Rolnummer: 22-000250-14 Parketnummer: 10-960227-12 Datum uitspraak: 2 april 2015 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken ARREST Gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2014 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], volgens eigen opgave geboren [geboortedatum] 1997 te Somalië, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Ter Apel te Ter Apel. Opmerkingen vooraf In het onderzoek ‘CETO’ zijn in totaal vier Somalische verdachten aangehouden. Elk van hen heeft, zoals in het algemeen ook in onderzoeken in Nederland te doen gebruikelijk is, een verdachtennummer (V) gekregen. Ook de getuigen in deze zaak hebben een dergelijk nummer (G) gekregen. Het hof maakt, indien en voor zover relevant, in dit arrest gebruik van de volgende nummers voor de aanduiding van de verdachten en getuigen in de zaak: V14: [V14], geboren te Somalië. V15: [V15], geboren te Somalië (de verdachte in deze zaak). V17: [V17], geboren te Somalië. V18: [V18], geboren te Somalië. G1: [G1], geboren te Iran. G2: [G2], geboren te Iran. G3: [G3], geboren te Iran. G4: [G4], geboren te Iran. G5: [G5], geboren te Iran. G7: [G7]. G8: [G8]. G9: [G9]. G10: [G10]. G11: [G11]. G12: [G12]. G13: [G13]. G14: [G14]. G15: [G15]. G17: [G17], geboren te Somalië. G19: [G19], geboren te Somalië. Het hof merkt in dit verband op dat uit het procesdossier is gebleken dat genoemde nummers tevens corresponderen met de nummers onder de foto’s die bij gelegenheid van de diverse verhoren aan de verdachte(
(2012): Somalia’, alsmede naar de verklaring van G1 dat er aan boord van de Dhow 100 of 200 wapens zouden zijn gebracht. 10.2.3.2. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben - kort gezegd - gesteld dat er voor de suggestie dat de getuigen G1 tot en met G5 zelf zodanig betrokken waren bij het plegen van strafbare feiten dat hun verklaringen reeds daarom onbetrouwbaar moeten worden geacht geen steun in het dossier te vinden is, terwijl hun verklaringen overigens ondersteund worden door ander bewijsmateriaal. 10.2.3.3. Oordeel van het hof Voor zover de verdediging, door de stelling dat de Iraanse bemanning eigen betrokkenheid bij strafbare feiten niet toe zal geven, heeft gesuggereerd dat daarin een algemeen motief zou zijn gelegen om (onbetrouwbare) belastende verklaringen af te leggen, overweegt het hof het volgende. Blijkens het hiervoor genoemde rapport van Monitoring Group on Somalia and Eritrea is er in de regio Puntland in Somalië, ook in de ten laste gelegde periode, sprake van grootschalige illegale visserij en heeft de Monitoring Group meerdere onbevestigde rapporten ontvangen waaruit blijkt dat enkele van die illegale vissersboten zich ook schuldig maken aan bijvoorbeeld wapen- en drugssmokkel. Dat ook de Iraanse en Pakistaanse bemanning van de dhow Mohsen, waaronder G1 tot en met G5, zich hieraan schuldig hebben gemaakt is naar het oordeel van het hof echter op geen enkele wijze aannemelijk geworden, laat staan dat het dossier (concrete) aanwijzingen biedt voor het standpunt van de verdediging dat de (belastende) verklaringen van de desbetreffende getuigen met name zijn ingegeven ter bemanteling van die criminele activiteiten en dat daarin (zonder meer) een reden is gelegen om die verklaringen als onbetrouwbaar terzijde te stellen. Meer in het bijzonder overweegt het hof nog dat de verklaring van de verdachte dat er hash en cocaïne op de dhow Mohsen aanwezig waren en dat de cocaïne van de Iraniërs was, wat daar verder van zij, niet ondersteund wordt door enig ander bewijsmiddel. De verklaring voorts van G1 inhoudende dat er 100 tot 200 wapens aan boord waren, moet primair worden gelezen in onderling verband en samenhang met zijn opvolgende verklaring bij de rechter-commissaris en leidt naar het oordeel van het hof, en anders dan door de verdediging kennelijk wordt gesuggereerd, tot de conclusie dat hij in dit verband doelt op het aan boord brengen van wapens door de Somalische kapers/gijzelaars. Bij dit oordeel betrekt het hof tevens dat ook G2 heeft verklaard dat de kapers wapens aan boord van de dhow hebben gebracht en de verdachte en G16 voorts hebben verklaard over gewapende Somaliërs aan boord, evenals de Somaliër G19 die in zijn eerste verklaring heeft verteld dat hij aan boord werkte als bewaker en dat de dhow Mohsen in handen was van piraten en dat ze gegijzeld waren. Bijzondere omstandigheden die het hof tot een ander oordeel zouden hebben moeten leiden zijn niet aannemelijk geworden. Het verweer op dit punt faalt mitsdien. 10.2.4. Trauma/gemoedstoestand van de getuige 10.2.4.1. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van G1 aangevoerd dat zijn verklaringen in hun geheel onbetrouwbaar zijn vanwege zijn gemoedstoestand. Ter adstructie heeft de verdediging er op gewezen dat deze getuige tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij er met zijn gedachten niet bij is. Hier is echter niet op doorgevraagd, waardoor onduidelijk is in hoeverre één of meer of alle onderdelen van zijn verhoren hieronder te lijden hebben gehad. Naar het oordeel van de verdediging is het in deze situatie onverantwoord om (delen) van de verklaringen van deze getuige tot het bewijs van het ten laste gelegde te bezigen. 