ECLI:NL:GHDHA:2016:1467
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling civiel recht Uitspraakdatum : 24 mei 2016 Zaaknummer : 200.133.964 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/380954 / HA ZA 11-1489 Arrest in de zaak van:
EITZEN CHEMICAL (SINGAPORE) PTE. LTD., gevestigd te Singapore (Singapore), appellante, hierna te noemen: Eitzen, advocaat: mr. E.A. Bik (Rotterdam), tegen 1. V.O.F. [...] SCHEEPVAARTBEDRIJF en haar vennoten:
Het geding Eitzen is bij - een op 4 september 2013 ex art. 642y Rv aan de griffier van de Rechtbank Rotterdam (over)betekend - exploot van 29 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 augustus 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:6011), door de Rechtbank Rotterdam gewezen tussen [geintimeerde c.s.] als eiseres tot verificatie en Eitzen als verweerster. Bij memorie van grieven (met productie) heeft zij een grief tegen het vonnis aangevoerd. [geintimeerde c.s.] heeft die grief bij memorie van antwoord bestreden. Harerzijds heeft zij onder aanvoering van een grief incidenteel appel ingesteld. Eitzen heeft daar op gereageerd bij memorie van antwoord in het incidenteel appel. Daarna hebben de advocaten van partijen de zaak aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities bepleit. Na afloop van de pleidooien is een datum voor arrest bepaald.
De beoordeling van het hoger beroep inleiding 1. Op 11 januari 2009 omstreeks 16:48 uur vond op het Hollandsch Diep, ter hoogte van de kruising met de Dordtse Kil, een aanvaring plaats tussen de aan Eitzen toebehorende, vanaf het havengebied Moerdijk zeegaande chemicaliëntanker [X] en het binnenvaartcontainerschip [Y] van v.o.f. [scheepvaartbedrijf] , dat komende vanonder de Moerdijkbruggen richting het Volkerak voer. De bulbsteven van het lege, in ballast varende m.s. [X] boorde zich daarbij onder een tamelijk rechte hoek dwars door de bakboord scheepshuid en het ruimlangsschot van de met containers beladen [Y] , welk schip daarop veel water maakte. Om een algeheel zinken te voorkomen is de [Y] naar de zuidoever van het Hollandsch Diep gevaren en daar, met hulp van de sleepboot [Z] , tussen de kribben aan de grond gezet, waarna er met inzet van materieel van verscheidene schepen op het volgelopen ruim is gepompt; tevergeefs, omdat het gat - van ca. 3 bij 4 meter - in de [Y] te groot bleek om al het instromende water buitenboord te werken, waarop besloten is om de [Y] te lossen, hetgeen gebeurde met behulp van kraanpontons, duwboten, pontons en duwbakken. De [Y] kwam daardoor op 12 januari 2009 rond 23:00 uur weer vlot. Na een noodreparatie is zij zelfstandig naar Dordrecht gevaren en later naar een werf in Hemiksem, waar de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd. de vordering en de beslissing van de rechtbank 2. Eitzen en [geintimeerde c.s.] houden elkaar over en weer aansprakelijk voor de aanvaring en de daardoor ontstane schade. Allebei hebben zij hun aansprakelijkheid beperkt door het vormen van een zakenfonds. [geintimeerde c.s.] heeft voor de aan haar zijde gevallen kosten regresvorderingen ingediend bij de vereffenaar van het zakenfonds van de [X] , maar daarbij wel betwist dat Eitzen haar aansprakelijkheid voor specifiek de kosten verbonden aan het vlotbrengen van de [Y] en het bergen van haar lading door middel van dat zakenfonds kan beperken; dat zou naar haar mening alleen kunnen door het vormen van een wrakkenfonds (indien bedoelde kosten de omvang van dat fonds zouden overstijgen). Op de verificatievergadering zijn partijen ter zake van hun geschilpunten naar de renvooiprocedure verwezen.
In de renvooiprocedure heeft [geintimeerde c.s.] gevorderd dat voor recht zal worden verklaard: (i) ten aanzien van zowel de beperkingsprocedure van de [Y] als die van de [X] , dat de [X] schuld heeft aan de aanvaring, zodat Eitzen voor de gevolgen daarvan aansprakelijk is, althans dat een schuldverhouding zal worden vastgesteld en (ii) ten aanzien van de beperkingsprocedure van de [X] , dat de regresvorderingen van [geintimeerde c.s.] ter zake van de kosten die zij heeft gemaakt om de [Y] na de aanvaring weer vlot te brengen en haar lading te bergen, dienen te worden aangemerkt als vorderingen zoals bedoeld in art. 8:752 lid 1.d en/of e BW, waarvoor Eitzen haar aansprakelijkheid slechts zou kunnen beperken door een wrakkenfonds te stellen als bedoeld in art. 8:755 lid 1.b BW.
