GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.163.291/01 Zaak/rolnummer rechtbank : 2138237 RL EXPL 13-18409 Arrest van 29 maart 2016 inzake [appellant], wonende te Amsterdam, appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. O.H.A. Mo-Ajok te Amsterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelend te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Het geding Bij exploot van 10 december 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 september 2014 dat de rechtbank Den Haag, team kanton (hierna: de kantonrechter), tussen partijen heeft gewezen (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en, zo begrijpt het hof en zo heeft de Staat het ook opgevat, zijn eis vermeerderd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Ten slotte is arrest gevraagd onder overlegging van de stukken. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 2 vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Met inachtneming daarvan en van hetgeen overigens uit de stukken als niet (voldoende) gemotiveerd bestreden naar voren is gekomen, gaat het in deze zaak om het volgende 1.1. Op 16 juli 2005 is [appellant] in de Verenigde Staten (hierna: de VS) veroordeeld (onder meer) tot een gevangenisstraf van 274 maanden. Deze straf is door de autoriteiten in de VS teruggebracht tot 131 maanden. 1.2. [appellant] heeft op 27 juni 2007 bij de Amerikaanse autoriteiten een verzoek ingediend tot overbrenging naar Nederland. In oktober 2010 is een zodanig verzoek van de VS binnengekomen bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: MvVJ). Aan de officier van justitie is vervolgens gevraagd om een inschatting te maken van het strafrestant dat zou overblijven indien een zogeheten omzettingsprocedure zou worden gevolgd. Dat strafrestant bleek te klein te zijn om [appellant] nog een deel van zijn straf in Nederland te laten uitzitten. Het beleid is dan dat het verzoek wordt geweigerd. Er is echter voor gekozen om een uitzondering te maken en om de straf van [appellant] in Nederland voort te zetten zonder een omzettingsprocedure te volgen. Van deze beslissing zijn de autoriteiten in de VS op 26 oktober 2010 op de hoogte gesteld. Daarbij is vermeld dat het dossier voor advies aan het gerechtshof te Arnhem zou worden gezonden en dat de Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) zou worden verzocht om een bindingsrapportage (vereist voor het in behandeling kunnen nemen van het verzoek) op te stellen. 1.3. Namens [appellant] is in mei 2011 bij het MvVJ geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot het verzoek. Op dat moment bleek dat het dossier niet naar het gerechtshof te Arnhem was gezonden voor advies en dat van de reclassering geen bindingsrapportage was ontvangen. 1.4. Op 24 mei 2011 heeft het MvVJ aan het gerechtshof te Arnhem verzocht om conform het bepaalde in (destijds) artikel 43 van de Wet Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) te adviseren omtrent het verzoek om de gevangenisstraf van [appellant] verder te ondergaan in een gevangenis in Nederland en daartoe de tenuitvoerlegging van het buitenlandse strafvonnis aan Nederland over te dragen en [appellant] over te doen brengen naar Nederland. Het hof te Arnhem heeft de zaak met spoed opgepakt. 1.5. De reclassering heeft op 18 augustus 2011 een bindingsrapport opgesteld, dat vervolgens aan het hof te Arnhem is opgestuurd. 1.6. Op 6 oktober 2011 heeft het hof te Arnhem het advies uitgebracht dat aan de Minister van Veiligheid en Justitie de aanwijzing wordt gegeven dat de aan [appellant] opgelegde gevangenisstraf verder in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd. 1.7. Op 13 oktober 2011 is aan de autoriteiten in de VS bericht dat wordt ingestemd met de overdracht van de tenuitvoerlegging van de straf. 1.8. [appellant] is begin maart 2012 naar Nederland overgebracht. Op 22 juni 2012 is hij in vrijheid gesteld. 2. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt om aan hem te betalen een (immateriële) schadevergoeding ten bedrage van € 21.500,-, te vermeerderen met wettelijke rente. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zijn verzoek om overbrenging dat in oktober 2011 bij het MvVJ is binnengekomen, pas zeven maanden later, namelijk op 24 mei 2011 aan het gerechtshof te Arnhem te sturen met het verzoek om advies. Hierdoor heeft [appellant] onnodig lang in een Amerikaanse gevangenis gezeten, waardoor hij schade heeft geleden. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 3. Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen. 4. Naar het hof begrijpt vermeerdert [appellant] in appel zijn eis en vordert hij thans, naast de hierboven reeds genoemde immateriële schadevergoeding, tevens een vergoeding van de volgens hem geleden materiële schade ad € 2.150,- (zie akte eisvermeerdering eerste aanleg sub 1, productie 1 bij memorie van grieven; zie tevens memorie van grieven sub 2.4.), dan wel € 1.125,- (zie voormelde akte eisvermeerdering sub 4 en in het petitum van die akte onder (ii)). Uit de memorie van antwoord sub 2.5. blijkt dat de Staat ook uitgaat van een eisvermeerdering. Gelet hierop heeft [appellant] geen belang bij een bespreking van grief 4 (die inhoudt dat de kantonrechter ten onrechte de akte eisvermeerdering buiten beschouwing heeft gelaten). 5. Grieven 1 en 2 zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de Staat niet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. [appellant] voert daartoe het volgende aan. De overheid is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beginselen en de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW overlappen elkaar. Het niet eerbiedigen van de wet of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur levert zonder meer een onrechtmatige daad op; een schending van een subjectief recht is daarvoor niet vereist. Bovendien moeten strengere eisen worden gesteld aan overheidshandelen, waardoor eerder sprake zal zijn van een onrechtmatige daad. Uitgangspunt is dat de doorlooptijd van de behandeling en afwikkeling van een WOTS-verzoek ca 4 maanden bedraagt. Het hof te Arnhem heeft immers op 6 oktober 2011 beslist op een verzoek dat op 24 mei 2011 aan hem werd voorgelegd. Dat het overbrengingsverzoek niet in oktober 2010, maar pas op 24 mei 2011 voor advies is doorgezonden aan het gerechtshof te Arnhem, is veroorzaakt door ernstig nalatig, in hoge mate inadequaat en hoogst onzorgvuldig handelen door een voormalig medewerker. De onrechtmatigheid staat daarmee vast. De door de kantonrechter genoemde omstandigheden (te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.