GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Uitspraak : 20 april 2016 Zaaknummer : 200.185.993/01 Rekestnummer rechtbank : JE RK 16-75 Zaaknummer rechtbank : C/10/492957 [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. P. van Baaren te Rotterdam, tegen de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbende is aangemerkt: de Stichting Jeugdbescherming te Rotterdam hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. Als informant is aangemerkt: [informant] , wonende te [woonplaats] hierna te noemen: de vader. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder is op 19 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 januari 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam. Op 18 maart 2016 is van de zijde van de raad een bericht van 17 maart 2016 ingekomen, waarin is aangekondigd dat de raad ter zitting mondeling verweer zal voeren. De zaak is op 23 maart 2016 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader; de [raadsmedewerker] namens de raad. Namens de gecertificeerde instelling is, zoals door de gecertificeerde instelling aangekondigd bij faxbericht van 21 maart 2016, niemand verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank de minderjarige [naam] , geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige) onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling met ingang van 25 januari 2016 tot 25 januari 2017. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de periode van 25 januari 2016 tot 25 januari 2017. 2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, in die zin dat de minderjarige niet langer onder toezicht staat. Kosten rechtens. 3. De raad heeft daartegen ter zitting mondeling verweer gevoerd. 4. De moeder stelt ter onderbouwing van het door haar verzochte het volgende. De bestreden beschikking is niet goed gemotiveerd nu de omstandigheid dat de moeder de omgang blokkeert als enige grond voor de ondertoezichtstelling is genoemd. Dit terwijl een ondertoezichtstelling niet mag worden gebruikt om een omgangsregeling af te dwingen. Gelet hierop misbruikt de rechtbank het systeem. Daarbij is de moeder van mening dat het met geweld doorzetten van de omgang niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de moeder door de vader is mishandeld en dat de minderjarige daar getuige van is geweest. De moeder heeft hiervoor van het schadefonds geweldsmisdrijven een vergoeding ontvangen en zij heeft het stuk waaruit dit blijkt overgelegd. Voorts stelt de moeder dat de afspraak over omgang bij het omgangshuis ter zitting door de rechter door middel van een buitengewoon behendige gesprekstechniek is afgedwongen. Vervolgens heeft zij de omgang bij het omgangshuis gestopt, omdat de vader zich agressief heeft gedragen in het bijzijn van de minderjarige. Daar komt bij dat de minderjarige zijn vader nauwelijks kent en ook niet over hem praat. Volgens de moeder behoeft deze situatie een andere benadering dan de situatie, waarin de omgang tussen een ouder en een minderjarige na jarenlang contact plotseling wordt verbroken. Voorts stelt de moeder dat er geen zorgen zijn over de ontwikkeling van de minderjarige. Dit is bevestigd door de school van de minderjarige, die in het kader van het raadsonderzoek als informant is benaderd. De minderjarige presteert zelfs zo goed op dat hij in de plus-klas zit. 5. De raad verweert zich daartegen als volgt. De raad voert aan dat de minderjarige in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en in zijn identiteitsontwikkeling wordt bedreigd, omdat hij zonder vader opgroeit. Voor een evenwichtige ontwikkeling van een minderjarige is het van belang om contact te hebben met beide ouders. De ouders zijn langdurig verwikkeld in een conflict. Ondanks dat door de rechtbank verscheidene pogingen zijn gedaan om de omgang op gang te brengen heeft dit nergens toe geleid. Om deze reden ziet de raad de ondertoezichtstelling als laatste middel dat kan worden ingezet om de omgang op gang te brengen. Voorts is namens de raad meegedeeld dat in het raadsrapport steeds over ‘vermeend huiselijk geweld’ door de vader richting de moeder is geschreven, maar dat inmiddels vaststaat dat er huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. De vader heeft aan de raad meegedeeld dat hij de moeder een keer twee klappen heeft gegeven. Hoewel de moeder een andere lezing heeft over het huiselijk geweld, verwondert de raad zich over de wijze waarop de moeder zich tegen de omgang blijft verzetten. Inmiddels heeft de vader een behandeling ondergaan, zoals hem in 2012 door de raad is geadviseerd. Partijen zijn in mediation geweest en de contactmomenten bij het omgangshuis verliepen goed. 6. De vader heeft ter zitting meegedeeld dat hij de minderjarige voor het laatst in 2014 bij het omgangshuis heeft gezien. Volgens de vader verliepen de contacten goed. De minderjarige herkende hem. Dit verbaasde de vader niet aangezien de vader tijdens de relatie tussen partijen gedurende twee jaar lang fulltime voor de minderjarige heeft gezorgd, omdat hij thuis was en een WW-uitkering ontving. De vader betreurt het dat de moeder iedere vorm van contact tussen hem en de minderjarige afwijst, te meer omdat de rechtbank de afgelopen vijf jaar in de tussen partijen gevoerde omgangsprocedures steeds heeft beslist dat de omgang moet worden opgestart. 7. Het hof stelt voorop dat een ondertoezichtstelling slechts kan worden uitgesproken indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aanwezig zijn. Uit dat artikel volgt dat een minderjarige onder toezicht gesteld kan worden indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.