Wel bestrijdt zij dat de communicatie ondeugdelijk was en de passeerafspraak laattijdig, hoewel zij anderzijds toch ook weer stelt (m.v.a., pag.13, 5.7) dat de passeerafspraak ‘achteraf bezien misschien op een laat moment [is] gemaakt’. Over de inhoud van de (op 16:46:14 uur gemaakte) passeerafspraak vermeldt [geintimeerde c.s.] dat deze inhield dat de loods van de [X] er mee instemde dat de [Y] , door snelheid te vermeerderen, vóór de [X] zou oversteken, terwijl de [X] haar snelheid verminderde (m.v.a., pag. 9, bovenaan). [geintimeerde c.s.] meent dat er niets mis was met deze passeerafspraak en dat het niet goed is gegaan doordat de [X] in strijd met de afspraak onvoldoende achteruit is geslagen.
Ten aanzien van de communicatie wijst zij erop dat de loods daartoe het initiatief heeft genomen (om 16:42:07 uur). En omdat de loods toen zei de situatie nog even te willen aanzien, kon en mocht de [Y] wachten op een oproep van de loods voor het maken van een nadere afspraak, aldus [geintimeerde c.s.] , die daarbij benadrukt dat de onderlinge afstand voor de [Y] groot genoeg was om tijdig snelheid te verminderen en gestopt in het water te komen.
Zoals de rechtbank - terecht en door [geintimeerde c.s.] niet gemotiveerd weersproken - overwoog, behoorde op beide schepen te worden onderkend dat de koersen elkaar in het hoofdwater zouden kunnen kruisen en dat daarbij dan een gevaar voor aanvaring bestond. Die situatie legde op beide schepen gelijkelijk de plicht om tijdig alle maatregelen te nemen die hadden kunnen bijdragen aan het voorkomen van een aanvaring. Daar heeft het - ook - op de [Y] aan geschort; hoewel het ook haar verantwoordelijkheid was om te zorgen voor een veilige onderlinge passeerafstand, heeft zij, in plaats daarvan, op basis van een laattijdige, ondeugdelijke afspraak gekozen voor een riskante passeermanoeuvre waarbij die veilige onderlinge afstand verre van gewaarborgd was, te weten door voor de [X] langs te varen, zonder zich er tevoren goed van te vergewissen dat de [X] haar daarbij vrij zou varen.
Terzijde wordt in dit verband uit een in het proces-verbaal van het KLPD-waterpolitie opgenomen verklaring van de tweede kapitein van een ander ter plaatse varend motorschip geciteerd: ‘[..] Als de [Y] op tijd gereageerd had, had ze zo achter de zeevaart langs haar weg kunnen vervolgen. Ja zelfs zonder oponthoud! De [X] zat namelijk verder op de kruising [..] dan de [Y] . Dus waarom heeft de [Y] niet eerder aangegeven dat ze te weinig ruimte kreeg van de [X] .’ 6. Indien, wat [geintimeerde c.s.] lijkt te stellen, de [Y] ten tijde van de passeerafspraak van 16:46:14 uur, in plaats van vlak voor de [X] langs te gaan, eenvoudigweg had kunnen stoppen en de [X] voorbij had kunnen laten varen, getuigt van slecht zeemanschap dat niet voor die laatste optie is gekozen. Dat de loods, die door de [Y] niet op deze optie is gewezen, ten onrechte is meegegaan in een voorlangs-passage en daarbij, net als de schipper van de [Y] , de situatie verkeerd heeft beoordeeld, maakt dit niet anders. Anders dan [geintimeerde c.s.] wellicht meent, is het ook niet zo dat de loods de [Y] heeft gedwongen of overgehaald om vlak voor de [X] langs te komen, althans is voor dat mogelijke standpunt onvoldoende steun te vinden in de stukken, ook niet in de weergave van het marifoonverkeer tussen beide schepen.
