GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 24 februari 2016 Zaaknummer : 200.182.318/02 Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-8458 Zaaknummer rechtbank : C/09/476267 [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. M.P. Friperson te Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag. In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming te [woonplaats] , hierna te noemen: de raad. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder is op 18 december 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 oktober 2015 van de rechtbank Den Haag. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.182.318/01. Op 24 december 2015 heeft zij tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend, ingeschreven bij dit hof onder zaaknummer 200.182.318/02. De vader heeft op 18 januari 2016 een verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingediend. Van de zijde van de moeder is voorts op 1 februari 2016 een V-formulier van 31 januari 2016 met bijlagen bij het hof ingekomen. De raad heeft bij brief van 27 januari 2016 zijn rapport van 28 mei 2015 aan het hof overgelegd, met de mededeling aan het hof ter zitting te zullen verschijnen. De zaak is op 3 februari 2016 mondeling behandeld, doch uitsluitend wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. Ter zitting waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - [naam] namens de raad. De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd en deze ten dele voorgedragen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang en met wijziging in zoverre van de beschikking van 12 juni 2012 van de rechtbank Den Haag - bepaald dat de moeder en de vader gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), en is een zorgregeling tussen de vader en de minderjarige vastgesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING 1. De moeder verzoekt het hof om schorsing van de werking van uitvoerbaarverklaring van de bestreden beschikking voor zover het betreft de uitbreiding van de vastgestelde zorgregeling. 2. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de moeder ongegrond te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, eveneens uitvoerbaar bij voorraad. 3. De moeder voert het volgende aan. De situatie van de minderjarige is sinds de bestreden beschikking verslechterd. De school maakt zich ernstige zorgen over de minderjarige en heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis. Partijen hebben verschillende gesprekken gehad bij Ouderschap Blijft, maar dit heeft nog niet geleid tot een verbetering van de communicatie. Ook is de hulpverlening aan de minderjarige nog niet gestart en moet duidelijk worden waar zijn zorgwekkende uitlatingen vandaan komen. Ook moet de vader nog leren hoe om te gaan met de problematiek van de minderjarige. Gezien deze feiten en omstandigheden is het volgens de moeder niet in het belang van de minderjarige om te moeten overnachten bij de vader. Zij maakt zich ernstige zorgen over de minderjarige. De vader heeft te kennen gegeven niet te willen wachten tot nader onderzoek heeft plaats gehad. De moeder heeft dan ook belang bij schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. 4. De vader bestrijdt de stellingen van de moeder en stelt dat zij deze ook niet aantoont. De vader heeft wel degelijk oog voor de problematiek van de minderjarige en is heel goed in staat om daarmee om te gaan. Ook verleent hij alle medewerking voor hulpverlening aan de minderjarige. De communicatie tussen partijen is wel degelijk verbeterd en het is dan ook gelukt om afspraken te maken over het starten van overnachtingen van de minderjarige bij de vader. In dat kader is ook afgesproken dat de vader de minderjarige om 12:00 uur in plaats van 19:00 uur terugbrengt. De eerste overnachting heeft plaats gehad en is goed verlopen. De moeder heeft dan ook geen belang bij haar verzoek. Weer stopzetten van de overnachtingen is niet in het belang van de minderjarige. 5. De raad stelt dat de minderjarige op dit moment begeleid wordt en dat het een gemiste kans zou zijn als de vader daar niet bij wordt betrokken. Het abrupt stoppen van de zorgregeling zou niet goed voor de minderjarige zijn. 6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking moet worden geschorst, worden de navolgende maatstaven aangelegd (vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.