GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-15/01024 Uitspraak d.d. 1 juni 2016 in het geding tussen mevrouw [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 3 september 2015, nummer SGR 15/1431. Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De Inspecteur heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 59, lid 3, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: de Wfsv) met dagtekening 25 juni 2014 beslist, dat de dochter van belanghebbende, mevrouw [Y] , met ingang van 5 april 2007 niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 januari 2015 de beschikking gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking gewijzigd aldus dat mevrouw [Y] vanaf 5 april 2007 als verzekerde voor de werknemersverzekeringen wordt aangemerkt, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.224 en de Inspecteur gelast aan belanghebbende een bedrag van € 45 aan griffierecht te vergoeden. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De Inspecteur heeft per brief van 30 maart 2016, ingekomen bij het Hof op 4 april 2016, op het verweerschrift gereageerd. Een afschrift hiervan is aan belanghebbende verstrekt. 2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 april 2016, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. De dochter van belanghebbende, mevrouw [Y] , heeft sinds 1 januari 2000 zowel de verzorging van belanghebbende als het doen van de huishouding voor belanghebbende op zich genomen. 3.2. Vanaf 5 april 2007 heeft de dochter van belanghebbende voor het doen van de in 3.1 genoemde werkzaamheden een salaris van belanghebbende ontvangen dat wordt bekostigd uit een aan belanghebbende toegekend persoonsgebonden budget. 3.3. De Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb) heeft met ingang van 5 april 2007 de loonadministratie van belanghebbende verzorgd. De Svb heeft daarbij op het salaris van de dochter premies werknemersverzekeringen ingehouden en afgedragen. 3.4. In een tussen belanghebbende en haar dochter voor de periode 5 april 2007 tot en met 4 mei 2009 gesloten zorgovereenkomst, gedateerd 20 juli 2007, waarin belanghebbende wordt aangeduid als budgethouder en de dochter van belanghebbende wordt aangeduid als vertegenwoordiger van de budgethouder en als zorgverlener, is onder meer vermeld dat de werkzaamheden van de zorgverlener voor de budgethouder bestaan uit hulp bij het huishouden, verpleging, ondersteunende begeleiding en persoonlijke verzorging en dat deze werkzaamheden 43 uur per week in beslag nemen (4 dagen per week van 9 tot 15 uur, 1 dag per week van 9 tot 16 uur, 1 dag per week van 10 tot 16 uur en 1 dag per week van 11 tot 17 uur). 3.5. De onder 3.4 vermelde zorgovereenkomst is gewijzigd bij overeenkomsten van 30 september 2007, ingaande 1 oktober 2007 (betreft de hoogte van de vergoeding), van 2 januari 2008, ingaande 1 januari 2008 (betreft de hoogte van de vergoeding), van 27 mei 2009, ingaande 1 april 2009 (betreft de werktijden (voortaan 33 uur per week, verdeeld over alle dagen van de week), de looptijd van de overeenkomst (einddatum wordt 4 oktober 2009), de hoogte van de vergoeding, de toepassing van de heffingskorting en de aard van de werkzaamheden (hulp bij het huishouden, persoonlijke verzorging en begeleiding)), van 22 oktober 2009, ingaande 5 oktober 2009 (betreft de werktijden (voortaan 26 uur, verdeeld over alle dagen van de week), de looptijd van de overeenkomst (einddatum wordt 23 juli 2014), de hoogte van de vergoeding, de aard van de werkzaamheden (hulp hij het huishouden en persoonlijke verzorging) en de loonheffingskorting)), van 8 december 2009, ingaande 30 november 2009 (betreft de hoogte van de vergoeding), van 8 december 2009, ingaande 30 november 2009 (betreft de werktijden (voortaan 22,5 uren per week, verdeeld over alle dagen van de week) en de hoogte van de vergoeding), van 29 december 2009, ingaande 1 januari 2010 (betreft de werktijden (voortaan 26 uren per week, verdeeld over alle dagen van de week) en de hoogte van de vergoeding), van 3 juli 2010, ingaande 1 juli 2010 (betreft de werktijden (voortaan 22 uren per week, verdeeld over alle dagen van de week) en de hoogte van de vergoeding), van 29 november 2010, ingaande 1 december 2010 (betreft de hoogte van de vergoeding), van 1 december 2011, ingaande 1 december 2011 (betreft de hoogte van de vergoeding), van 28 december 2011, ingaande 1 januari 2012 (betreft de hoogte van de vergoeding) en van 2 december 2012, ingaande 1 december 2012 (betreft de hoogte van de vergoeding). 3.6. Verder zijn wijzigingen van de salarisadministratie overgelegd, te weten van 7 april 2009, ingaande 1 april 2009 (betreft “tijdelijke beëindiging want op dit moment is er geen budgetgeld”) en van 1 februari 2010, ingaande 1 februari 2010 (betreft adreswijziging zorgverlener). 3.7. In een tussen belanghebbende en haar dochter voor de periode 1 januari 2013 tot en met 23 juli 2014 gesloten zorgovereenkomst, gedateerd 1 januari 2013, waarin belanghebbende wordt aangeduid als budgethouder en de dochter van belanghebbende wordt aangeduid als vertegenwoordiger van de budgethouder en als zorgverlener, is onder meer vermeld dat de werkzaamheden van de zorgverlener voor de budgethouder bestaan uit hulp bij het huishouden en persoonlijke verzorging en dat deze werkzaamheden 21 uur per week in beslag nemen (7 dagen per week van 11 tot 14 uur). In de kantlijn is daaraan met de hand toegevoegd dat aan de persoonlijke verzorging 9 uur worden besteed. 