Die weergave vermeldt om 16:45:54 uur als vraag van de [X] : ‘Ja, buurman zou u achterlangs kunnen komen?’ en om 16:45:57 uur als reactie van de [Y] daarop: ‘Nou, dat gaat/zal wel een beetje moeilijk worden’, eindigend met de weervraag: ‘of niet?’. Als antwoord komt dan vanaf de [X] (16:46:00) ‘Nou, dan moet u een beetje vaart maken, ik ben aan het afremmen, maar ik sta al gestopt, dus eh effe kijken’. Dat antwoord - van de loods, die even daarvoor nog om een achterlangs-passage had verzocht - laat zich niet eenduidig interpreteren als mededeling dat de [X] vol achteruit sloeg of zelfs al stil lag en daarom (gelijk ook maar) een veilige voorlangs-passage voorstelde. Er blijkt ook niet dat de [Y] het antwoord van de loods wel in die zin heeft opgevat.
De reactie vanaf dat schip op laatstbedoeld antwoord luidde immers (16:46:06): ‘Dan moet ik wel een hele rare slalom gaan maken.’ Die reactie gaat of lijkt nog steeds te gaan over de door de loods verzochte achterlangs-passage, waarvan de partijdeskundige [naam ] op de comparitie in de eerste aanleg zei: ‘De schipper van de [Y] zag naar mijn idee de noodzaak van het maken van zo’n kronkel niet in.’ Ook het ‘dus eh effe kijken’, waarmee de loods zijn antwoord van 16:46:01 uur besloot, vormde niet direct een verzoek of aansporing om (dan maar) voorlangs te komen.
Zoals hiervoor onder 4 vermeld hield de passeerafspraak niet meer in dan dat de loods van de [X] ermee instemde dat de [Y] door snelheid te vermeerderen voor de [X] zou oversteken, terwijl de [X] haar snelheid verminderde, wat de [X] overigens ook in toenemende mate heeft gedaan (van 17,8 km tot 10,7 km/uur ten tijde van de aanvaring die om 16:48:09 uur plaatsvond). Die laattijdig gemaakte afspraak was in dit geval ontoereikend om er voor te zorgen dat de schepen elkaar zouden vrijvaren / op veilige afstand zouden passeren. Haar andersluidende standpunt, dat de afspraak daarin wel voorzag, doordat deze tevens als (essentieel) onderdeel het afgestopt zijn / direct vol achteruitslaan omvatte, heeft [geintimeerde c.s.] onvoldoende onderbouwd.
Of bij een afgesproken vol achteruitslaan direct na 16:46:15 uur, in plaats van (nu) - na eerst nog een ‘stop engine’, ‘slow astern’ en ‘half astern’ - om 16:47:22 uur, de aanvaring (nog net) was voorkomen, behoeft daarom geen nader onderzoek. Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, dat zowel de schipper als de stuurman van de [Y] hebben verklaard dat zij niet hebben gezien dat de [X] afstopte/uitweek. Ook op basis van hun waarneming hebben zij er derhalve niet op kunnen vertrouwen dat een veilige passage voldoende was gewaarborgd.
In rov. 5.14 wijst de rechtbank er, terecht, op dat, bij het treffen van tijdige en doeltreffende maatregelen om het aanvaringsgevaar af te wenden, elk schip rekening diende te houden met de eigen mogelijkheden en beperkingen (dus ook met de stopweg). En wat de gemeten snelheden betreft heeft de rechtbank onder andere het volgende genoteerd. Ten tijde van het eerste marifooncontact om 16:42 uur, toen beide schepen zich nog in een nevenwater bevonden, had de [X] een snelheid van ca. 15,4 km/uur en de [Y] een snelheid van ca. 14,4 km/uur. Om 16:45:53 uur - toen aan boord van de snelheid van de [X] al wel een stop(machine)order was gegeven, doch deze (waarschijnlijk) nog niet was uitgevoerd - was de snelheid van de [X] opgelopen tot ca. 17,8 km/uur en van de [Y] tot ca 15 km/uur.
Op de [X] is - afgaande op het expertiserapport van De Jongh en Van Thienen: eerst na de passeerafspraak - de machine feitelijk stopgezet, waarna in toenemende mate achteruit is geslagen, waardoor de snelheid verminderde, tot 10,7 km/uur vlak voor de aanvaring, terwijl de snelheid van de [Y] na de passeerafspraak wat toenam, tot ruim 17 km/uur. Door zonder deugdelijke, veilige passeerafspraak met vorenbedoelde snelheid het hoofdwater in te varen, deze snelheid niet snel en adequaat terug te brengen en ook overigens niet de voorzorgsmaatregelen te nemen die door goed zeemanschap en de omstandigheden waarin de [X] zich bevond geboden waren heeft de [X] in strijd gehandeld met onder andere art. 1.04 en 6.16 lid 1 BPR.