10.2.4.2. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben aangevoerd dat G1 (en G2) vrijwel direct na het treffen met de Nederlandse marine zijn gehoord. Begrijpelijk is dat op dat moment de schrik - na een vuurgevecht, een overval van hun schip, alsmede het verlies van tenminste één van hun collega’s - er nog goed inzit. De advocaten-generaal zijn van oordeel dat het in de rede ligt om, met inachtneming van enerzijds deze omstandigheid en anderzijds het feit dat de verklaringen zeer kort na de gebeurtenissen waarop zij betrekking hebben zijn afgelegd, het juist in de rede ligt om bijzondere waarde toe te kennen aan de verklaringen van deze getuigen. 10.2.4.3. Oordeel van het hof In zijn algemeenheid betreft een punt van bijzondere aandacht de omstandigheid dat in ieder geval de als getuigen gehoorde bemanningsleden verklaren slachtoffer te zijn geweest van een kaping, een daarop volgende gijzeling die gepaard is gegaan met geweld en dreiging met geweld. Voorts hebben zij het schietincident met de Nederlandse marine van zeer dichtbij meegemaakt waarbij aannemelijk is geworden dat in ieder geval één van hun directe collega’s is komen te overlijden. Het hof heeft zich daarbij de vraag gesteld hoe traumatische gebeurtenissen herinnerd worden en of herinneringen aan dergelijke gebeurtenissen accurater of wellicht juist minder accuraat zijn dan herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen en daarmee van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige die deze gebeurtenissen heeft ondergaan. Zoals dit hof eerder hierover in zijn arrest in de zaak Mpambaraheeft overwogen, wordt in de literatuur beschreven dat het geheugen van de getuige als gevolg van traumatisering kan worden aangezet tot verdringing en dissociatie, die – in negatieve zin – effect sorteren op het geheugen. Meer in algemene zin geldt dit ook voor het waarnemingsvermogen van de getuige. Dat de getuige als gevolg van (ernstig) trauma door verdringing of vermijding de in het geheugen opgeslagen herinneringen aan een bepaalde gebeurtenis heeft uitgeschakeld, wil echter niet zeggen dat die herinnering, door middel van zorgvuldige en gerichte vraagstelling, niet alsnog toegankelijk wordt gemaakt. Zo er echter aanwijzingen zijn dat de verklaring van de getuige mogelijk is beïnvloed door het traumatische karakter van hetgeen de getuige is overkomen, dient deze verklaring met voorzichtigheid en slechts in onderlinge samenhang met eerdere of opvolgende verklaringen en andere bewijsmiddelen te worden beoordeeld. Bij de beoordeling van de verklaring van G1 stelt het hof in vorenstaand verband de volgende feiten en omstandigheden vast. G1 is zeer kort na het gewapend treffen met de Nederlandse marine op 24 oktober 2012 vanaf circa 21.30 uur tot 00.15 uur als getuige gehoord, waarna zijn verhoor de volgende dag is afgerond. Deze getuige is vervolgens op 29 oktober 2012 door middel van een videoverbinding door de rechter-commissaris gehoord. Dit verhoor is relatief snel beëindigd nu de tolk en de getuige elkaar niet volledig begrepen. De volgende dag is de getuige andermaal door middel van een videoverbinding door de rechter-commissaris gehoord. In dat verhoor heeft de getuige al in het begin op de mededeling van de rechter-commissaris dat hij niet precies antwoord geeft op de vraag aangegeven: ‘Mijn 2 broers zijn gewond geraakt. Ik ben er helemaal niet bij. Ik ben er met mijn gedachte niet bij’ en nadat de rechter-commissaris heeft aangegeven de situatie te begrijpen: ‘Ik ben helemaal niet goed bij, mijn broers zijn gewond geraakt. We hebben heel veel ellende meegemaakt.’ Verder heeft deze getuige aangegeven dat wat hij zich nog kan herinneren, hij zal vertellen maar dat hij niet goed geconcentreerd is. Hij heeft daarbij zelf opgemerkt dat hij zich niet kan herinneren wat hij de avond daarvoor had gegeten. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, heeft de rechter-commissaris de getuige hierover wel bevraagd. Zo blijkt uit het proces-verbaal dat van dit verhoor is opgemaakt dat de rechter-commissaris de getuige naar aanleiding van bovengenoemde opmerkingen de volgende vraag heeft gesteld: ‘Was u vorige week woensdag toen u uit het water bent gehaald en bent gehoord door de marine, beter wat betreft uw concentratie?’ waarop de getuige antwoordde: ‘Ja toen wel. Op dit moment ben ik er met mijn gedachten niet bij. Mijn broers zijn gewond geraakt en nog wat meer mensen. Ik ben met mijn gedachten bij hen.’ Gelet op het vorenstaande, is het hof van oordeel dat – anders dan door de verdediging betoogd – niet gesteld kan worden dat onduidelijk blijft in hoeverre één of meerdere of misschien wel alle onderdelen van de verhoren van G1 te lijden hebben gehad onder zijn gemoedstoestand. Het hof verwerpt dan ook het verweer dat de verklaringen van G1 ten gevolge van zijn gemoedstoestand geheel onbetrouwbaar zijn. Wel zal het hof, zoals hiervoor reeds is overwogen, de verklaringen van deze getuige met enige behoedzaamheid en alleen in samenhang met andere mogelijke bewijsmiddelen beoordelen. 10.2.5. Sturing 10.2.5.1. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de dat bewijswaarde van de verklaringen van G1 uiterst beperkt is, onder meer omdat er door de verhorende verbalisanten veel suggestieve en leidende vragen zijn gesteld. 10.2.5.2. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben zich over dit punt niet uitgelaten en hebben slechts in algemene zin gesteld dat de verklaringen van G1 consistent zijn op voor de tenlastelegging essentiële punten en bovendien steun vinden in ander bewijsmateriaal. 10.2.5.2.3. Oordeel van het hof Ook het hof heeft geconstateerd dat met name tijdens het verhoor van deze getuige door de verbalisanten (op nummer) van de Koninklijke Marine en, zij het op ondergeschikte punten, door de rechter-commissaris sturende en soms suggestieve vragen zijn gesteld. Hoewel het hof het belang van het stellen van open vragen en het voorkomen van suggestie tijdens verhoren onderschrijft, is niet gebleken dat er gedurende de verhoren sprake is geweest van een positieve reactie op ‘gewenste’ antwoorden en negatieve reactie op ‘ongewenste’ antwoorden. Daarenboven geldt dat gesteld noch gebleken is dat er door deze wijze van vraagstelling sprake is geweest van kennelijk bewuste en (daardoor) onaanvaardbare sturing dan wel dat de getuige door deze wijze van vraagstelling beïnvloed is door de verhoorders. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om op grond van de enkele omstandigheid dat er ook een aantal suggestieve en leidende vragen zijn gesteld de verklaringen van de getuige als onbetrouwbaar ter zijde te leggen. 10.2.6. Afstemming 10.2.6.1. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat zij het vermoeden heeft dat de Iraanse getuigen hun verklaringen hebben geprobeerd af te stemmen, waarbij G2 door G1 geïnformeerd zou zijn over de aard en de inhoud van zijn eerste verklaringen in het licht waarvan G1 zijn verklaringen zou hebben aangepast. De verdediging heeft hiertoe - onder meer - gewezen op het feit dat G2 in zijn eerste verhoor alleen gesproken heeft over de aanwezigheid van Kalasjnikovs en dat hij in zijn tweede verhoor op de vraag wat voor soort wapens de Somaliërs bij zich hadden heeft geantwoord: ‘Een Colt en een Kalasnikov.’ 10.2.6.2. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben gesteld dat de suggestie dat G1 en G2 elkaars verklaring hebben beïnvloed niet op feiten is gebaseerd. Opvallend achten zij daarbij dat de verdediging aan getuige G2 geen relevante vragen heeft gesteld die betrekking hebben op de gestelde beïnvloeding. Voorts hebben de advocaten-generaal gesteld dat deze getuige gedetailleerd vanuit zijn perspectief heeft verklaard en dat deze verklaring op essentiële onderdelen overeenkomt met de verklaring van G1 en past binnen de ten laste gelegde feiten. 10.2.6.3. Oordeel van het hof Het enkele feit dat de verdediging ‘het er op houdt’ en ‘haar zorg herhaalt’ dat G2 door G1 zou zijn geïnformeerd over de aard en inhoud van zijn eerste ondervraging en dat G2 ten gevolge daarvan zijn verklaring bij de rechter-commissaris zou hebben aangepast, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om aannemelijk te achten dat een dergelijke afstemming zou hebben plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat het hof niet vermag in te zien dat, als er al daadwerkelijk afstemming zou hebben plaatsgevonden, dit beperkt zou worden tot het soort en de hoeveelheid wapens die de Somaliërs bij zich zouden hebben gedragen, een detail van ondergeschikte betekenis. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die het standpunt van de verdediging onderbouwen, verwerpt het hof ook dit verweer van de verdediging. 10.3. Conclusie ten aanzien van de getuigenverklaringen Met inachtneming van hetgeen hierover eerder onder de bewijswaardering in algemene zin is overwogen en behoudens het navolgende, is het hof van oordeel dat de verklaringen van G1 tot en met G5 in beginsel voldoende betrouwbaar zijn om, zo nodig, aan het bewijs te kunnen bijdragen. Deze verklaringen worden (op onderdelen) ondersteund door onderdelen van verklaringen van de andere genoemde getuigen, die elkaar aanvullen en versterken. Noch in de wijze van waarneming, noch in de mate van consistentie op de voor het bewijs van de tenlastelegging essentiële onderdelen zijn naar het oordeel van het hof redenen gelegen om de accuratesse van die (onderdelen van die) verklaringen op zodanige wijze in twijfel te trekken dat zij niet kunnen bijdragen aan het eventuele bewijs. De inhoud van de getuigenverklaringen geeft het hof geen aanleiding om aan de plausibiliteit ervan te twijfelen. Ofschoon het hof heeft geconstateerd dat de diverse getuigenverklaringen (op onderdelen) tegenstrijdigheden bevatten, zijn deze niet van zodanig doorslaggevend belang gebleken dat de voor het eventuele bewijs redengevende onderdelen van die verklaring(
