GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.174.645/01 Rolnummer rechtbank : 3468689/14-29730 arrest van 7 juni 2016 inzake [appellante] , wonende te Amsterdam, appellante, hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. M.N. Mense te Haarlem, tegen Intralectric B.V., gevestigd te Den Haag, geïntimeerde hierna te noemen: Intralectric, advocaat: mr. M.L. Kleyn te Den Haag. Het geding Bij dagvaarding van 4 augustus 2015 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag (hierna: de kantonrechter), van 6 juli 2015. [appellante] heeft bij memorie van grieven met producties elf genummerde grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Intralectric heeft de grieven bestreden bij memorie van antwoord. Ten slotte is arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep Ade feiten 1.1. [appellante] keert zich in haar eerste grief tegen het in r.o. 1.11 van het bestreden vonnis door de kantonrechter vastgestelde feit, inhoudende dat Obvion N.V. (hierna: Obvion) haar instemming met doorhaling van de hypotheek naar aanleiding van het op 14 maart 2014 door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag gewezen vonnis in kort geding heeft ingetrokken. Volgens [appellante] moet als feit worden vastgesteld dat Obvion bedoelde instemming heeft ingetrokken als gevolg van de minderopbrengst van € 21.000,00 door het door Intralectric gelegde derdenbeslag. [appellante] verwijst daarbij naar de inhoud van de door haar als productie E.9 in eerste aanleg overgelegde brief van Obvion. Intralectric heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Het hof zal de inhoud van de genoemde brief van Obvion voor zover relevant in r.o. 1.15 opnemen onder de feiten. 1.2. [appellante] voert in haar eerste grief ook - samengevat - aan dat de kantonrechter de feiten te beperkt heeft vastgesteld. Het hof zal hierna opnieuw de feiten vaststellen die relevant zijn voor zijn beoordeling van het hoger beroep. Voor zover de door de kantonrechter vastgestelde feiten niet zijn bestreden, zal ook het hof daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. 1.3. [appellante] heeft op 15 januari 2010 met haar toenmalige partner [A] (hierna: [A] ) het perceel grond aan de Demmerik 66 in Vinkeveen (hierna: het perceel) in gezamenlijke eigendom verkregen. 1.4. [appellante] en [A] zijn met het oog op deze verkrijging een overeenkomst van geldlening aangegaan met Obvion voor een bedrag van € 820.000,00. Ter verzekering van deze vordering hebben [appellante] en [A] een recht van hypotheek op het perceel aan Obvion verleend van € 1.148.000,00. 1.5. Het perceel is gesaneerd door aannemingsbedrijf Vobi B.V. (hierna: Vobi). Vobi heeft hiervoor € 136.850,00 in rekening heeft gebracht bij [appellante] en [A] . Omdat de factuur niet werd voldaan, heeft Vobi haar recht van retentie op het perceel uitgeoefend. 1.6. Op 6 november 2013 is [A] op vordering van Intralectric veroordeeld tot het betalen aan Intralectric van € 17.455,00, te vermeerderen met rente en kosten. Dit verstekvonnis (hierna: het jegens [A] gewezen verstekvonnis) is op 4 december 2013 (in het bestreden vonnis staat kennelijk per abuis vermeld 4 december 2014) aan [A] betekend. 1.7. [appellante] en [A] hebben de bouw van een woning op het perceel gestaakt. Zij hebben een deel van het bedrag dat zij van Obvion hebben geleend terugbetaald. Het perceel hebben zij te koop gezet. 1.8. Eind 2013 hebben [verkoper 1] en [verkoper 2] (hierna in enkelvoud: [verkoper] ) een bod van € 380.000,00 op het perceel uitgebracht, welk bod met instemming van Obvion door [appellante] en [A] is geaccepteerd. Het transport zou plaatsvinden op 23 december 2013, maar omdat [appellante] nog advies wilde inwinnen is het transport uitgesteld. 1.9. Op 2 januari 2014 heeft Intralectric executoriaal beslag gelegd op het perceel ten laste van [A] . 