GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.145.262/01Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/447824 / HA ZA 13-845 Arrest van 21 april 2015 inzake STICHTING RECHTSHERSTEL MONUMENTENBEZITTERS, gevestigd te Rotterdam, appellante in het principaal appel, verweerster in het incidenteel appel, hierna te noemen: de Stichting, advocaat: mr. J.A.J. Leeman te Rotterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Belastingdienst), zetelend te Den Haag, geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag. Het geding Bij exploot van 7 april 2014 is de Stichting in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 22 januari 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:677). Bij memorie van grieven heeft de Stichting vijf grieven opgeworpen, die door de Staat bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Bij deze memorie heeft de Staat tevens incidenteel een grief aangevoerd, die door de Stichting bij memorie van antwoord in incidenteel appel is tegengesproken. Tot slot hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1 Inleiding 1.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis sub 2.1 tot en met 2.5 de belangrijkste feiten geresumeerd. Partijen hebben deze samenvatting niet ter discussie gesteld, zodat deze ook het hof tot uitgangspunt dient. Met inachtneming hiervan gaat het in dit geding in hoofdzaak om het volgende. 1.2 Vanaf de inwerkingtreding met ingang van 1 januari 1972 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr) tot 1 januari 2010 werden ingevolge artikel 15 lid 1 sub p Wbr rechtspersonen die hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel hebben bij de verwerving van monumenten in de zin van de Monumentenwet vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van 6% overdrachtsbelasting. 1.3 In 2005 heeft een natuurlijk persoon die een monument had verworven bezwaar gemaakt tegen de betaling van overdrachtsbelasting, op grond van het gelijkheidsbeginsel. Deze belanghebbende heeft tegen de ongegrondverklaring van dit bezwaar beroep ingesteld. Dit beroep is door de rechtbank Den Haag eveneens ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 mei 2009 (ECLI:NL: GHSGR:2009:BI3637) heeft het hof in hoger beroep geoordeeld dat de beperking van de vrijstelling tot verkrijgingen door rechtspersonen een onderscheid oplevert waarvoor onvoldoende rechtvaardiging bestaat. 1.4 De staatssecretaris van Financiën heeft bij besluit van 10 juni 2009 goedgekeurd dat met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2009 de verkrijging van monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 is vrijgesteld van overdrachtsbelasting, ongeacht of een monument wordt verkregen door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon. 1.5 Met ingang van 1 januari 2010 is de onder 1.2 bedoelde vrijstellingsregeling afgeschaft en vervangen door een subsidieregeling, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. 1.6 De Stichting is opgericht op 1 april 2013. Haar doel is in artikel 2 van haar statuten als volgt omschreven (het hof volgt hier het bestreden vonnis, hoewel de Staat heeft gerefereerd aan een statutenwijziging, waarover de Stichting zich echter niet heeft uitgelaten): “De Stichting stelt zich ten doel de kwaliteit van overheidsbeleid, overheidsbesluitvorming en regelgeving die van invloed kan zijn op een goede monumentenzorg of die van invloed kan zijn op de rechten en publiekrechtelijke verplichtingen van de kopers en bezitters van monumenten (nader gezamenlijk aangeduid als “monumentenbezitters”), te bewaken en te bevorderen. Daartoe verricht de Stichting de volgende werkzaamheden: a. participatie in het publieke debat, door beïnvloeding van de publieke opinie in relevante aangelegenheden en het organiseren van lobbyactiviteiten; b. de beïnvloeding van processen van politieke besluitvorming en beleidsvorming; c. het in en buiten rechte ageren tegen handelen van particulieren en overheden dat afbreuk kan doen aan een goede monumentenzorg of de belangen van monumentenbezitters kan aantasten, onder andere door het voeren van gerechtelijke procedures ten behoeve van monumentenbezitters, waaronder - doch niet beperkt tot - procedures ten behoeve van monumentenbezitters die een rijksmonument in de zin van de Monumentenwet 1988 hebben verkregen hebben verkregen en te dier zake overdrachtsbelasting hebben betaald in de periode waarbinnen de monumentenvrijstelling uit artikel 15 lid 1 onderdeel p van de Wet op belastingen van rechtsverkeer van gelding was - zulks zowel bij wege van voldoening, alsmede naar aanleiding van een naheffingsaanslag - ten nutte waarvan de stichting de opheffing van het aldus ingetreden vermogensnadeel nastreeft door terugvordering van de betreffende bedragen aan overdrachtsbelasting, dan wel door het vorderen van schadevergoeding; d. voorts al datgene dat met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.” 