- en)buiten het bewijs dienen te blijven. 11Vrijspraak Het hof is in deze strafzaak tot de slotsom gekomen dat onduidelijk is gebleven welke rol de verdachte toekwam en wat zijn aandeel is geweest in de ten laste gelegde feiten. Het hof is derhalve van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 (primair en subsidiair) en 2 (primair, subsidiair en meer subsidiair) ten laste gelegde, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken op gronden als hieronder nader uiteengezet. 11.1 Feiten of omstandigheden Bij de beoordeling van het ten laste gelegde neemt het hof als uitgangspunt de navolgende - op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken - vastgestelde feiten of omstandigheden. In het kader van de anti-piraterijmissies Atalanta en Ocean Shield patrouilleerde de Nederlandse marine in 2012 met de Hr. Ms. Rotterdam in de Golf van Aden, in de Indische Oceaan en in het Somali bassin. Het doel van de operaties was het begeleiden van schepen en het bestrijden en voorkomen van kapingen op koopvaardijschepen in het operatiegebied van de Hoorn van Afrika. Gebleken is dat de Somalische piraten vrijwel altijd volgens eenzelfde modus operandi werken. De piraten bereiden hun acties voor op het vaste land van Somalië. Zij maken bij hun acties gebruik van kleine en snelle schepen, zoals een skiff. Ook maken zij gebruik van gekaapte vissersschepen en kleine koopvaardijschepen, dhows genaamd. Deze schepen worden vervolgens gebruikt als uitvalsbasis voor het kapen van grote koopvaardijschepen. De vissersdhows zijn doelwit geworden vanwege hun wendbaarheid en grote actieradius, alsmede omdat deze schepen sterk zijn en bestand tegen een licht kaliber geweervuur. Ieder type dhow heeft een algemene aanduiding. Zo bestaan onder andere de typen Jelbut, Sambuq en Yemeni. In de ochtend van 24 oktober 2012 bevond de Hr. Ms. Rotterdam zich in de wateren voor de kust van Somalië in de buurt van Bandar Beyla. Van deze omgeving is uit inlichtingen en voorgaande patrouilles van marine-eenheden bekend dat vanuit deze locatie piraterij activiteiten ontplooid worden. Zo hebben in de buurt van dit oord twee op dat moment nog gekaapte schepen voor anker gelegen. De concentratie van piraterij activiteiten is bij de in het gebied opererende marine eenheden bekend onder de naam Comanche. Deze locatie bevindt zich op 20 mijl noord van Bandar Beyla. Op 24 oktober 2012 werden voor de kust, ter hoogte van Bandar Beyla, door de marine twee dhows waargenomen – één van het type Sambuq en één van het type Jelbut. Gelet op het feit dat deze typen dhow veelvuldig door piraten werden gebruikt voor piraterij activiteiten, werd besloten om een Maritime Situational Awareness (MSA) approach uit te voeren, te beginnen bij de Iraanse dhow type Sambuq, naar later bleek te zijn genaamd de Mohsen. Een MSA approach houdt in dat nader contact wordt gezocht met de opvarenden van het desbetreffende schip teneinde inlichtingen in te winnen aangaande piraterij activiteiten, met als uitgangspunt een contact op vrijwillige basis en op grond van een vriendschappelijke verstandhouding. Nadien is gebleken dat de Mohsen een Iraans visserschip betrof dat geruime tijd daarvoor door een groep gewapende Somaliërs was gekaapt in de buurt van Oman. De bemanningsleden van de dhow Mohsen zijn daarbij geschopt, geslagen en bedreigd met wapens. Ook is er geschoten. Vervolgens zijn zij opgesloten en bewaakt en is het schip naar Somalië gevaren. Tijdens de MSA approach lagen beide dhows lagen circa 500 yards uit de kust voor anker. De Hr. Ms. Rotterdam bevond zich op dat moment op een positie gelegen binnen de territoriale wateren van Somalië. Een onbemand verkenningsvliegtuig (UAV) legde vanuit de lucht de situatie vast. Door de marine werd besloten om een MSA approach uit te voeren met drie snelle rubberboten (Rigid Hull Inflatable Boats, hierna ook: RHIBS), bemand met teams van het Enhanced Boarding Element (EBE), met dekking door wapens vanaf de Hr. Ms. Rotterdam. De afstand tussen de Hr. Ms. Rotterdam en de dhows bedroeg op dat moment ongeveer 1100 yards. Vanaf de Hr. Ms. Rotterdam is eerst getracht de dhow op te roepen via de boordradio, waarop niet werd gereageerd. Op enig moment is de dhow Mohsen in beweging gekomen en voer het schip evenwijdig aan de kust ter hoogte van een tentenkamp, om vervolgens af te buigen richting de kustlijn. Toen de RHIBS de Iraanse dhow Mohsen op ongeveer 100 meter genaderd waren, volgde er een vuurgevecht tussen de dhow Mohsen enerzijds en de RHIBS en, ter ondersteuning, de Hr. Ms. Rotterdam, anderzijds. Daarbij werd een explosie waargenomen en vatte de dhow Mohsen vlam ter hoogte van de stuurhut. Verder werd waargenomen dat verschillende