1.10. Op 13 februari 2014 hebben [appellante] en Obvion Intralectric gedagvaard in kort geding. In deze procedure vorderden [appellante] en Obvion - kort samengevat - opheffing van het door Intralectric gelegde beslag. 1.11. Op 20 februari 2014 heeft Intralectric executoriaal derdenbeslag gelegd onder [verkoper] ten laste van [A] op – kort gezegd – de koopsom. Dit beslag zal hierna worden aangeduid als: het derdenbeslag. 1.12. Op 24 februari 2014 is het door Intralectric op het perceel gelegde beslag opgeheven. 1.13. Bij vonnis van 14 maart 2014 (hierna: het vonnis in kort geding) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag [appellante] en Obvion niet-ontvankelijk verklaard in hun (gewijzigde) vordering tot opheffing van het derdenbeslag, omdat zij – kort samengevat – in strijd met het in artikel 438 lid 5 Rv bepaalde niet (ook) [A] als geëxecuteerde hadden gedagvaard. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend. 1.14. Op 14 maart 2014 heeft de raadsman van [appellante] en Obvion aan de gemachtigde van Intralectric laten weten dat partijen zich beraden op beroep. 1.15. De brief van Obvion aan notaris A. Fanoy van 18 maart 2014 (productie E.9 bij de dagvaarding in eerste aanleg) houdt onder meer het volgende in: “Inzake de levering van genoemd perceel grond informeren wij u als volgt. In tegenstelling tot onze e-mail van 20 december 2013, laat Obvion NV hierbij weten NIET akkoord te zullen gaan met verkoop van het onderpand aan de Demmerik 66 te Vinkeveen. Als gevolg van de minder-opbrengst ad ca € 21.000,-- door het gelegde derden-beslag onder kopers d.d. 20 februari 2014, zullen we voor deze eigendomsoverdracht GEEN royement verlenen.” 1.16. [verkoper] heeft de koopovereenkomst op 19 maart 2014 ontbonden. Het e-mailbericht van [verkoper 1] aan de makelaar van [appellante] en [naam] van 19 maart 2014 (in eerste aanleg als productie E.18 door [appellante] overgelegd) houdt onder meer het volgende in: “Via tussenkomst van uw makelaar (…) is in december 2013 een mondelinge koopovereenkomst tot stand gekomen waarbij u tezamen aan ondergetekende [verkoper 1] en mijn broer [verkoper 2] hebben verkocht een perceel bouwgrond, gelegen te [adres] (…) zulks voor een koopprijs van € 380.000 kosten koper. Afgesproken werd dat gemeld perceel bouwgrond eind december 2013 aan ons geleverd zou worden, vrij en niet bezwaard met hypotheekrechten en/of beslagen. Inmiddels bent u nog steeds niet overgegaan tot levering van het perceel aan ons en tevens heeft Obvion N.V. schriftelijk kenbaar gemaakt niet te willen meewerken aan doorhaling van het verkochte perceel ten behoeve van Obvion N.V. gevestigde hypotheekrecht. Aangezien evident is dat u niet kunt voldoen aan uw verplichting uit hoofde van de gesloten mondelinge overeenkomst om het perceel vrij en onbezwaard aan ons te leveren, is sprake van een aan u toerekenbare tekortkoming in de nakoming van uw verplichtingen (….) en gaan wij (…) hierbij over tot ontbinding van de koopovereenkomst (…)”. 1.17. Op verzoek van Obvion heeft de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 25 juni 2014 toestemming gegeven aan Obvion tot onderhandse verkoop van het perceel aan [verkoper] voor - na aftrek van onder meer de vordering van Vobi - € 203.000. Op 7 juli 2014 is het perceel voor dit bedrag getransporteerd. Na aftrek van de kosten bedroeg de opbrengst € 195.468,96. Bvorderingen en vonnis in eerste aanleg 2. In eerste aanleg heeft [appellante] - kort samengevat - gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Intralectric met de gelegde beslagen onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, met veroordeling van Intralectric in de door [appellante] dientengevolge geleden schade, met rente en kosten. 