3.8. Op 20 augustus 2007 heeft belanghebbende een vragenlijst familieverhouding ingevuld en ondertekend. op basis waarvan de belastingdienst kan beoordelen of de zorgverlener, te weten de dochter, verzekeringsplichtig is voor de Wfsv. Belanghebbende heeft in de vragenlijst onder andere de volgende informatie aan de Inspecteur verstrekt: "Waaruit bestaan de werkzaamheden? Huishoudelijke hulp, ondersteunende begeleiding, persoonlijke verzorging, verpleging. (…) Wordt er toezicht en controle uitgeoefend Nee op de kwaliteit en de voortgang van de werkzaamheden? Worden er met de zorgverlener gesprekken gehouden Nee over de kwaliteit en de voortgang van de werkzaamheden? Zo ja, door wie en met welk doel? Wordt de zorgverlener ter verantwoording geroepen met Nee betrekking tot de wijze waarop hij/zij de werkzaamheden uitvoert? (…) Voor welke periode zijn de werkzaamheden zijn de 05-04-2007 tot 04-04-2009 werkzaamheden aangegaan?" 3.9. Met dagtekening 4 juni 2014 is wederom door belanghebbende een vragenlijst familieverhouding ingevuld. In de vragenlijst in onder ander het volgende vermeld: "Waaruit bestaan de werkzaamheden? Huishoudelijke hulp, Persoonlijke verzorging (…) Wordt er toezicht en controle uitgeoefend Ja op de kwaliteit en de voortgang van de werkzaamheden? Worden er met de zorgverlener gesprekken gehouden Ja over de kwaliteit en de voortgang van de werkzaamheden? Zo ja, door wie en met welk doel? Met de budgethouder zodat alles naar zijn wens goed gedaan word Wordt de zorgverlener ter verantwoording geroepen met Ja betrekking tot de wijze waarop hij/zij de werkzaamheden uitvoert? (…)" Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. In geschil is of de dochter ter zake van de werkzaamheden die zij sinds 5 april 2007 voor belanghebbende verricht, verplicht verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er tussen belanghebbende en de dochter, in elk geval vanaf de zo-even genoemde datum, een gezagsverhouding bestaat. 4.2. De Inspecteur heeft in het hoger beroep het volgende aangevoerd: Tussen belanghebbende en de dochter is geen privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig. De gezagsverhouding ontbreekt omdat sprake is van een familieverhouding. De last te bewijzen dat in de periode van 5 april 2007 tot 23 juli 2014 sprake was van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en haar dochter, rust op belanghebbende. De enkele stelling van belanghebbende dat van gezag sprake was, is daartoe onvoldoende. Uit zowel de door belanghebbende over de periode 1 januari 2013 tot 23 juli 2014 overgelegde zorgovereenkomst tussen belanghebbende en haar dochter als de pas in hoger beroep overgelegde zorgovereenkomst, welke is ingegaan vanaf 5 april 2007 en met tussentijdse aanpassingen doorloopt tot en met 23 juli 2014, blijkt niet van een (latente) gezagsverhouding. Uit de vragenlijst familieverhouding van 20 augustus 2007 blijkt eveneens dat geen sprake is van een gezagsverhouding nu belanghebbende driemaal 'nee' heeft aangekruist bij de vragen die zien op aanwezigheid van een gezagsverhouding. Met dagtekening 4 juni 2014 is een tweede vragenlijst familieverhouding ingevuld, waarbij belanghebbende de vragen die zien op een gezagsverhouding met 'ja' beantwoordt en daarbij aangeeft dat met terugwerkende kracht vanaf 5 april 2007 sprake zou zijn geweest van een gezagsverhouding. Dat belanghebbende abusievelijk de vragen in de eerste vragenlijst familieverhouding met 'nee' beantwoord heeft, is niet aannemelijk. Tevens zijn geen verslagen van functioneringsgesprekken tussen belanghebbende en haar dochter overgelegd, waaruit opgemaakt kan worden dat een gezagsverhouding tussen belanghebbende en de dochter bestaat. 4.3. Belanghebbende heeft onder handhaving van hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd als verweer in hoger beroep nog gesteld: Belanghebbende heeft voldaan aan haar bewijslast. Uit de door belanghebbende overgelegde producties bij het verweerschrift blijkt dat sprake is van een zorgovereenkomst tussen belanghebbende en haar dochter in de periode van 5 april 2007 tot en met 23 juli 2014 . Belanghebbende was bevoegd om haar dochter bindende aanwijzingen te geven voor wat betreft de door de dochter te verrichten werkzaamheden. Belanghebbende heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt en doet dat nog steeds. De Inspecteur erkent dat sprake is van een persoonlijke arbeidsverplichting door de dochter, alsmede van het betalen van loon door belanghebbende aan de dochter. Gelet op de overgelegde (aanpassingen van ) zorgovereenkomsten, de vragenlijst familieverhouding van 4 juni 2014 en de in het verweerschrift aangehaalde jurisprudentie, bestaat er een gezagsverhouding tussen belanghebbende en haar dochter en is sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Conclusies van partijen 5.1. De Inspecteur heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. 5.2. Belanghebbende concludeert in hoger beroep tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Oordeel van de rechtbank 6. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de Rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid: "(…) 6. Ingevolge de desbetreffende bepalingen van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zijn werknemers verzekerd. Voor de toepassing van die wetten wordt onder werknemer verstaan: de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Op grond van artikel 25 van de Wfsv is premieplichtig degene tot wie hij in dienstbetrekking staat. 7. Op grond van artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt onder een privaatrechtelijke dienstbetrekking verstaan de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Alsdan zijn er drie elementen waaraan moet worden voldaan, wil sprake zijn van een dienstbetrekking in voormelde zin, te weten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.