opvarenden vanaf de dhow in zee sprongen. Door de beschieting door de marine raakte een aantal opvarenden van de dhow Mohsen (dodelijk) verwond. Na dit vuurgevecht hebben de RHIBS zich aanvankelijk teruggetrokken, waarna de RHIBS, geassisteerd door een vierde RHIB, opnieuw naar de dhow zijn gestuurd om drenkelingen uit zee te halen. Op het moment dat de RHIBS bij de drenkelingen arriveerden, werd opnieuw het vuur op hen geopend. Uiteindelijke werden in totaal 25 personen naar de Hr. Ms. Rotterdam gebracht, waaronder 19 oorspronkelijke bemanningsleden van de dhow Mohsen (17 Iraniërs en 2 Pakistanen) en 6 Somaliërs, waaronder de verdachte. De dhow Mohsen is uiteindelijk volledig uitgebrand, waarna het schip is gezonken. Deze feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, en aangevuld met andere (ondersteunende) bewijsmiddelen, vormen in de kern de opmaat voor de vraag of de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. 11.2. De verdachte als medepleger Ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof in algemene zin als volgt. Volgens vaste jurisprudentie is er van medeplegen sprake - kort gezegd - indien de verschillende daders hebben gehandeld in een (voldoende) nauwe en bewuste (intensieve) samenwerking, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook een daadwerkelijke uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit zelf moet hebben verricht. Een en ander houdt in dat de medeplegers willens en wetens (opzettelijk) moeten hebben samengewerkt tot het verrichten van de ten laste gelegde delictueuze gedraging(en). Met andere woorden: de daders moeten opzet hebben gehad op zowel de samenwerking als op het delict zelf. Indien daarvan sprake is, doet niet beslissend ter zake welke feitelijke handelingen door de verdachte dan wel door (één van) zijn mededader(
- s)is/zijn gepleegd. Ofschoon de bijdrage van de medepleger substantieel (een wezenlijke bijdrage) moet zijn, is het niet noodzakelijk dat de verdachte zelf een uitvoeringshandeling heeft verricht. Het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handeling heeft verricht. Evenmin hoeft ieder van de medeplegers precies op de hoogte te zijn van de bijdragen die een andere medepleger aan (de uitvoering van ) het strafbare feit heeft geleverd. Blijkens eveneens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de rechter bij de vorming van zijn oordeel dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking rekening houden met onder meer: de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In een geval als het onderhavige, waarin het aan de verdachte verweten medeplegen is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangend medeplegen van een ander strafbaar feit (in het onderhavige geval: zeeroof dan wel de kaping van de dhow Mohsen en/of de gijzeling van de bemanning van de dhow Mohsen), is het bovendien geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds voordien, is ontstaan. Het hof zal hier bij de bespreking van het onder 2 ten laste gelegde nader op terugkomen. Zoals hiervoor werd overwogen, houdt medeplegen opzet in, hetgeen tot uitdrukking komt in het vereiste van een bewuste samenwerking alsmede in het vereiste opzet op de delictsgedraging. Dit houdt naar het oordeel van het hof in dat medeplegen een gemeenschappelijke kern in het opzet van de deelnemers betekent. Of er sprake is van opzet, zal mede afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Het hof zal thans de ten laste gelegde (medeplegen) zeeroof alsmede (medeplegen) poging tot moord en/of doodslag en/of geweldshandelingen beoordelen op basis van voormeld juridisch kader en het in deze zaak voorhanden zijnde concrete bewijs. Daarbij zal het hof betrekken al hetgeen hiervoor in meer algemene zin is opgemerkt over het door het openbaar ministerie aangedragen (potentiële) bewijs en de waardering daarvan. 11.3. Beoordeling van feit 1 11.3.1. Zeeroof Het hof overweegt het volgende. Het onder 1 ten laste gelegde misdrijf zeeroof kent verschillende varianten. Naast een onderscheid tussen de schipper en de schepeling kent het delict een uitvoeringsvariant en een intentievariant. De uitvoeringsvariant vereist het plegen van geweld tegen andere vaartuigen of zich daarop bevindende personen of goederen in open zee. De intentievariant vereist wetenschap bij de aanmonstering, tijdens het dienstdoen of het vrijwillig in dienst blijven, dat het desbetreffende vaartuig bestemd is om in open zee dergelijke daden van geweld te plegen. 11.3.2. Dienst nemen op of dienst doen op een (onbekend) vaartuig Het hof is, met het openbaar ministerie en de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte, als schipper dan wel als schepeling, deel heeft uitgemaakt van een groep personen die, al dan niet komende vanaf een ander schip, de dhow Mohsen heeft gekaapt. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken voor het 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde, voor zover dit het dienstnemen en/of dienst doen op een onbekend vaartuig betreft. 