3. De kantonrechter heeft Intralectric veroordeeld tot het betalen aan [appellante] van een bedrag van € 1.377,72 te vermeerderen met contractuele rente vanaf 2 januari 2014 tot de dag der algehele voldoening. Het meer of anders door [appellante] gevorderde is afgewezen. [appellante] is door de kantonrechter veroordeeld in de proceskosten. Aan deze beslissingen heeft de kantonrechter – kort samengevat – de volgende beoordeling ten grondslag gelegd. A Ten aanzien van het beslag op het perceel Nu Intralectric de vorderingen van de retentor en de hypotheekhouder erkent en niet heeft gesteld dat ondanks deze vorderingen voor haar enige opbrengst uit het beslag kon voortvloeien, heeft Intralectric door het handhaven van dat beslag misbruik van haar bevoegdheid gemaakt, dat wil zeggen van 2 januari tot en met 24 februari 2014. De over deze periode door [appellante] betaalde rente is schade ten gevolge van het misbruik. Tegen de wijze van berekenen van de schade heeft Intralectric geen verweer gevoerd, zodat die schade uitkomt op € 1.377,72. B Ten aanzien van het derdenbeslag Intralectric heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de voorrang van de hypotheekhouder hier is vervallen (artikel 3:229 BW). Bij pleidooi in kort geding is weliswaar aangekondigd dat de koopovereenkomst ontbonden zou kunnen gaan worden, maar vervolgens is Intralectric niet meer geïnformeerd. Zonder nadere informatie na het vonnis in kort geding, was er voor Intralectric geen reden het beslag vrijwillig op te heffen. Met name van de daadwerkelijke ontbinding van de koopovereenkomst, het later gedane verzoek tot goedkeuring van de onderhandse verkoop en de beslissing daarop is Intralectric onwetend gehouden. Er is dus geen sprake van dat Intralectric op enig moment na het kort geding de onevenredigheid tussen haar belang en dat van [appellante] kende of behoorde te kennen. Voorts heeft Intralectric bij herhaling een gesprek aangeboden om tot een minnelijke regeling te komen; vast staat dat [appellante] en [A] daarop niet zijn ingegaan. Van misbruik van recht is onder deze omstandigheden geen sprake. Chet in hoger beroep gevorderde en de grieven 4. In hoger beroep vordert [appellante] - kort samengevat - dat het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover haar vorderingen daarin zijn afgewezen en dat het in eerste aanleg gevorderde alsnog geheel wordt toegewezen, met veroordeling van Intralectric in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met rente. 5. Met haar grieven komt [appellante] - kort samengevat - op tegen: - de feitenvaststelling door de kantonrechter (grief I), - het oordeel van de kantonrechter dat er bij de beoordeling onderscheid moet worden gemaakt tussen het beslag op het perceel en het derdenbeslag (grief II), - de hiervóór in r.o. 3 onder B weergegeven beoordeling van het derdenbeslag (grieven III, IV, V, VI, VII en IX), - de afwijzing door de kantonrechter van de door [appellante] gevorderde kosten die verband houden met de procedure in kort geding (grief VIII), - de afwijzing door de kantonrechter van de gevorderde buitengerechtelijke kosten (grief IX) en de gevorderde proceskosten (grief X). 6. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis Intralectric veroordeeld om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 1.377,72 aan door haar in de periode van 2 januari tot en met 24 februari 2014 geleden renteschade, te vermeerderen met de rente ter hoogte van 5,1% daarover vanaf 2 januari 2014 tot de dag der algehele voldoening. Tegen deze beslissing zijn geen grieven gericht, zodat deze niet aan het hof ter beoordeling voorligt. 7. Het hof ziet aanleiding de grieven per onderwerp te bespreken. Dde beoordeling van de grieven het door Intralectric gelegde derdenbeslag 8. In appel is de vraag aan de orde of Intralectric met het leggen dan wel het handhaven van het derdenbeslag onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld. Het hof overweegt in dit verband het volgende. 