Diezelfde voorschriften zijn door de [Y] geschonden; zij had bijvoorbeeld de marifoon beter moeten uitluisteren, dan wel zelf vroegtijdig de loods moeten oproepen voor het eerder maken van een eenduidige, over en weer goed begrepen, veilige passeerafspraak, waarbij het vrijvaren was gewaarborgd, bij gebreke waarvan zij haar snelheid had moeten minderen en in elk geval niet voor de [X] langs had moeten varen.
Art. 1 1. Shipowners and salvors, as hereinafter defined, may limit their liability in accordance with the rules of this Convention for claims set out in Article 2.
Art. 3 The rules of this Convention shall not apply to: (a) claims for salvage or contribution in general average; [..] Art. 18 Any State may [..] reserve the right to exclude the application of Article 2 paragraph 1(d) and (e). [..]’ 15. Uit het hiervoor weergegeven artikel 2 LLMC volgt dat de daarin in lid 1.d en e bedoelde vorderingen voor beperking in aanmerking komen, ongeacht de grondslag van aansprakelijkheid (lid 1, aanhef) en ook wanneer zij worden ingesteld bij wijze van verhaal/regres of vrijwaring (lid 2). Nederland heeft echter - ongeclausuleerd - gebruik gemaakt van het voorbehoud van art. 18 LLMC. Naar moet worden aangenomen omvat dat voorbehoud mede het regres van de hier bedoelde vorderingen, waardoor ook de regresvordering van de eigenaar van het gezonken/gestrande schip, te wiens laste de kosten van het vlotbrengen/bergen, etc. kwamen, aan de beperkingsmogelijkheid van het verdrag is onttrokken, inclusief die van art. 2 lid 1.a.
Een andere opvatting zou er toe leiden dat de eigenaar van een schip dat schuldig is aan het zinken/stranden van een ander schip, indien hij niet rechtstreeks wordt aangesproken, beter af is dan de eigenaar van het gezonken/gestrande schip, omdat die zich door het voorbehoud niet op een beperking van het verdrag kan beroepen, maar vervolgens bij het regres wel tegen een verdragsbeperking aanloopt en daardoor een deel van de door het andere schip veroorzaakte (bergings)kosten zelf moet dragen. Aanwijzingen dat dit een beoogd, dan wel op de koop toegenomen gevolg is geweest van het voorbehoud ontbreken en zijn meer in het bijzonder ook niet gelegen in de omstandigheid dat het voorbehoud in de eerste plaats bedoeld is om te voorkomen dat de overheid (belastingbetaler) moet opdraaien voor een deel van de hier bedoelde kosten.
Dat (algemeen) belang is er immers eveneens en wellicht nog meer mee gediend indien de scheepseigenaren de bergingswerkzaamheden zelf ter hand nemen (oneerbiedig: ‘zelf de troep opruimen’) en daarbij niet geremd worden door de wetenschap dat het verhaal van de te maken kosten op de aansprakelijke partij slechts in beperkte mate mogelijk zal zijn.
En nu maakt Eitzen er wel bezwaar tegen dat de vordering wegens betaald hulploon in het kader van het regres wordt omgezet naar / van kleur verschiet in een vordering als bedoeld in art. 2 lid 1.d, maar zij legt niet uit waarom dat bezwaar dan niet geldt voor het omzetten naar een vordering als bedoeld in 2 lid 1.a, terwijl nu juist de omschrijving van hulpverlening inhoudt dat deze ook de in art. 2 lid 1.d bedoelde handelingen kan omvatten. Dit bezwaar wordt dan ook verworpen, waarna de conclusie moet zijn (i) dat het LLMC niet van toepassing is op de rechtstreekse vorderingen van de hulpverlener (‘claims for salvage’), ook niet voor zover de hulpverlener handelingen heeft verricht als bedoeld onder art. 2 lid 1.d, doch (ii) dat die uitsluiting niet geldt ten aanzien van de regresvordering met betrekking tot die handelingen (‘claims in respect of’), waarvoor dus de beperking van art. 2 lid 1.d LLMC kan worden ingeroepen, maar (iii) dit laatste weer niet indien ten aanzien van die beperkingsmogelijkheid gebruik is gemaakt van het voorbehoud van art. 18 LLMC.
Daarom kan hier te lande alleen een beperking worden ingeroepen door het stellen van een wrakkenfonds.