11.3.3. Dienst nemen op of dienst doen op de (gekaapte) dhow Mohsen Het hof is voorts, met het openbaar ministerie en de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte, als schipper dienst heeft genomen en/of dienst heeft gedaan op de (gekaapte) dhow Mohsen. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken voor het 1 primair (voor zover dit het dienstnemen en/of dienst doen op de (gekaapte) dhow Mohsen betreft) ten laste gelegde. Vervolgens zal dienen te worden bezien of, zoals door het openbaar ministerie is gesteld, voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is op grond waarvan verdachtes strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de zogeheten intentievariant als schepeling op de (gekaapte dhow Mohsen) kan worden vastgesteld. In dit verband gaat het hof uit van de volgende feiten of omstandigheden. De verdachte bevond zich op 24 oktober 2012 aan boord van de dhow Mohsen, een Iraanse vissersboot die enige tijd daarvoor door een groep gewapende Somaliërs was gekaapt (overmeesterd). De oorspronkelijke Iraanse en Pakistaanse bemanningsleden van de dhow werden daarbij van hun vrijheid beroofd en gedwongen naar de kust van Somalië te varen. Het hof baseert zich hierbij op de in zoverre betrouwbaar te achten verklaringen van de (Iraanse) bemanning. Ook is komen vast te staan dat de Somaliërs aan boord van de Mohsen bewapend waren met (automatische) vuurwapens. Het hof acht aannemelijk dat de verdachte eerst (zeer) kort voor 24 oktober 2012 aan boord van de Mohsen is gekomen. Tussentijds is hij nog tenminste eenmaal aan land geweest. Voorts is het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat de verdachte tijdens zijn verblijf aan boord een wapen droeg. Dat de diverse getuigen niet eenduidig verklaren over het soort wapen (Kalasjnikov en/of Colt) acht het hof in dit verband van ondergeschikte betekenis. De verdachte heeft voorts zelf verklaard dat hij wapens aan boord van het schip heeft gezien en dat hij wist dat de Mohsen werd bewaakt. Dit laatste vindt bevestiging in de verklaringen van de medeverdachten V14 en V17, alsmede in de verklaring van G19. De omstandigheid dat de verdachte en zijn Somalische mede-opvarenden, althans een overwegend gedeelte hiervan, bewapend waren, alsmede het feit dat zij voor anker lagen in de omgeving (althans op een afstand van 20 mijl) van een locatie die bekend is vanwege zijn piraterij activiteiten is naar het oordeel van het hof ontoereikend om een bewezenverklaring te dragen, nu het hof uit het beschikbare foto- en videomateriaal van de dhow Mohsen en het kampement op het strand afleidt dat hieruit niet blijkt van enige activiteit die op piraterij-activiteiten wijst. Het hof is dan ook van oordeel dat niet (in voldoende mate) is komen vast te staan dat de dhow Mohsen bestemd was en/of gebruikt werd om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen en/of tegen zich daarop bevindende personen en/of goederen. Reeds daarom zal het hof de verdachte ook vrijspreken van het onder 1 subsidiair (voor zover dit het als schepeling dienstnemen en/of vrijwillig in dienst blijven op de (gekaapte) dhow Mohsen betreft) ten laste gelegde. Feiten of omstandigheden die daarop een ander licht zouden kunnen werpen zijn niet aannemelijk geworden. Gelet op het vorenstaande, ziet het hof geen aanleiding om de door de verdediging nog aangevoerde alternatieve scenario’s te bespreken. 11.4. Beoordeling van feit 2 Aan de verdachte is tenlastegelegd, verkort en zakelijk weergegeven, dat hij zich als pleger dan wel als medepleger schuldig heeft gemaakt aan primair poging tot moord, subsidiair (gekwalificeerde) poging doodslag en meer subsidiair een daad van geweld jegens personeel van de Nederlandse marine, zich bevindende op één of meerdere van marinevaartuigen. 11.4.1 Geweldshandelingen Ter zake van het ten laste gelegde geweld is op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de processtukken het volgende komen vast te staan. Op 24 oktober 2012 is door de commandant van de Hr. Ms. Rotterdam besloten om een MSA approach uit te voeren met drie RHIBS van de Koninklijke Marine, bemand met teams van het Enhanced Boarding Element (EBE), te beginnen bij de dhow Mohsen. Aanleiding was de rondvlucht van een onbemand vliegtuig waarmee beweging geconstateerd was aan boord van een van de twee voor de kust liggende dhows. Vanaf de Hr. Ms. Rotterdam is eerst getracht de dhow op te roepen via de boordradio, waarop niet werd gereageerd. G1 heeft in dit verband verklaard dat de radio uitstond op de ochtend van het schietincident. Hij heeft nog gezegd dat hij aan moest, maar dat wilden ze (naar het hof begrijpt: de Somaliërs) niet. G2 bevestigt dat de radio die ochtend werd uitgezet. Blijkens de verklaringen van de diverse bemanningsleden van de RHIBS, die consistent zijn en elkaar op essentiële onderdelen over en weer ondersteunen, blijkt omtrent het verloop van