9. Voorop staat dat Intralectric de bevoegdheid had tot het leggen van het derdenbeslag. Zij had immers op grond van het jegens [A] gewezen verstekvonnis een executoriale titel. Artikel 475 lid 1 Rv biedt voorts een wettelijke grondslag voor het derdenbeslag, nu het gaat om beslag op een vordering die [A] uit hoofde van de koopovereenkomst op [verkoper] mocht hebben. Dat het om een gezamenlijke vordering ging van [A] en [appellante] staat aan de bevoegdheid tot beslaglegging op het aandeel van [A] niet in de weg. 10. Dat Intralectric de bevoegdheid had tot het leggen van het derdenbeslag, betekent niet dat zij met dat beslag niet onrechtmatig kan hebben gehandeld. Van een onrechtmatige daad kan ook sprake zijn indien Intralectric in de omstandigheden van het geval misbruik van bedoelde bevoegdheid heeft gemaakt. 11. De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van bevoegdheid. Uitgaande van de concrete omstandigheden kan aldus aan de orde komen of een beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt (vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841). Van misbruik van bevoegdheid is ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW onder meer sprake als een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. 12. Een executoir beslag als het onderhavige moet in ieder geval onrechtmatig worden geoordeeld, indien dat in de omstandigheden van het geval niet tot enig resultaat – de incasso van enig bedrag – kan leiden en de beslaglegger daarvan op de hoogte is of had moeten zijn. De beslaglegger heeft dan immers geen in rechte te respecteren belang bij het beslag dat tegenwicht kan bieden aan de inbreuk die door middel van het beslag wordt gemaakt op de belangen van anderen. 13. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het derdenbeslag jegens [appellante] is niet relevant dat niet [appellante] , maar [A] de schuldenaar van Intralectric was. Op grond van artikel 3:13 lid 2 BW moet immers een afweging worden gemaakt tussen het belang van Intralectric bij de uitoefening van haar bevoegdheid tot beslaglegging enerzijds en het door de beslaglegging geschade belang van [appellante] anderzijds. 14. Het hof overweegt dat gesteld noch gebleken is dat gegeven de omstandigheden van het geval te verwachten was dat het derdenbeslag tot het incasseren van enig bedrag door Intralectric kon leiden. Obvion wilde immers de hypotheek niet doorhalen als gevolg van “de minder-opbrengst ad ca € 21.000,-- door het gelegde derden beslag”. En [verkoper] wilde het perceel enkel kopen indien daarop geen hypotheek rustte. Kort samengevat zou de verkoop van het perceel dus enkel doorgang kunnen vinden als het derdenbeslag zou worden opgeheven, terwijl het derdenbeslag enkel tot een opbrengst kon leiden bij doorgang van de verkoop van het perceel. Gelet op de inhoud van de in r.o. 1.15 en 1.16 genoemde documenten gaat het hof als onvoldoende gemotiveerd weersproken voorbij aan de betwisting van Intralectric in eerste aanleg dat het derdenbeslag heeft geleid tot de ontbinding van de koopovereenkomst. 15. Vervolgens is aan de orde of Intralectric wist of had moeten weten dat het derdenbeslag in de omstandigheden van het geval niet tot de incasso van enig bedrag zou kunnen leiden. Partijen twisten daarover. Volgens Intralectric is zij na 14 maart 2014 – de dag waarop het vonnis in kort geding is gewezen – niet op de hoogte gehouden van de gang van zaken, waaronder de daadwerkelijke ontbinding van de koopovereenkomst door [verkoper] . De kantonrechter heeft geoordeeld dat nu Intralectric met name van de daadwerkelijke ontbinding van de koopovereenkomst, het later gedane verzoek tot goedkeuring van de onderhandse verkoop en de beslissing daarop onwetend is gehouden, er geen sprake van is dat Intralectric op enig moment na het kort geding de onevenredigheid tussen haar belang en dat van [appellante] kende of behoorde te kennen. Het hof komt op grond van het navolgende tot een ander oordeel. 