Wat de verdragstekst betreft kan verder worden vastgesteld dat zij ruimer is geformuleerd dan die van het voorgaande Beperkingsverdrag 1957 (Brussel 10 oktober 1957, Trb. 1958, 46); art. 1, lid 1 aanhef en onder (c) van dat verdrag beperkte de werking tot een uit de wet voortvloeiende verplichting of aansprakelijkheid met betrekking tot het verwijderen van wrakken: ‘The owner of a sea-going ship may limit his liability [..] in respect of claims arising from any of the following occurrences [..] (c) Any obligation or liability imposed by any law relating to removal of wreck and arising from or in connection with the raising, removal or destruction of any ship which is sunk, stranded or abandoned (including anything which may be on board of such ship) [..]’.
De huidige verdragstekst spreekt bovendien niet over wreck removal, maar omschrijft de situatie waarin een schip zich bevindt - ‘sunck, wrecked, stranded or abandoned’, in art. 8:752 lid 1.d BW vertaald als: ‘gezonken, schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is’ - en somt een aantal handelingen op die met betrekking tot een schip in die positie worden verricht: ‘raising, removal, destruction or the rendering harmless’, in art. 8:752 lid 1.d BW vertaald als: ‘vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken’. Voor het stellen van een (aanvullende, niet in het verdrag zelf opgenomen) eis dat het schip, behalve dat het gezonken is, schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is, bovendien in een zodanige staat/positie verkeert ‘dat de eigenaar het niet de moeite waard vindt om daar iets aan te doen’ bestaat, anders dan Eitzen meent, geen goede grond.
Niet alleen is dit criterium te subjectief, het verdraagt zich bovendien slecht met het gegeven dat de eigenaar het opruimen van het gezonken/gestrande schip ook zelf ter hand moet kunnen nemen en daartoe dan handelingen verricht of laat verrichten als in de verdragsbepaling bedoeld. Terecht overwoog de rechtbank dan ook dat geen (aanvullend) vereiste is dat het schip geen economische (rest)waarde meer heeft en evenmin dat reparatie niet meer economische verantwoord zou zijn, dat het schip niet opnieuw in de vaart zou kunnen komen en niet langer meer zou kunnen worden geëxploiteerd of dat de techniek van het schip niet meer mag functioneren. Dergelijk vereisten, zo voegde de rechtbank eraan toe, gelden evenmin voor het in Nederland onder de Wrakkenwet plaatsen van een schip.
Beslissend is of het gaat om een vordering met betrekking tot het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van een schip dat zich in een in de verdragstekst genoemde positie bevindt. Daaromtrent is door de rechtbank, in hoger beroep niet ter discussie gesteld, overwogen (rov. 5.17/5.24 - 5.26): (i) dat de [Y] , met daarin een groot gat van ca. 3 bij 4 meter, zich in een deels gezonken en gestrande positie bevond; (ii) dat de werkzaamheden, waarop de regresvordering betrekking heeft, ten doel hadden om het schip weer vlot te brengen en van haar strandingsplaats te verwijderen, alsook om de lading die zich aan boord bevond in veiligheid te brengen; (iii) dat door die werkzaamheden tevens voorkomen werd dat het schip en de lading gevaar zouden kunnen gaan opleveren voor de scheepvaart of schade zouden kunnen toebrengen aan andere zaken of het milieu; (iv) dat, indien [geintimeerde c.s.] zelf geen opdracht tot de bedoelde werkzaamheden had gegeven, de Staat het schip onder de Wrakkenwet zou hebben geplaatst en deze werkzaamheden zou hebben verricht of daartoe opdracht zou hebben gegeven en (v) dat niet onaannemelijk is dat de [Y] met haar lading containers bij gebreke aan maatregelen een gevaar zou gaan opleveren voor de scheepvaart ter plaatse of voor zaken als bruggen en havens dan wel voor het milieu, waardoor de overheid zich genoopt zou zien tot het (laten) uitvoeren van werkzaamheden om schip en lading te verwijderen. Dit samenstel aan gegevens maakt dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat de hier aan de orde zijnde vordering van [geintimeerde c.s.] past binnen het raamwerk van zowel art. 2 lid 1.d LLMC, als art. 8:752 lid 1.d BW.
Hier te lande moet een eventueel beperkingsberoep ten aanzien van deze vordering daarom via een wrakkenfonds lopen. Het principale beroep kan dus evenmin tot vernietiging van de bestreden beslissing leiden. in principaal en in incidenteel appel 20. De slotsom is dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Eitzen is in het principaal appel de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de kosten van het principaal appel dragen, terwijl [geintimeerde c.s.] als de in het incidenteel appel in het ongelijk gestelde partij de kosten van het incidenteel appel moet dragen.
De beslissing Het Hof, rechtdoende in principaal en in incidenteel appel:
Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, T.L. Tan en H.J. Vetter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.