ECLI:NL:GHDHA:2016:1141
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 17 februari 2016 Zaaknummer : 200.174.505/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-473 Zaaknummer rechtbank : C/09/481393 [De man] , wonende te [woonplaats] verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. G.B. van de Bunt te Den Haag, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. C.M. Emeis te Den Haag.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 4 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 mei 2015 van de rechtbank Den Haag.
De vrouw heeft op 2 oktober 2015 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man:
De zaak is op 16 december 2015 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is het verzoek van de man tot echtscheiding afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat partijen op 1 februari 2011 in Den Haag zijn gehuwd.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is het door de rechtbank afgewezen verzoek tot echtscheiding tussen partijen.
De man stelt voorts dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een schijnhuwelijk.
De vrouw stelt voorts dat er maar één criterium is dat bepaalt of een huwelijk kan worden ontbonden door echtscheiding en dat is de duurzame ontwrichting. Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Ten slotte wijst de vrouw er op dat de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat het huwelijk in stand blijft en dat dient naar de mening van de vrouw geen enkel redelijk doel.
Het is de exclusieve bevoegdheid van het openbaar ministerie om een huwelijk vooraf te stuiten dan wel om na het sluiten van het huwelijk zo nodig te verzoeken om nietigverklaring ervan, in het geval sprake is van een schijnhandeling, het oogmerk van de echtgenoten, of van een van hen, namelijk gericht is op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Het openbaar ministerie is daar in deze zaak niet toe overgegaan.
Als de rechtbank in deze zaak bedoelt te overwegen dat partijen (moeten) hebben gedwaald omtrent de betekenis van de door hen bij het aangaan van het huwelijk afgelegde verklaringen, dan had de nietigverklaring door een echtgenoot kunnen worden verzocht. Dat is niet geschied.
Aan de rechter komt, gelet op art. 1:76 BW, geen ambtshalve bevoegdheid toe een huwelijk nietig te verklaren. Het systeem der wet is immers dat een huwelijk niet van rechtswege nietig kan zijn. Zolang het niet door de rechter nietig is verklaard, zulks uitsluitend op verzoek van een in afdeling 1.5.5 BW genoemde persoon en al naar gelang de concrete situatie onder de daarvoor bepaalde voorwaarde(n), moet het als geldig worden beschouwd.
Partijen zijn in Nederland ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag gehuwd en voldeden aan de voorwaarden voor het aangaan van een huwelijk in Nederland. Nu derhalve evenmin sprake is van een zogenoemd ‘non-existent huwelijk’, te weten een ‘huwelijk’ waarbij de voorwaarden voor de totstandkoming voor een geldig huwelijk zijn geschonden c.q. waarbij de op de totstandkoming van een huwelijk gerichte handelingen niet/nooit tot een huwelijk hebben kunnen leiden en er dus in het geheel geen huwelijk bestaat, heeft de rechtbank het verzoek van de man naar het oordeel van het hof ten onrechte afgewezen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking; spreekt tussen de partijen de echtscheiding uit; bepaalt dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld als volgt: aan de vrouw wordt toegescheiden:
Deze beschikking is gegeven door mrs. C. van Nievelt, A.E. Sutorius-van Hees en I. Jansen, bijgestaan door mr. M.C. Zuidweg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2016.