16. [appellante] en Obvion hebben in verband met de beslaglegging een kort geding-procedure tegen Intralectric geëntameerd. Blijkens de in eerste aanleg als productie E.6 bij de dagvaarding gevoegde pleitaantekeningen, hebben [appellante] en Obvion op de zitting van de voorzieningenrechter van 3 maart 2014 onder meer het volgende aangevoerd: “Uitwinning van de gelegde beslagen zal tot gevolg hebben dat de opbrengst van de verkoop ruim € 20.000,00 lager is. De hypotheekhouder neemt daarmee geen genoegen. Hij zal derhalve niet instemmen met doorhaling van de hypotheek. Als gevolg daarvan zullen [appellante] en [A] niet onbezwaard kunnen leveren hetgeen ontbinding van de koop tot gevolg zal hebben.” 17. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat Intralectric in ieder geval op 3 maart 2014 er door [appellante] alsmede door hypotheekhouder Obvion van op de hoogte is gesteld dat handhaving van het derdenbeslag ertoe zou leiden dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden en daarmee dat het beslag niet kon leiden tot enige opbrengst. Intralectric heeft desondanks het derdenbeslag gehandhaafd. 18. Gelet op het bovenstaande, heeft Intralectric door na 3 maart 2014 het derdenbeslag te handhaven misbruik gemaakt van haar bevoegdheid. Op 3 maart 2014 wist zij immers, althans had zij kunnen en moeten weten, dat het door haar gelegde derdenbeslag niet tot de incasso van enig bedrag zou kunnen leiden en voorts dat handhaving van dat derdenbeslag (naar alle waarschijnlijkheid) tot gevolg zou hebben dat de verkoop van het perceel door [appellante] en [A] aan [verkoper] geen doorgang zou vinden. In dit verband merkt het hof op dat Intralectric niet heeft gesteld dat en waarom zij er ondanks de mededelingen van [appellante] en Obvion op 3 maart 2014 redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de verkoop van het perceel (toch) doorgang zou kunnen vinden, en er aldus een mogelijkheid bestond dat het derdenbeslag tot enige opbrengst zou leiden. Intralectric heeft, mede gelet op de grote financiële belangen van [appellante] en [A] bij de verkoop van het perceel, na 3 maart 2014 niet in redelijkheid tot handhaving van het derdenbeslag kunnen komen. 19. Aan het voorgaande doet niet af de omstandigheid dat [appellante] en Obvion bij vonnis van 14 maart 2014 door de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk zijn verklaard in het door hen gevorderde. De niet-ontvankelijkverklaring staat immers aan de onrechtmatigheid van het handhaven van het derdenbeslag niet in de weg. Dat, zoals Intralectric aanvoert, zij na het vonnis in kort geding niet op de hoogte is gehouden van de daadwerkelijke ontbinding van de koopovereenkomst maakt de beoordeling evenmin anders. Tijdens de zitting van 3 maart 2014 is door [appellante] en Obvion in niet mis te verstane bewoordingen te kennen gegeven wat het resultaat van handhaving van het derdenbeslag zou zijn: ontbinding van de koopovereenkomst. Intralectric maakt niet duidelijk waarom [appellante] die consequenties na het vonnis in kort geding nogmaals onder haar aandacht had moeten brengen. 20. Ook de door Intralectric aangevoerde omstandigheid dat zij bij herhaling aan [appellante] heeft aangeboden in overleg te treden om de zaak in der minne af te wikkelen, staat aan de onrechtmatigheid van de handhaving van het derdenbeslag niet in de weg. Nu Intralectric wist, althans had kunnen en moeten weten, dat het derdenbeslag niet tot de incasso van enig bedrag zou kunnen leiden, kan zij [appellante] redelijkerwijs niet verwijten dat deze niet bereid was tot het treffen van een minnelijke regeling. 21. De beoordeling van het derdenbeslag door de kantonrechter kan in het licht van het voorgaande niet in stand blijven. De tegen die beoordeling gerichte grieven slagen. schade 22. Gelet op het oordeel dat Intralectric onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld door het derdenbeslag na 3 maart 2014 te handhaven, dient te worden beoordeeld of en in hoeverre [appellante] dientengevolge schade heeft geleden. 23. [appellante] heeft - kort samengevat - de volgende schadeposten gesteld: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.