de MSA Approach het volgende. Toen de RHIBS de dhow Mohsen op korte afstand waren genaderd - de verklaringen daarover variëren, afhankelijk van de positie van de onderscheidenlijke RHIB, van 50 tot 150 meter - werd er plotseling vanaf het schip op hen geschoten. G13 verklaart dat hij zag dat het schip wegdraaide en met de achterzijde naar hen toe kwam te liggen. Niemand van het marinepersoneel op de RHIBS heeft bij de nadering van de Mohsen personen aan boord van het schip gezien. G9 en G10, beiden commandanten van een RHIB, alsmede de bemanningsleden G12, G13 en G15 waren verrast door de schoten. G8, commandant van de 1e RHIB had het gevoel dat ze in een hinderlaag liepen. G8, die als taak had om met de 1e RHIB naar de dhow te varen en contact te leggen, hoorde dat de kogels op de RHIBS waren gericht, aangezien patronen een specifiek geluid maken als deze langs vliegen. Dit wist hij uit ervaring. G8 hoorde en zag vervolgens dat er kogels op het water voor en naast de RHIB insloegen. Hij zag vanaf de dhow mondingsvuur en rookwolkjes, ook voelde hij de druk van een kogel waardoor hij zijn hoofd omdraaide. Voorts heeft G13 verklaard, die eveneens als bemanningslid in de 1e RHIB zat, dat zij werden beschoten toen ze de dhow op ongeveer 50 meter genaderd waren. Door ervaring, de geringe afstand tot de dhow en het feit dat hij geen gehoorbescherming droeg, kon hij heel goed bepalen dat de schoten uit de richting van de dhow kwamen. Ook hij heeft inslagen in het water achter de RHIB gezien. De inslagen konden volgens hem onmogelijk van eigen vuur komen. Hij heeft de kogels over en langs hen heen horen komen. Deze waren zeer dichtbij. G15, die in de 2e RHIB zat, heeft verklaard dat hij hoorde en zag dat er vanaf de dhow werd geschoten. Hij zag ook de inslagen in het water. G9, die eveneens in de 2e RHIB zat, heeft verklaard dat zij op ongeveer 75 meter van de dhow lagen toen er vanaf de dhow op hen geschoten werd. Hij heeft eveneens inslagen gezien in het water achter RHIB 1. Deze konden volgens hem onmogelijk van hun eigen vuur zijn. Hij heeft voorts ook de kogels over en langs hen heen horen komen. Deze waren zeer dichtbij, aldus G9. Ook G12 tenslotte, eveneens bemanningslid van de 2e RHIB, verklaarde dat ze werden beschoten en dat de schoten uit de richting van de dhow kwamen. Hij kon dit goed bepalen omdat hij eveneens geen gehoorbescherming in had. G12 zag inslagen in het water tussen de RHIB waarin hij zat en de dhow. De inslagen waren net voor de RHIB, op minder dan één meter. Hij zag het laatste fonteintje heel dicht voor zijn RHIB. Over de aanwezigheid van gewapende Somaliërs aan boord van de dhow hebben niet alleen de verdachte zelf, maar ook de medeverdachten V14 en V17, alsmede G1 tot en met G5 en G19 verklaard. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep eveneens zelf bij het bekijken van de videobeelden van het incident waargenomen dat er vanaf de dhow Mohsen in de richting van de RHIBS is geschoten. Voorts heeft het hof op de getoonde beelden kunnen waarnemen dat er vanaf de RHIBS alsmede vanaf de Hr. Ms. Rotterdam op of in de richting van de dhow is geschoten. Meer specifiek over de locatie waar de schoten vandaan kwamen, heeft G12 verklaard dat hij, omdat hij zo gefocust was op de achterkant van de dhow, vrij zeker kon bepalen dat de schoten bij een raampje vandaan kwamen waar later brand ontstond. Ze waren zo dichtbij dat hij daar geen twijfel over heeft. G9 zag drukverplaatsing of rookpluimpjes uit de loop en mondingsvlammen vanaf de dhow. Hij zag dat dit op het achterdek bij de raampjes was. Ook G15 hoorde en zag dat er vanaf de achterkant van het schip werd geschoten. G14, die op enig moment vuursteun vanaf de Hr. Ms. Rotterdam heeft gegeven, heeft verklaard dat hij eveneens mondingsvuur vanaf de achterzijde van de dhow zag komen. G8 tenslotte heeft verklaard dat hij op meerdere plaatsen op het donkere tussendek van de dhow mondingsvlammen zag. Hieruit leidde hij af dat er meerdere personen op hen schoten. Voorts staat vast dat er tijdens het schietincident tussen de dhow Mohsen en de marine een explosie op de dhow heeft plaatsgevonden en dat het schip vervolgens vlam heeft gevat ter hoogte van de stuurhut. De kapitein van de Mohsen, de getuige G1, heeft over de geweldsconfrontatie met de Nederlandse marine zowel tegenover de rechter-commissaris als in zijn eerdere verhoor onder andere verklaard dat hij zich op dat moment in de stuurhut bij het stuurwiel bevond en dat V17, die de leider van de piraten was na het vertrek van een zekere Ahmed, als eerste met een Kalasjnikov heeft geschoten in de richting van de Nederlanders. V17 stond toen naast hem bij de gasfles. Deze gasfles is niet lang daarna ontploft waarna de dhow vlam vatte. G3 verklaarde dat de persoon dichtbij de capsule het eerste schot heeft gelost. Toen er teruggevuurd werd, is volgens hem de capsule ontploft. V17 wordt eveneens door G2 en G5 als één van de leiders aan boord van de dhow