaseerd op een historisch laag inflatiecijfer. Het hof heeft derhalve zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd. 4.3 De klachten van onderdeel 3 slagen voor zover zij voortbouwen op de onderdelen 1 en 2. Voor het overige behoeven zij geen behandeling. 5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep 5.1 Onderdeel III van het middel betoogt onder meer dat de onvoorwaardelijke aanspraak op indexatie niet meer kan worden gewijzigd na het einde van de arbeidsovereenkomst omdat de rechtsverhouding tussen werkgever en werknemer dan is “uitgewerkt”. Volgens het onderdeel heeft het hof zijn oordeel ten onrechte gericht op het einde van de pensioenovereenkomst in plaats van op het einde van de arbeidsovereenkomst. Het onderdeel faalt in zoverre. Indien sprake is van pensioenaanspraken, brengt het einde van de arbeidsovereenkomst nog niet mee dat de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen als “uitgewerkt” moet worden aangemerkt. In dat geval wordt die rechtsverhouding, zij het met gewijzigde hoedanigheid van de partijen, voortgezet in de pensioenovereenkomst. Nu het in dit geding erom gaat wat in de aldus voortgezette rechtsverhouding geldt, valt niet in te zien waarom de enkele omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zou moeten meebrengen dat de aanspraak op indexatie in de pensioenfase onaantastbaar zou zijn. Of – en zo ja, in hoeverre – die aanspraak kan worden aangetast, is afhankelijk van de wet en de regels die de uitvoering van de pensioenovereenkomst beheersen alsmede van de inhoud van die overeenkomst (zie daarover hiervoor in 4.1.4 en hierna in 5.2). 5.2 Onderdeel IV klaagt over het oordeel van het hof dat de art. 18 lid 1 van de pensioenreglementen 1990 en 1999 zich niet ertegen verzetten dat die reglementen ten opzichte van voormalige werknemers worden gewijzigd. Volgens het onderdeel volgt uit de omstandigheid dat beide pensioenreglementen naar hun tekst kunnen worden gewijzigd “door de werkgever” en “na overleg met de betrokken werknemers” dat een zodanige wijziging alleen de zittende werknemers kan betreffen. Het onderdeel faalt in zoverre. De desbetreffende artikelen bepalen naar hun tekst niet dat de pensioenreglementen niet ten opzichte van ex-werknemers kunnen worden gewijzigd, en ook bij een uitleg volgens de in het middel genoemde cao-norm behoefde het enkele feit dat in die artikelen ECN wordt vermeld als “de werkgever” en wordt gesproken van (overleg met) “werknemers” het hof niet ervan te weerhouden de wijzigingsbevoegdheid mede te betrekken op de – uit arbeidsovereenkomsten voortvloeiende – verhouding tussen ECN en haar voormalige werknemers met pensioenaanspraken. Daarbij is van belang dat, zoals het hof ook heeft benadrukt, het tweede lid van art. 18 waarborgt dat de op grond van gedane premiestortingen verkregen rechten op pensioen en reeds toegekende indexering gehandhaafd blijven. Het hof behoefde zijn oordeel niet verder te motiveren dan het heeft gedaan. (…)" 3.1 In haar memorie na verwijzing heeft Omen primair betoogd, dat toetsing van het gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid dient plaats te vinden aan de hand van artikel 7:613 BW. Ter toelichting van dit standpunt heeft Omen er op gewezen dat de Hoge Raad heeft overwogen dat het hof te Amsterdam kennelijk is uitgegaan van de beoordelingsmaatstaf van artikel 19 van de Pensioenwet, en dat die maatstaf onjuist is omdat op de datum van het in geding zijnde besluit de Pensioen- en Spaarfondsenwet nog gold. Volgens Omen heeft het oordeel van de Hoge Raad dus uitsluitend betrekking op de norm van de Pensioen- en Spaarfondsenwet, en laat dat de mogelijkheid van toepassing van de beoordelingsmaatstaf van artikel 7:613 BW onverlet. 