1.7 In de procedure die geëindigd is met het thans bestreden vonnis, heeft de Stichting gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door in artikel 15 lid 1 onder p Wbr (oud) vanaf 1 januari 1972 tot 1 mei 2009 in strijd met artikel 14 EVRM jo. artikel 1 Protocol nr. 1, vanaf 11 maart 1979 tot 1 mei 2009 tevens in strijd met artikel 26 IVBPR en vanaf 1 april 2005 tot 1 mei 2009 tevens in strijd met artikel 1 Protocol nr. 12 EVRM onderscheid te maken tussen natuurlijke personen en rechtspersonen en door dat onderscheid in stand te houden, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. 1.8 De Stichting heeft deze vordering gebaseerd op het bepaalde in artikel 3:305a BW, op de hierboven sub 1.1 tot en met 1.5 vermelde feiten en op de stelling dat de Staat met het maken en in stand houden van het genoemde onderscheid in strijd heeft gehandeld met het internationaalrechtelijk vastgelegde discriminatie-verbod, aangezien daarvoor volgens de Stichting geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. 1.9 Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering afgewezen en de Stichting veroordeeld in de proceskosten, bepaald aan de hand van het Liquidatietarief. 2 Bespreking van de grieven 2.1 Met grief II in het principaal appel komt de Stichting op tegen het oordeel van de rechtbank als vervat in de rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 van het bestreden vonnis, er, kort gezegd, op neerkomend dat de Stichting geen belang bij haar vordering heeft. Deze grief wordt verworpen op grond van de navolgende overwegingen. 2.2 In de toelichting op de grief heeft de Stichting onder meer gesteld (blz. 17, onderaan):"Gezien het tijdstip van haar oprichting is de bestaansreden van de Stichting juist gelegen in het streven naar materieel en immaterieel redres voor een onrechtmatige situatie uit het verleden. Hieruit volgt dat zij met name een ideëel belang heeft bij de erkenning, dat de gewraakte vrijstellingsregeling voorafgaand aan haar oprichting niet door de beugel kon."Verderop (blz. 24/25) stelt zij:"Deze procedure beoogt uitsluitend de verkrijging van een oordeel over de onrechtmatigheid van de monumentenvrijstelling en heeft niet de bedoeling enig besluit aan te tasten dan wel de overheid te dwingen op enig besluit terug te komen."Tenslotte heeft zij in de memorie van antwoord in incidenteel appel sub 4.3 nog aangevoerd:"De Stichting wenst in deze procedure bevestigd te zien krijgen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met internationale verdragen in artikel 15 lid 1 sub p WBR (oud) in het kader van een belastingheffing onderscheid te maken tussen natuurlijke en rechtspersonen." 2.3 Deze citaten maken duidelijk dat het de Stichting (slechts) te doen is om een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. De Stichting heeft niet duidelijk gesteld tegenover wie de Staat onrechtmatig gehandeld zou hebben. Nu de Stichting heeft aangevoerd dat zij een eigen belang bij toewijzing van het gevorderde heeft, zal het hof vooreerst aannemen dat zij bedoeld heeft dat de Staat tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld, en wel door het hierboven sub 1.7 genoemde onderscheid te maken en in stand te houden. 2.4 De Staat heeft dat onderscheid gemaakt in een periode die gelegen is ruim voordat de Stichting werd opgericht. Hoe de Staat op dat moment onrechtmatig kon handelen jegens een niet bestaande rechtspersoon, wordt door de Stichting niet onderbouwd. Reeds hierop strandt de grief. 2.5 Voor het geval de Stichting bedoeld mocht hebben dat de Staat door het maken en in stand houden van genoemd onderscheid onrechtmatig heeft gehandeld tegenover monumentenbezitters die een monument hebben verworven in de periode dat de Staat dat onderscheid maakte, heeft ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM2314) te gelden dat de Stichting voor hen niet in dit geding vermag op te komen. 2.6 Weliswaar heeft de Stichting zich met grief I gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank, dat dit arrest in het onderhavige geschil gevolgd moet worden, maar de argumenten die de Stichting daartoe aanvoert overtuigen geenszins. Immers:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.