Mohsen genoemd. G5 heeft verklaard dat hij heeft gezien dat toen de marine kwam V17 bezig was om een wapen vast te maken om er mee te schieten. Hij wilde volgens G5 met dat wapen schieten op de marine. G1 heeft verklaard dat hij enkel V17 heeft zien schieten. Zonder verder specifieke personen te noemen of aan te wijzen verklaarde hij verder dat ‘zij’ (het hof begrijpt: de andere Somaliërs) zich schuilhielden achter de rand van het schip om te kunnen schieten. Zij waren gewapend, aldus G1. Ook de verdachte en andere getuigen hebben verklaard dat er wapens aan boord waren. In zijn eerdere, eerste, verklaring heeft G1 verder verklaard dat toen de kruisers dichterbij kwamen de Somaliërs begonnen met schieten. De Somaliërs, waaronder de gewapende V14, hielden zich schuil achter de rand van het schip toen er werd geschoten op de Nederlandse mariniers. Zij waren bewapend, aldus G1. Volgens G2 was de verdachte één van hen. Er werd heen en weer geschoten. Toen er werd geschoten werden de (Iraanse) bemanningsleden als schild gebruikt, aldus G2. V14 heeft volgens G2 geschoten op 3 bootjes die hen kwamen redden. Later hoorde hij van anderen dat gewapende piraten zich achter de rand van het schip verscholen hielden. Voorts heeft ook G3 heeft verklaard dat er veel geschoten werd, maar hij heeft niet precies gezien wie er toen allemaal geschoten hebben. Tenslotte heeft G16, een Somaliër die verklaarde dat hij als bewaker aan boord van de dhow was, verklaard dat er aan de achterkant van de dhow werd geschoten toen de drie bootjes (het hof begrijpt: de RHIBS) naderden en dat hij zag dat de Somaliërs dekking zochten. Hij verklaarde verder te hebben gezien dat de Somaliërs zich klein maakten en hun wapens richtten. Op verdere vragen van de rechter-commissaris verklaarde G1 dat hij er met zijn gedachten niet bij is en in zijn eerdere verhoor beter geconcentreerd was. Blijkens dit eerdere, eerste verhoor, heeft G1 onder andere verklaard dat hij zich in de buurt van het stuurwiel bevond toen de schietpartij begon. V17 zou hem een pistool op zijn hoofd hebben gezet en gezegd hebben dat hij richting de kust moest gaan. G2 heeft in dit verband verklaard dat ze vroeg in de ochtend een Nederlandse boot aan zagen komen. Ze moesten zich toen verzamelen bij de stuurhut van het schip. Ze zeiden tegen de kapitein dat hij de boot moest starten. Hij heeft voorts bevestigd dat de kapitein, G1, een wapen tegen zijn hoofd kreeg en opdracht kreeg om de boot te starten en richting het strand te varen. Daarover nader bevraagd, verklaarde G1 dat er, behalve de baas van de Somaliërs, vier andere Somaliërs naast hem stonden. Twee daarvan stonden aan de ene kant en de twee anderen aan de andere kant. Zij stonden klaar om zodra de boot kwam te gaan schieten. Hij zag ze overleggen. Ze hadden allemaal wapens. Ook verklaarde hij dat de piraten dekking zochten en klaar stonden tot de kruiser kwam om hen aan te vallen. Voorts heeft hij verklaard dat de Somaliërs zeiden ‘als ze schieten, dan raken de kogels jullie maar’. Ook G2 heeft verklaard dat toen er geschoten werd, de bemanningsleden als schild werden gebruikt. Uit de beelden van de Scan Eagle, welke synchroon zijn gebracht met de beelden van de huidluik camera van de Hr. Mrs. Rotterdam, is tenslotte gebleken dat 7 a 8 personen allemaal tegelijk de boeg verlaten om vervolgens langs de reling van het schip aan de rechterzijde, richting stuurhut te lopen (08:56:30) en dat even later (08:57:03 tot en met 08:57:33) 9 onbekende personen de deuropening aan de rechterzijde van de stuurhut binnenlopen. Kort nadien (08.59.32) komen meerdere onbekende personen aan de rechterzijde uit de deuropening van de stuurhut en rennen voor de stuurhut langs naar de linkerzijde van de dhow. Op dat zelfde moment is aan de rechterzijde in de stuurhut een vuurbal zichtbaar. 11.4.2. Rol van de verdachte bij het schietincident . Met het openbaar ministerie en de verdediging is het hof van oordeel dat er geen bewijs voorhanden is dat de verdachte zich als pleger of medepleger schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken. Ter zake van het subsidiair ten laste gelegde (mede)plegen van (gekwalificeerde) poging doodslag overweegt het hof als volgt. Vast is komen te staan dat de verdachte op 24 oktober 2012, samen met zijn medeverdachten, aan boord van de dhow Mohsen was, toen er vanaf de dhow op of in de richting van Nederlandse mariniers is geschoten. Tevens is voldoende aannemelijk geworden dat hierbij meerdere gewapende Somalische opvarenden waren betrokken. Ofschoon er, op basis van de hiervoor opgenomen vaststellingen, voldoende bewijs is dat ook de verdachte bewapend was, kan er naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte noch een actieve betrokkenheid heeft gehad bij het schieten op het Nederlandse marinepersoneel in de RHIBS noch hieraan een intellectuele en/of materiële bijdrage heeft geleverd die van voldoende gewicht was om de kwalificatie medeplegen te recht