3.2 Het hof deelt dit standpunt niet. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat – nu de Pensioenwet niet van toepassing is – dat voor zover de pensioenreglementen ECN de bevoegdheid tot wijziging geven, het gebruikmaken van die bevoegdheid in beginsel geoorloofd is en dat de uitoefening van deze bevoegdheid slechts wordt beperkt voor zover ECN van die bevoegdheid misbruik maakt (art. 3:13 BW) of uitoefening van die bevoegdheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Anders dan Omen in haar memorie na verwijzing betoogt, dient toetsing van het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid dus niet plaats te vinden aan de hand van artikel 7:613 BW. De norm van artikel 7:613 BW heeft de Hoge Raad immers niet genoemd, hetgeen wel in de rede had gelegen indien de Hoge Raad van oordeel was dat hieraan getoetst zou moeten worden. Immers, ECN heeft in haar principale cassatiemiddel, onderdeel 1 aan de orde gesteld: "Weliswaar gold ten tijde van het besluit van ECN art. 7:613 BW al wél, maar die bepaling is hier niet van toepassing, nu OMEN in deze procedure opkomt voor de belangen van de voormalige werknemers van ECN". Daar komt bij dat door de advocaat-generaal in zijn conclusie onder 3.5 is gesignaleerd dat de norm van artikel 19 Pensioenwet vergelijkbaar is met die van artikel 7:613 BW en het hof te Amsterdam in zijn arresten niet heeft weergegeven waaraan hij de door hem gehanteerde norm heeft ontleend. Bij deze stand van zaken is niet goed denkbaar dat de Hoge Raad, in het geval dat hij van oordeel was dat de door het hof gehanteerde norm mits ontleend aan artikel 7:613 BW (en niet aan artikel 19 Pensioenwet) de juiste was, desondanks zou oordelen dat het hof een onjuiste norm heeft gehanteerd. 3.3 Daar artikel 18, lid 1 van de pensioenreglementen de bevoegdheid biedt tot het eenzijdig wijzigen van de pensioenregeling, betekent het vorenstaande dat het hof de vraag heeft te beantwoorden of het gebruik dat ECN op 26 december 2006 heeft gemaakt van deze bevoegdheid misbruik van bevoegdheid oplevert, dan wel de uitoefening van die bevoegdheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Omen heeft weliswaar in haar memorie na verwijzing (voor het eerst) aangevoerd dat artikel 18, lid 1 de eenzijdige bevoegdheid tot wijziging in het onderhavige geval niet biedt, omdat zich in casu niet een van de aldaar genoemde situaties voordoet en uit het reglement voortvloeit dat de wijzigingsbevoegdheid op grond van financiële omstandigheden beperkt is tot situaties waarin een ongewijzigde continuering van de pensioenregeling niet mogelijk is. In ieder geval, zo betoogt Omen, volgt uit de bewoordingen van artikel 18, dat het niet bedoeld is voor een situatie waarin de financiële situatie van de werkgever aanleiding geeft tot wijziging, omdat voor die situatie in artikel 11 van de pensioenreglementen een voorbehoud is gemaakt. Het hof gaat aan deze stellingen voorbij, omdat de kantonrechter en het hof te Amsterdam als uitgangspunt hebben genomen dat artikel 18 in het onderhavige geval wel van toepassing is en Omen daartegen niet eerder bezwaren als thans aan de orde heeft aangevoerd en het daarvoor nu te laat is. Overigens, maar dit gelet op het vorenstaande ten overvloede, geeft artikel 18 – blijkens de redactie – een enuntiatieve en geen limitatieve opsomming van situaties van toepasselijkheid. 3.4 Volgens Omen heeft ECN misbruik gemaakt van bevoegdheid, dan wel was de uitoefening van die bevoegdheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en wel op grond van de volgende omstandigheden: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.